Uitwerking natuur

Natuur komt in RSopen niet uit de allocatie maar uit kaarten die per variant worden opgelegd. Deze pagina beschrijft waar die kaarten vandaan komen, wat er precies mee gebeurt en hoe het model omgaat met een levering die geen kaart geeft maar een opgave.

De indicatoren over natuur staan op Grondgebruiksverandering en Uitkoop en sloopkosten. De klasse-indeling van natuur op de kaart staat op Landgebruikskaart NL2120.

Twee mechanismen die uit elkaar gehouden moeten worden

Een levering kan een cel twee dingen aandoen, en die twee zijn onafhankelijk.

Opleggen betekent dat de cel van grondgebruik verandert. De bestaande bebouwing verdwijnt, de landbouw verdwijnt, en de indicatoren voor landgebruik, NDVI, koolstof en de uitkoop- en sloopkosten rekenen daarop af. Dit loopt van ExoNatuur_<variant> naar VariantData/<variant>/ExogeenOpleggen/Totaal. De oplegging blokkeert daarmee ook nieuwbouw, ook binnen plancapaciteit.

Op slot zetten betekent alleen dat er geen nieuwbouw meer bij komt. Wat er staat blijft staan en de grond blijft in gebruik. Dit loopt via VariantData/<variant>/Bouwregime/Landschap en werkt alleen in de variant NbSGenuanceerd. Zie Beschikbaarheid voor de drie assen opleggen, bouwregime en sloop, en voor de tweede sloopregel die maakt dat bebouwing ook wijkt waar het regime Slopen is zonder dat er natuur voor in de plaats komt.

Een gebied kan het een zijn, het ander, of allebei. Bij kust vallen ze samen. Bij rivieren is het ruimtebeslag 88.348 ha terwijl er 58.075 ha terrestrische natuur uit volgt, dus het deel dat agrarisch blijft gaat wel op slot en wordt niet opgelegd. Bij zand is het ruimtebeslag het beekdalherstel en is de oplegging een allocatie binnen dat masker, en bij veen is de oplegging een allocatie binnen het aangeleverde veengebied.

Waar het model niets oplegt

De oplegging raakt twee soorten cellen nooit, in geen enkele variant.

Bestaand bebouwd gebied volgens de eigen begrenzing, met een instelbaar peiljaar. Zonder die toets landt de NL2120-natuuropgave voor een groot deel in bestaande kernen en sloopt het model daar de bebouwing. Het gebied gaat dan wel op slot, maar de bebouwing blijft.

Exogeen grondgebruik: hoofdwegen, spoorwegen, vliegvelden en begraafplaatsen, de groep Infra plus Begraafplaats uit de CBS-bodemstatistiek. Dat is dezelfde vlag waarmee de landgebruikskaart die cellen al ongemoeid liet. Zonder deze toets legde de veenlevering natuur over Schiphol heen.

De opbouw van de natuurcontainer

SourceData/Grondgebruik/Natuur kent drie lagen.

Bron leest in en doet verder niets: de shapes, de geopackages en de rastering naar het modelraster.

Basisjaar is de natuur die er in het basisjaar al ligt, met een natuurbeheertype per cel. Twee bronnen, elk voor de vraag die hij kan beantwoorden: het landgebruik in het basisjaar bepaalt of een cel natuur is, en de MNP-beheertypenkaart bepaalt welk beheertype dat dan is. Die laatste is een planpotentieelkaart, dus huidige natuur plus de volledige realisatie van alle geplande maatregelen; het masker op het basisjaar-landgebruik haalt dat plandeel eruit.

Varianten combineert per variant de landschapsleveringen en houdt daarvan over wat nieuw is. Elke variant heeft een subcontainer Landschap met een container per landschapstype, elk met een natuurstroom en een waterstroom. Daarboven staat Natuur_Totaal, waarin de leveringen worden samengevoegd, en Natuur_Nieuw, dat daarvan aftrekt wat het basisjaar al was, met de veenuitzondering die hieronder staat.

