Uitwerking natuur

Natuur komt in RSopen niet uit de allocatie maar uit kaarten die per variant worden opgelegd. Deze pagina beschrijft waar die kaarten vandaan komen, wat er precies mee gebeurt en hoe het model omgaat met een levering die geen kaart geeft maar een opgave of een verdeling.

De indicatoren over natuur staan op Grondgebruiksverandering en Uitkoop en sloopkosten. De klasse-indeling van natuur op de kaart staat op Landgebruikskaart NL2120. Welke varianten er in een toepassing zijn en welke leveringen die dragen staat op Toepassing NL2120; de voorbeelden hieronder komen uit die toepassing, variant NbSGenuanceerd, en horen bij het project en niet bij de methode.

Twee mechanismen die uit elkaar gehouden moeten worden

Een levering kan een cel twee dingen aandoen, en die twee zijn onafhankelijk.

Opleggen betekent dat de cel van grondgebruik verandert. De bestaande bebouwing verdwijnt, de landbouw verdwijnt, en de indicatoren voor landgebruik, NDVI, koolstof en de uitkoop- en sloopkosten rekenen daarop af. Dit loopt van VariantData/<variant>/NatuurLevering naar ExogeenOpleggen/Beheertype en, voor de landbouwstroom van veen, ExogeenOpleggen/LandbouwType_rel. De oplegging blokkeert daarmee ook nieuwbouw, ook binnen plancapaciteit.

Op slot zetten betekent alleen dat er geen nieuwbouw meer bij komt. Wat er staat blijft staan en de grond blijft in gebruik. Dit loopt via VariantData/<variant>/Bouwregime/Bron/Landschap en werkt alleen in de varianten met landschapsleveringen. Zie Beschikbaarheid voor de drie assen opleggen, bouwregime en sloop, en voor de sloopregels: sloop volgt de sloopkaart van een levering en niet de oplegging, en vereist een nieuw landgebruik, met het sloopgebied van rivieren als enige uitzondering.

Een gebied kan het een zijn, het ander, of allebei. Bij kust vallen ze samen. Bij rivieren is het ruimtebeslag groter dan de natuur die eruit volgt: het agrarische en bebouwde deel van de ecotoopverdeling en de behouden dijken worden niet opgelegd maar gaan wel op slot. Bij zand is het ruimtebeslag het beekdalherstel en is de oplegging een allocatie, en bij veen is de oplegging een allocatie binnen het aangeleverde veengebied.

Waar het model niets oplegt

De oplegging raakt twee soorten cellen nooit, in geen enkele variant. Het masker staat in BaseData/Omgeving/Opleggingsmasker en wordt gelezen door de oplegging, door de natuurallocaties en door het diagnoseharnas, zodat de drie dezelfde afbakening hebben.

Bestaand bebouwd gebied volgens de eigen begrenzing, met een instelbaar peiljaar. Zonder die toets landt de natuuropgave voor een groot deel in bestaande kernen en sloopt het model daar de bebouwing. Het gebied gaat dan wel op slot, maar de bebouwing blijft.

Exogeen grondgebruik: hoofdwegen, spoorwegen, vliegvelden en begraafplaatsen, de groep Infra plus Begraafplaats uit de CBS-bodemstatistiek. Dat is dezelfde vlag waarmee de landgebruikskaart die cellen ongemoeid laat. Zonder deze toets legt een veenlevering natuur over een luchthaven heen.

De opbouw

SourceData/Grondgebruik/Natuur kent drie delen.

Bron leest de leveringen in en doet alles wat niet van de variant afhangt: de vertaling van de kustshapes naar beheertypen, de rangschikking van de riviercellen op natheid, de claimregio’s, de zeven en de geschiktheid van zand, en de controles per levering.

Basisjaar is de natuur die er in het basisjaar al ligt, met een natuurbeheertype per cel. Twee bronnen, elk voor de vraag die hij kan beantwoorden: de stand-administratie van het landgebruik bepaalt of een cel natuur of water is, en de beheertypenkaart bepaalt welk beheertype dat dan is. Die kaart is het Natuurbeheerplan van de provincies (BIJ12, SourceData/Grondgebruik/NBP); de MNP-planpotentieelkaart vult de gaten en daarna een heuristiek uit LGN en de bodemstatistiek. De MNP-kaart niet rechtstreeks, want die is planpotentieel: huidige natuur plus de volledige realisatie van alle geplande maatregelen, en het masker op de stand haalt dat plandeel eruit. De kaarten worden aan de categorie van de stand gehouden: een terrestrisch beheertype op een cel die de stand als open water kent wordt niet overgenomen, en een watertype op begroeiing evenmin; de heuristiek vult die cellen met een type dat bij de categorie past. In het NL2120-basisjaar heeft 844.834 ha natuur en water zo een beheertype, waarvan 587.568 ha uit het Natuurbeheerplan, en geen enkele natuur- of watercel is zonder type.