In de wortel van de container staat per variant een ExoNatuur_ en een ExoWater_. Dat is wat VariantData ophaalt.

Alleen nieuwe natuur wordt opgelegd, behalve in het veen

Elke variant legt in beginsel alleen op wat er verandert. Dat is niet altijd zo geweest: tot augustus 2026 legde het model in elke variant ook de bestaande natuur op. In BAU omdat de MNP-kaart huidige natuur en planpotentieel niet scheidt, en in de NbS-varianten via een achtervang die op diezelfde kaart terugviel waar de leveringen zwegen. Daardoor legde NbSGenuanceerd ruim 1,4 miljoen ha natuur op, waarvan het overgrote deel al natuur was, en was uit dat cijfer niet af te lezen wat er eigenlijk verandert.

Bestaande natuur niet opleggen kan omdat er niets van die oplegging afhangt om natuur natuur te laten blijven. De landgebruikskaart valt zonder oplegging terug op het basisjaar, de koolstofklasse valt via het vorige zichtjaar terug op het basisjaar, en bos en open natuurlijk terrein zijn in de NbS-varianten al evident benut voor wonen en werken. Bestaande natuur gaat daarmee niet op slot: waar geen restrictie op ligt mag de allocatie er terecht, en wat dat kost is meetbaar via de indicator VerdwenenNatuur.

Sinds het besluit in #660 geldt voor het veen in NbSGenuanceerd een uitzondering. De bouwstenenlevering beschrijft de eindtoestand van elk peilgebied in 2120, waarin al het grondgebruik vervangen wordt behalve de bekende uitzonderingen zoals panden en bestaand bebouwd gebied. De oplegging overschrijft daar dus ook bestaande natuur met het aangeleverde beheertype; gemeten in NbSGenuanceerd op zichtjaar 2040, stand 3 september 2026, gaat het om 11.486 ha die van beheertype wisselt. Bestaande natuur die de allocatie overslaat houdt haar huidige type, en bestaand open water blijft water.

Wat elke variant oplegt

Variant Levering Opgelegd
BAU en BAU2 De MNP-kaart met planpotentieel Het plandeel daarvan, dus wat vigerend natuurbeleid volgens die kaart nog realiseert
NbSMax De rivierenkaart NbSMax, plus het plandeel uit BAU Beide, waarbij de levering voorgaat waar ze dezelfde cel raken
NbSGenuanceerd Veen, kust, zand en rivieren De vier samen, met een vaste voorrang waar ze elkaar raken

NbSMax neemt het BAU-plandeel over omdat er voor die variant maar een landschapstype heeft geleverd. Dat is een gat in de invoer en geen modelkeuze. NbSGenuanceerd doet dat niet: daar leveren alle vier de landschappen zelf, en die leveringen vervangen het vigerende plan in plaats van er bovenop te komen.

De voorrang waar twee leveringen dezelfde cel raken staat in Natuur_Totaal en Water_Totaal en is kust, natte zandnatuur, veen, rivieren, droge zandnatuur. De zandlevering is daarvoor in twee stromen gesplitst: de natte zandnatuur, het beekdalherstel, gaat voor op het veen omdat een beekdal een watersysteem is dat de veenbouwsteen niet kent, en de droge zandnatuur komt achteraan omdat die het minst aan een specifieke plek gebonden is.

De vier leveringen overlappen elkaar nauwelijks: samen 8.562 ha op een gezamenlijk ruimtebeslag van 752.375 ha, en vrijwel alles daarvan is beekdal dat ook in het veengebied ligt.

De vier leveringen

Veen

De levering geeft per peilgebied het aandeel van elke NbS-bouwsteen, en via de bouwstenentabel volgt daaruit een opgave in hectares per peilgebied voor achttien natuurbeheertypen. Die percentages beschrijven de eindtoestand van het peilgebied in 2120, dus inclusief wat er al ligt: bestaande natuur telt mee voor de opgave en wisselt van beheertype waar de allocatie haar raakt. Het op de kaart zetten gaat sinds #684 in twee trappen: eerst wordt per peilgebied de bouwsteen zelf gealloceerd, en daarna krijgt elke cel binnen een bouwsteen een van de typen waaruit die bouwsteen volgens de tabel bestaat; zie hieronder.

Tot #660 werd hier per cel het beheertype met het grootste aandeel opgelegd. Dat kon niet: de fracties zijn binnen een peilgebied overal gelijk, dus die regel kleurde het hele peilgebied in een klasse, hoe klein de fractie ook was.

Kust

Drie leveringen, een per landschapstype: kerven in de duinen, en meegroeilandschappen en voorlanden voor de Westerschelde en de Waddenzee. In dit hele ruimtebeslag verandert het grondgebruik in natuur. Een schakelaar bepaalt of de buitendijkse delen meetellen; die staat aan, want volgens de aanleverende partij wordt het hele ruimtebeslag natuur.

Zand

Anders dan de andere drie levert zand geen kaart maar twee dingen: een ruimtebeslag waar niet meer gebouwd mag worden, het beekdalherstel, en een opgave in hectares per claimregio. Die opgave moet het model zelf op de kaart zetten; zie hieronder.

Rivieren

De levering geeft per gebied geen kaart maar een verdeling: het aandeel van elk van vijftien ecotooptypen, samen honderd procent, over 59 gebieden. Ook die verdeling moet naar een kaart; zie hieronder.

Een opgave op de kaart zetten: zand en veen

De opgave van zand staat in ModelParameters/Natuur, per claimregio per variant, gescheiden in natte en droge natuur. Twee dingen daarin wijken af van hoe de opgave oorspronkelijk was beschreven, en de aanlevering gaat voor.

De voorkeursvolgorde is bij droge natuur al verwerkt in de opgave. Er staat per deelgebied een apart getal per afstandsring rond het Natuurnetwerk Nederland, dus die ring is een fijnere claimregio en geen rangorde die het model moet oplossen. Dat maakt vijf deelgebieden maal vijf ringen, vijfentwintig claimregio’s.

Natte natuur kent maar twee klassen, bos en moeras tegenover vochtige graslanden, in een verhouding die per deelgebied verschilt en volgens de toelichting de situatie van 1900 volgt.

Het verdelen zelf gebeurt met discrete_alloc_sp, dezelfde operator die de landbouwallocatie gebruikt. De opgave per regio per type is een harde bovengrens, en binnen die grens wordt de som van de geschiktheid gemaximaliseerd. Een resttype vangt op wat de opgave niet opsoupeert, zodat de allocator niet gedwongen wordt de opgave over het hele gebied uit te smeren.

De zeef zit in de geschiktheid en niet ernaast: waar een type niet mag landen is de geschiktheid leeg. Dat is bewust, want een zeef die pas na de allocatie werkt zou wegknippen wat al gealloceerd is en daarmee de opgave stilzwijgend missen. Natte natuur mag alleen binnen het beekdalherstel, droge natuur alleen daarbuiten en op de geomorfologisch geschikte landvormen. Beide alleen op landbouwgrond.

Binnen die zeef bepaalt de geschiktheid waar de natuur landt. De aanlevering geeft daar geen voorkeur, dus stond er eerst een trekking per cel. De arealen klopten daarmee, maar het kaartbeeld niet: de allocator kiest dan de losse toppen van een ruisoppervlak, en die liggen als losse cellen van 25 bij 25 meter verspreid over het landbouwgebied. Met drie typen die elk hun eigen trekking hadden, lagen ook de typen door elkaar heen.