Onderlaag_BAU is de MNP-kaart in de rol van onderlaag onder de landschapsleveringen; zie de rangorde hieronder.

De stroom per variant staat in Templates/VariantData/Natuur/Natuur_T, geinstantieerd als VariantData/<variant>/NatuurLevering. Per landschap staat daar een container met het beheertype per cel en of dat water is, Levering legt ze over elkaar, IsNieuw toetst per cel of de oplegging de stand verandert, en Levering_Nieuw en LandbouwType_Levering zijn wat er overblijft. De zware ketens van veen, kust, zand en rivieren (Landschap_T) staan alleen in de boom van een variant met landschapsleveringen; de andere varianten lezen de landelijke kaart. ExogeenOpleggen past daarna het opleggingsmasker toe.

Alleen nieuwe natuur wordt opgelegd, behalve in het veen

Elke variant legt alleen op wat er verandert. Water op een cel die al water is wordt nooit opgelegd, ook niet in het veen: bestaand water dat een watertype uit een levering krijgt blijft wat het is en krijgt geen jaar van verandering. Natuur op een cel die al natuur is wordt evenmin opgelegd, met een uitzondering voor het veen.

Bestaande natuur niet opleggen kan omdat er niets van die oplegging afhangt om natuur natuur te laten blijven. De landgebruikskaart valt zonder oplegging terug op het basisjaar, de koolstofklasse valt via het vorige zichtjaar terug op het basisjaar, en bos en open natuurlijk terrein zijn in de NbS-varianten al evident benut voor wonen en werken. Bestaande natuur gaat daarmee niet op slot: waar geen restrictie op ligt mag de allocatie er terecht, en wat dat kost is meetbaar via de indicator VerdwenenNatuur.

In het veen geldt de uitzondering. De bouwstenenlevering beschrijft de eindtoestand van elk peilgebied in het eindjaar, waarin al het grondgebruik vervangen wordt behalve de bekende uitzonderingen, zoals bestaand bebouwd gebied. De oplegging overschrijft daar dus ook bestaande natuur met het aangeleverde beheertype (IsVeen), maar alleen waar veen de cel volgens de rangorde ook werkelijk wint: waar kust of natte zandnatuur op dezelfde cel levert, geldt voor die levering de gewone regel. Bestaande natuur die de veenallocatie overslaat houdt haar huidige type, en bestaand open water blijft water.

Wat elke variant oplegt

Variant Levering Opgelegd
BAU en BAU2 De MNP-kaart met planpotentieel Het plandeel daarvan, dus wat vigerend natuurbeleid volgens die kaart nog realiseert
NbSGenuanceerd en NbSGenuanceerder Veen, kust, zand en rivieren, met de MNP-kaart als onderlaag De vier leveringen in een vaste voorrang, en daaronder het plandeel van de MNP-kaart in de landschappen die daarom vragen

De leveringen van de vier landschappen vervangen het vigerende plan in plaats van er bovenop te komen: waar een team iets oplegt geldt dat, en waar het bewust niets oplegt binnen zijn eigen ruimtebeslag blijft de cel wat zij is. Buiten die ruimtebeslagen ligt de MNP-kaart als onderlaag, zodat het vigerende natuurbeleid niet wegvalt in een variant die verder alleen de vier leveringen kent.

De rangorde

Levering legt de kaarten van de landschappen over elkaar in een vaste volgorde: kust, natte zandnatuur, veen, rivieren, droge zandnatuur, en als laatste de onderlaag. Het landschap dat voorgaat wint de cel met alles wat het levert, natuur en water samen, want de veenlevering beschrijft een eindtoestand en haar water hoort daarbij. De natte zandnatuur, het beekdalherstel, gaat voor op het veen omdat een beekdal een watersysteem is dat de veenbouwsteen niet kent, en de droge zandnatuur komt achteraan omdat die het minst aan een specifieke plek gebonden is.

De onderlaag draagt overal de laagste rang, ook binnen het kustgebied: zij vult alleen cellen waar geen enkel team iets levert. Waar zij mag liggen staat in ModelParameters/Natuur/BAUOnderlaag, per landschapsgebied een regel: aan voor kust, rivieren, zand en het gebied buiten de vier landschappen, uit en blokkerend voor veen. Binnen de aangeleverde polygonen van kust, rivieren en veen ligt zij nooit (Onderlaag_BAU/InRuimtebeslag), ook niet waar het team daar bewust niets oplegt, want binnen zijn ruimtebeslag heeft het team per cel opgeschreven wat er komt. Dat ruimtebeslag is de levering zelf en niet het landschapsgebied; bij veen vallen die twee niet samen. Zand is de enige plek waar de onderlaag eerst komt: de zandopgave wordt gealloceerd op wat de onderlaag overlaat, omdat de aangeleverde zandclaims additioneel zijn ten opzichte van het vigerende beleid en niet ten opzichte van het basisjaar.

De veenlevering geeft naast natuur ook landbouw: natte teelt en vernat grasland, die als landbouwtype de stand-administratie in gaan en geen natuur zijn. Die landbouwstroom heeft dezelfde rang als de natuur van veen. Waar veen met landbouw wint (IsVeenLandbouw) legt de natuurstroom niets op, dus natuur van rivieren, droge zandnatuur of de onderlaag verliest daar van de landbouw van veen, net zoals zij van de natuur van veen verliest; alleen kust en natte zandnatuur gaan voor. Een cel krijgt van een variant zo altijd een beheertype of een landbouwtype en nooit allebei.

De zandallocatie kent de rangorde ook aan de voorkant. Zij zet geen hectares op cellen die een landschap van hogere rang al levert, want die cellen zou zij na de allocatie toch verliezen en dan zou de gerealiseerde opgave stil lager uitvallen dan de controle meldt. Voor natte zandnatuur is dat alleen kust, voor droge zandnatuur zijn dat kust, veen met alles wat het levert, en rivieren; het masker staat in Templates/VariantData/Natuur/Landschap_T, de plek waar de vier landschappen naast elkaar staan. De veenallocatie doet dat niet: zij verliest de cellen die kust en natte zandnatuur winnen achteraf in de stroom, en dat deel van haar opgave blijft liggen.

Het bouwregime kent geen rangorde: over de vier landschappen wint het strengste regime. Zie Beschikbaarheid.

De vier leveringen overlappen elkaar weinig ten opzichte van hun gezamenlijke ruimtebeslag, en vrijwel alle overlap is beekdal dat ook in het veengebied ligt. In NbSGenuanceerd leveren de vier samen 437.179 ha terrestrische natuur, waarvan 1.504 ha zowel door veen als door zand en 162 ha zowel door veen als door rivieren wordt geleverd; veen verliest 1.669 ha natuur en 884 ha landbouw aan de natte zandnatuur. De uitdraai Diagnose/Natuur/Rangorde meet per paar wat de landbouwstroom en de zandallocatie aan een ander landschap verliezen; de rijen die de rangorde beschermt horen op nul te staan.

De vier leveringen

Veen

De levering geeft per peilgebied het aandeel van elke NbS-bouwsteen, in twee lagen: gebieden met een peilvak en gebieden zonder. Via de bouwstenentabel (Classifications/Grondgebruik/NbSVeen) bestaat elke bouwsteen uit componenten: natuurbeheertypen, natte teelt, vernat grasland, gewoon grasland, bebouwd en oppervlaktewater. Die percentages beschrijven de eindtoestand van het peilgebied, dus inclusief wat er al ligt: bestaande natuur telt mee voor de opgave en wisselt van beheertype waar de allocatie haar raakt. Het op de kaart zetten gaat in twee trappen: eerst wordt per peilgebied de bouwsteen zelf gealloceerd, en daarna krijgt elke cel binnen een bouwsteen een van de componenten waaruit die bouwsteen volgens de tabel bestaat; zie hieronder.

Wat eruit komt zijn drie stromen. De natuurbeheertypen en het water van de gewone bouwstenen gaan de natuuroplegging in. De natte teelt en het vernatte grasland gaan als landbouwtype de stand-administratie in; die cellen blijven landbouw en tellen in de arealen niet als natuur. Het open water van de bouwstenen voor waterbuffering (9a en 9b) gaat niet de oplegging in maar naar de sector Waterberging, die deze cellen als voorkeurslocatie krijgt; anders zou dezelfde opgave twee keer tellen. Zie Uitwerking waterberging.