De geschiktheid bestaat nu uit twee gladde termen, allebei van 0 tot 1. De eerste is het aandeel bestaande natuur in een schijf van 500 meter rond de cel, bij natte natuur inclusief bestaand open water, want in een beekdal is de beek zelf het aanknopingspunt. De tweede is ruis die per cel van 500 meter wordt getrokken en over dezelfde schijf wordt gemiddeld, met een gewicht van een half. Dat is dezelfde ingreep als bij waterberging: middel de geschiktheid over een schijf, dan komen er aaneengesloten gebieden boven de zaaglijn uit in plaats van losse toppen.

De taakverdeling tussen die twee termen volgt uit de wiskunde van de allocator. Welke cellen natuur worden hangt af van de hele geschiktheid, dus daar telt de aansluiting bij bestaande natuur mee. Welk van de drie typen een cel wordt hangt alleen af van het verschil tussen de typen, en dat is de ruis, want de aansluitingsterm is voor alle typen dezelfde en valt tegen elkaar weg. Zo komen de typen als aaneengesloten vlekken naast elkaar te liggen.

Het rekenwerk aan die twee termen gebeurt op 100 meter en niet op de 25 meter van het AdminDomain, om dezelfde reden als bij de afstandsringen: een schijf van 500 meter vraagt op 25 meter een kern van 41 bij 41 cellen over ruim 27 miljoen cellen. De rand van een natuurvlek verspringt daardoor op 100 meter, ruim binnen de nauwkeurigheid van een opgave die alleen hectares per claimregio geeft.

De veenopgave draait door hetzelfde sjabloon, maar niet meer op de natuurbeheertypen. Sinds #684 alloceert het model de bouwstenen zelf, met het peilgebied als claimregio: 7.689 gebieden van gemiddeld 69 ha. De zeef is daar het hele aangeleverde veengebied; alleen het opleggingsmasker blijft eraf, dus bestaand bebouwd gebied en exogeen grondgebruik. Bestaande natuur en bestaand open water zitten er juist in, want de opgave beschrijft een eindtoestand. Wat een cel binnen zijn bouwsteen wordt volgt daarna uit de rangordemethode die verderop bij rivieren staat beschreven, met het peilgebied maal de bouwsteen als regio.

Sinds #768 staat ook de pandentoets uit: een bouwsteen komt over bestaande bebouwing heen te liggen, want de leveringen die slopen vragen dat juist. Daarmee is het opleggingsmasker de enige uitsluiting die overblijft.

De allocatie per natuurbeheertype bestaat nog wel en wordt nog doorgerekend, maar zij bepaalt sinds #684 niet meer wat er op de kaart komt. Wie de veenrealisatie meet moet dus naar de bouwsteenallocatie kijken en niet naar die route; de twee komen op heel verschillende getallen uit.

De opgave beslaat vrijwel het hele peilgebied, en dat maakt het uit waarop de aangeleverde percentages betrokken worden. Sinds #761 is dat het deel van het peilgebied dat het model mag omzetten en niet het hele peilgebied. Dat is de afspraak met de aanleverende partij: zij hebben woon- en werkgebied met verharding van het beschikbare areaal afgehaald voordat zij de percentages berekenden. Tot die keuze lag de landelijke opgave 23.593 ha boven alles wat er aan kandidaatruimte was, en dat deel was met geen enkele allocatieregel te halen.

Daarmee past de opgave per constructie. De twaalf aangeleverde bouwstenen tellen per peilgebied op tot ongeveer 0,907 en het oppervlak waarover die fracties gelden loopt langs dezelfde afbakening als de zeef. Wat er dan nog aan tekort overblijft is afrondingsgruis: de opgave wordt per peilgebied per bouwsteen afgekapt op hele cellen van 0,0625 ha.

Er is bewust geen tweede trap die de opgave van een vol peilgebied elders laat landen. Zo’n overheveling naar het eigen deelgebied heeft er van augustus tot 3 september 2026 gestaan, op het besluit in #660 dat overschotten overgeheveld mochten worden. De aanleverende partij heeft dat teruggedraaid met een argument dat sterker is dan het oorspronkelijke: de verdeling van bouwstenen binnen een peilgebied volgt uit de water- en bodemkundige eigenschappen van dat gebied, dus een opgave die daar niet past hoort niet in een buurgebied te gaan liggen. Wat niet past blijft liggen en is een modeluitkomst.