Kust

Drie leveringen, een per landschapstype: kerven in de duinen, en meegroeilandschappen en voorlanden voor de Waddenzee en de Zuidwestelijke Delta, elk met het natuurbeheertype als kolom, dus open duin, kwelder, of duin- en kwelderlandschap. In dit hele ruimtebeslag verandert het grondgebruik in natuur en mag niet meer gebouwd worden; de bestaande bebouwing blijft staan. Een schakelaar (ModelParameters/Natuur/Kust/NeemBuitendijksMee) bepaalt of de buitendijkse delen meetellen; volgens het team wordt het hele ruimtebeslag natuur, dus die staat aan. Megasuppleties zijn puntlocaties op zee zonder ruimtebeslag op land en zitten er niet in.

Zand

Anders dan de andere drie levert zand geen kaart maar twee dingen: een ruimtebeslag waar niet meer gebouwd mag worden, het beekdalherstel, en een opgave in hectares per claimregio, gescheiden in natte en droge natuur. De bestaande bebouwing in het beekdalherstel blijft staan, dus de sloop- en uitkoopindicatoren zien hier niets. De opgave moet het model zelf op de kaart zetten; zie hieronder.

Rivieren

De levering geeft per gebied geen kaart maar een verdeling: het aandeel van elk van vijftien ecotooptypen, samen honderd procent, over 59 gebieden, de buitendijkse riviertrajecten en de binnendijkse nieuwe uiterwaarden. Ook die verdeling moet naar een kaart; zie hieronder. Twee aanvullingen op de ecotopen: de moerasnatuurgebieden uit de landbouwtransitielevering, die als geheel een beheertype krijgen, en de behouden dijken binnen het ruimtebeslag, die geen uiterwaardnatuur worden. Het agrarische en bebouwde deel van de verdeling wordt niet opgelegd. Het sloopgebied is het deel van de nieuwe uiterwaarden buiten de behouden dijken; bebouwing die maar deels in dat vlak valt blijft staan, en de rest van het ruimtebeslag gaat alleen op slot. De schakelaars staan in ModelParameters/Natuur/Rivieren.

Een opgave op de kaart zetten: zand en veen

De opgave van zand staat in ModelParameters/Natuur, per claimregio per variant. Twee dingen daarin wijken af van hoe een opgave meestal wordt gelezen, en de aanlevering gaat voor.

De voorkeursvolgorde is bij droge natuur al verwerkt in de opgave. Er staat per deelgebied een apart getal per afstandsring rond het Natuurnetwerk Nederland, dus die ring is een fijnere claimregio en geen rangorde die het model moet oplossen: deelgebieden maal ringen zijn de claimregio’s.

Natte natuur kent maar twee klassen, bos en moeras tegenover vochtige graslanden, in een verhouding die per deelgebied verschilt en volgens de toelichting de situatie van 1900 volgt; bos en moeras vallen in het model uiteen in broekbos en moeras met een vast aandeel.

Het verdelen zelf gebeurt met discrete_alloc_sp, dezelfde operator die de landbouwallocatie gebruikt (Templates/VariantData/Natuur/NatuurAlloc_T). De opgave per regio per type is een harde bovengrens, en binnen die grens wordt de som van de geschiktheid gemaximaliseerd. Een resttype vangt op wat de opgave niet opsoupeert, zodat de allocator niet gedwongen wordt de opgave over het hele gebied uit te smeren.

De zeef zit in de geschiktheid en niet ernaast: waar een type niet mag landen is de geschiktheid leeg. Dat is bewust, want een zeef die pas na de allocatie werkt zou wegknippen wat al gealloceerd is en daarmee de opgave stilzwijgend missen. Om dezelfde reden zitten het opleggingsmasker en de cellen van een landschap van hogere rang in de kandidaattoets en niet achteraf op het resultaat. Natte natuur mag alleen binnen het beekdalherstel, droge natuur alleen daarbuiten en op de geomorfologisch geschikte landvormen (stuwwallen, dekzandgebied en kleileemgebied uit de Basiskaart Natuurlijk Systeem). Beide alleen op landbouwgrond en niet waar de BAU-onderlaag al natuur legt.