Gemeten in NbSGenuanceerd op zichtjaar 2040, stand 3 september 2026: van de 441.809 ha opgave over alle bouwstenen landt 441.497 ha op de kaart en blijft 311 ha liggen, oftewel 0,07 procent. De kandidaatruimte is 476.793 ha van de 530.670 ha veengebied, dus er blijft 35.295 ha kandidaatruimte onbenut; dat is het deel van de levering dat niet is aangeleverd, de bouwstenen 0a, 0b, 1 en 10b, en die cellen houden hun huidige grondgebruik.

De onderrealisatie per peilgebied staat in de uitdraai veenbouwstenen_terugkoppeling, met GPGIDENT als sleutel, voor de terugkoppeling aan de aanleverende partij. Die uitdraai loopt sinds #761 mee in elke productierun, samen met een landelijke regel en een tabel per deelgebied.

Een verdeling op de kaart zetten: rivieren

Het model werkt per cel met een klasse en niet met een mengsel, dus de ecotoopverdeling moet naar een kaart. Dat gebeurde eerst met een trekking: elke cel kreeg een toevalswaarde en viel daarmee in een klasse. De arealen klopten, maar het kaartbeeld was onbruikbaar, met ooibos als losse punten van 25 bij 25 meter tussen het grasland.

Nu worden de cellen binnen elk gebied gerangschikt op natheid en krijgen de cumulatieve aandelen op die volgorde. De natste cellen worden zomerbed en stromend water, dan slikkige oever en moeras, dan grasland en zachthout ooibos, en op de hoogste delen hardhout ooibos en stroomdalgrasland. Zo ontstaat de zonering die een uiterwaard hoort te hebben.

De natheid komt uit de overstromingsdiepte, buitendijks uit de kaart van het onbeschermde hoofdwatersysteem en binnendijks uit de gecombineerde kaart. Bestaand open water staat bovenaan, en binnen dat water bepaalt de mate waarin een cel door water omringd is de volgorde, zodat het midden van de geul het zomerbed wordt en de randen het stromende en stagnante water. De natheid wordt eerst gemiddeld over een schijf van vijftig meter, want de dieptekaart varieert op celniveau sterker dan de hoogteligging doet.

GeoDMS kent geen rangschikking per gebied. Die wordt gemaakt met een globale sortering op een sleutel die eerst op gebiedsnummer en dan op natheid ordent; het rangnummer binnen het gebied volgt dan uit het globale rangnummer min de startpositie van dat gebied.

De volgorde van de vijftien ecotopen langs de gradiënt staat als aparte lijst in Classifications/Grondgebruik/NbSRivieren/Gradient, los van de volgorde waarin de levering ze aanlevert. Die lijst bepaalt alleen het kaartbeeld en niet de arealen, en is dus vrij aan te passen.

Waarom de arealen blijven kloppen

Beide methoden tellen en drempelen niet. Bij zand is de opgave een harde bovengrens in cellen; bij rivieren is de positie binnen het gebied per constructie gelijkmatig verdeeld, zodat het aantal cellen per ecotoop volgt uit de aandelen. In beide gevallen kan de ordeningsvariabele veranderen zonder dat de arealen wegdrijven; alleen het patroon verandert.