Binnen die zeef bepaalt de geschiktheid waar de natuur landt. De aanlevering geeft daar geen voorkeur, en een trekking per cel geeft dan een spikkelkaart: de allocator kiest de losse toppen van een ruisoppervlak, en die liggen als losse cellen van 25 bij 25 meter verspreid over het landbouwgebied. De geschiktheid bestaat daarom uit twee gladde termen, allebei van 0 tot 1. De eerste is het aandeel bestaande natuur in een schijf van 500 meter rond de cel, bij natte natuur inclusief bestaand open water, want in een beekdal is de beek zelf het aanknopingspunt. De tweede is ruis die per cel van 500 meter wordt getrokken en over dezelfde schijf wordt gemiddeld, met een gewicht van een half. Dat is dezelfde ingreep als bij waterberging: middel de geschiktheid over een schijf, dan komen er aaneengesloten gebieden boven de zaaglijn uit in plaats van losse toppen.

De taakverdeling tussen die twee termen volgt uit de wiskunde van de allocator. Welke cellen natuur worden hangt af van de hele geschiktheid, dus daar telt de aansluiting bij bestaande natuur mee. Welk van de typen een cel wordt hangt alleen af van het verschil tussen de typen, en dat is de ruis, want de aansluitingsterm is voor alle typen dezelfde en valt tegen elkaar weg. Zo komen de typen als aaneengesloten vlekken naast elkaar te liggen.

Het rekenwerk aan die twee termen gebeurt op 100 meter en niet op de 25 meter van het AdminDomain: een schijf van 500 meter vraagt op 25 meter een kern van 41 bij 41 cellen over ruim 27 miljoen cellen. De rand van een natuurvlek verspringt daardoor op 100 meter, ruim binnen de nauwkeurigheid van een opgave die alleen hectares per claimregio geeft.

De veenopgave draait door hetzelfde sjabloon, met de bouwstenen als typen en het peilgebied als claimregio (Templates/VariantData/Natuur/Veen_T). De zeef is het hele aangeleverde veengebied; alleen het opleggingsmasker blijft eraf, dus bestaand bebouwd gebied en exogeen grondgebruik. Bestaande natuur, bestaande verspreide bebouwing en bestaand open water zitten er juist in, want de opgave beschrijft een eindtoestand en de bouwstenen die slopen vragen dat. Daarbinnen gelden de plaatsingsregels van het team: natuur eerst op bestaande natuur, het nieuwe open water van bouwsteen 9a eerst op landbouwgrond en in de diepste delen, bouwsteen 9b alleen op bestaand water, bebouwd op bestaande bebouwing, en water blijft water, dus de terrestrische bouwstenen landen niet op bestaand water. De opgave in hectares is de aangeleverde fractie maal het deel van het peilgebied dat het model mag omzetten en niet het hele peilgebied, want het team heeft woon- en werkgebied met verharding van het beschikbare areaal afgehaald voordat het de percentages berekende. Daarmee past de opgave per constructie in de kandidaatruimte.

Er is bewust geen tweede trap die de opgave van een vol peilgebied elders laat landen. De verdeling van bouwstenen binnen een peilgebied volgt uit de water- en bodemkundige eigenschappen van dat gebied, dus een opgave die daar niet past hoort niet in een buurgebied te gaan liggen. Wat niet past blijft liggen en is een modeluitkomst. Wat er aan tekort overblijft komt uit de twee waterregels, want de aangeleverde waterfractie en het water in de kaart verschillen per peilgebied, plus afrondingsgruis op hele cellen. In NbSGenuanceerd is de opgave over alle bouwstenen 468.349 ha, waarvan 444.374 ha op de kaart landt; van het tekort van 23.974 ha zit 10.891 ha bij bouwsteen 9b, het bestaande water. De onderrealisatie per peilgebied staat in de uitdraai veenbouwstenen_terugkoppeling, met GPGIDENT als sleutel, voor de terugkoppeling aan het team; die loopt mee in elke productierun.

Wat een cel binnen haar bouwsteen wordt, volgt in de tweede trap uit de rangordemethode die hieronder bij rivieren staat, met het peilgebied maal de bouwsteen als regio en de componenten van de bouwsteen als klassen: de ordening is een gladde trekking, zodat de componenten binnen een bouwsteen een mozaiek vormen, en de arealen per component volgen uit de tabel.