Dat wordt bewaakt. Bij zand meet Alloc/Controle per claimregio het verschil tussen opgave en realisatie, en of de zeef de opgave uberhaupt kan herbergen. Dezelfde container meet ook de vorm: van de dertien cellen binnen 50 meter rond een cel die natuur wordt, wordt er 80 procent ook natuur, tegen 19 procent bij droge natuur en 66 procent bij natte als dezelfde opgave willekeurig over de zeef was gestrooid. Van die buren heeft 98 procent hetzelfde beheertype. Bij veen zit hetzelfde vormgetal in de controlecontainer van elke veenallocatie, maar sinds #684 hoort het getal dat bij de oplegging past bij de bouwsteenallocatie van trap 1 en niet meer bij de typenallocatie; de verdeling binnen een bouwsteen komt van de rangordemethode en klopt per constructie op de arealen. Bij rivieren vergelijkt Controle/PerEcotoop het gerasterde areaal met het areaal dat rechtstreeks uit de levering volgt, met een grens van vijf procent.

Bekende beperkingen

Water gaat sinds 5 september 2026 (#751) gewoon mee in de oplegging: de natuuroplegging is een enkele stroom per variant (Templates/VariantData/Natuur), water is een eigenschap van het beheertype en de variantparameter ExogeenWaterOpleggen bestaat niet meer. Bij rivieren dragen de drie waterecotopen daarvoor een watertype (zomerbed en stromend water N02.01, stagnant water N04.02) waar de conversietabel van de levering N01.03 geeft; dat landschapstype verzamelt water en moeras in een code en zou de nevengeulen in de stand tot moeras maken. Water op een cel die al water is wordt nooit opgelegd, ook niet in het veen. De landelijke MNP-kaart (BAU, BAU2 en de achtervang van NbSMax) wisselt de categorie van het basisjaar niet: een terrestrisch type op een cel die LGN als water kent of een watertype op begroeiing wordt niet opgelegd, dezelfde regel als in de basiskaart. De oplegging toetst of iets nieuw is twee keer: voor de stand-administratie tegen de stand, voor de landgebruikskaart tegen de bron van die kaart (Landgebruik_Basis), zodat een cel die LGN natuur noemt en de bodemstatistiek landbouw wel op de kaart natuur wordt maar in de stand geen verandering boekt. Alleen het open water van de veenbouwstenen 9a en 9b wordt niet opgelegd maar als voorkeurslocatie aan de sector Waterberging gelaten (#664). Tot die datum stond de waterstroom, ExoWater, in alle varianten uit.

De vlaggen op NatuurType die tot dan bepaalden of een N-groep als natuur of als water werd opgelegd zijn met die stroom vervallen; de scheiding loopt nu per beheertype over INL_Beheertype/IsWater.

De beheertypenkaart van het basisjaar is sinds 5 september 2026 het Natuurbeheerplan 2026 van de provincies (BIJ12, SourceData/Grondgebruik/NBP, #776); de MNP-planpotentieelkaart vult de gaten en daarna een heuristiek uit LGN en de bodemstatistiek (#751). De kaarten worden aan de categorie van LGN gehouden: een terrestrisch beheertype op een cel die LGN als open water ziet wordt niet overgenomen (28.571 ha, vooral reservaten die als een vlak zijn ingetekend), en een watertype op begroeiing evenmin (3.957 ha); de heuristiek vult die cellen dan met een watertype of een droog type. Gemeten na die toets: 585.346 ha beheertype uit het Natuurbeheerplan, 48.629 ha uit de MNP-kaart, 146.768 ha uit de heuristiek, en geen natuur- of watercel zonder type. De NVK-kaart huidig van 2020 is als bron vervallen en haar landgebruikskaarten zijn uit de configuratie.

Bij rivieren liggen de waterklassen als concentrische ringen om de geul. Strangen en wielen zijn in werkelijkheid losse plassen in de uiterwaard, vaak juist verder van de geul af. Wie dat wil verbeteren kan de watertypen uit de BAU-rivierenkaart erbij halen, die Zomerbed en Stagnant water als aparte ecotopen kent.

De zand-opgave is alleen voor NbSGenuanceerd aangesloten. De aanlevering bevat ook een kolom voor BAU en voor NbSMax; voor BAU speelt daarbij dubbeltelling met het Natuurnetwerk, dat al in de MNP-kaart zit.