Een verdeling op de kaart zetten: rivieren

Het model werkt per cel met een klasse en niet met een mengsel, dus de ecotoopverdeling moet naar een kaart. Een trekking per cel geeft de juiste arealen maar een onbruikbaar kaartbeeld, met ooibos als losse punten tussen het grasland. Daarom worden de cellen binnen elk gebied gerangschikt op natheid en krijgen de cumulatieve aandelen op die volgorde. De natste cellen worden zomerbed en stromend water, dan slikkige oever en moeras, dan grasland en zachthout ooibos, en op de hoogste delen hardhout ooibos en stroomdalgrasland. Zo ontstaat de zonering die een uiterwaard hoort te hebben.

De natheid komt uit de overstromingsdiepte, buitendijks uit de kaart van het onbeschermde hoofdwatersysteem en binnendijks uit de gecombineerde kaart. Bestaand open water staat bovenaan, en binnen dat water bepaalt de mate waarin een cel door water omringd is de volgorde, zodat het midden van de geul het zomerbed wordt en de randen het stromende en stagnante water. De natheid wordt eerst gemiddeld over een schijf van vijftig meter, want de dieptekaart varieert op celniveau sterker dan de hoogteligging doet.

GeoDMS kent geen rangschikking per gebied. Die wordt gemaakt met een globale sortering op een sleutel die eerst op gebiedsnummer en dan op natheid ordent; het rangnummer binnen het gebied volgt dan uit het globale rangnummer min de startpositie van dat gebied.

De volgorde van de vijftien ecotopen langs de gradient staat als aparte lijst in Classifications/Grondgebruik/NbSRivieren/Gradient, los van de volgorde waarin de levering ze aanlevert. Die lijst bepaalt alleen het kaartbeeld en niet de arealen, en is dus vrij aan te passen. Water is bij rivieren een eigenschap van het ecotoop: de waterecotopen dragen een watertype (zomerbed en stromend water N02.01, stagnant water N04.02) waar de conversietabel van de levering N01.03 geeft, want dat type verzamelt land en water in een code en zou de nevengeulen in de stand tot moeras maken.

Waarom de arealen blijven kloppen

Beide methoden tellen en drempelen niet. Bij zand en veen is de opgave een harde bovengrens in cellen; bij rivieren is de positie binnen het gebied per constructie gelijkmatig verdeeld, zodat het aantal cellen per ecotoop volgt uit de aandelen. In beide gevallen kan de ordeningsvariabele veranderen zonder dat de arealen wegdrijven; alleen het patroon verandert.

Dat wordt bewaakt. Bij zand meet Alloc/Controle per claimregio het verschil tussen opgave en realisatie, en of de zeef de opgave kan herbergen; in NbSGenuanceerd past de opgave van 196.249 ha op 1,8 ha na. Dezelfde container meet ook de vorm: het aandeel van de dertien cellen binnen 50 meter rond een cel die natuur wordt dat ook natuur wordt, tegenover wat dat aandeel zou zijn als dezelfde opgave willekeurig over de zeef was gestrooid. In NbSGenuanceerd is dat 0,80 tegen 0,68 bij natte natuur en 0,79 tegen 0,20 bij droge, en van die buren heeft 78 procent hetzelfde beheertype. Bij veen hoort het vormgetal bij de bouwsteenallocatie van de eerste trap; de verdeling binnen een bouwsteen komt van de rangordemethode en klopt per constructie op de arealen. Bij rivieren vergelijkt Controle/PerEcotoop het gerasterde areaal met het areaal dat rechtstreeks uit de levering volgt, met een grens van vijf procent.

Bekende beperkingen

Bij rivieren liggen de waterklassen als concentrische ringen om de geul. Strangen en wielen zijn in werkelijkheid losse plassen in de uiterwaard, vaak juist verder van de geul af. Wie dat wil verbeteren kan de watertypen uit de BAU-rivierenkaart erbij halen, die zomerbed en stagnant water als aparte ecotopen kent.

In het veen vragen de aangeleverde fracties voor bouwsteen 9b per peilgebied bestaand water dat er volgens de kaart niet altijd ligt, en omgekeerd ligt er water dat geen bouwsteen mag gebruiken. Dat is een verschil in ligging tussen twee waterkaarten en geen verschil in totaal, en het is de bron van het tekort in de veenrealisatie. Welke kaart en welk peiljaar onder de 9b-fractie zit is een open vraag aan het team (#660).

De zandopgave is alleen voor de varianten met landschapsleveringen aangesloten. De aanlevering bevat ook een kolom voor BAU; daar speelt dubbeltelling met het Natuurnetwerk, dat al in de MNP-kaart zit.

Verantwoording