Beschikbaarheid

Voordat locaties in aanmerking komen voor allocatie, worden ze getoetst op beschikbaarheid. Een locatie is beschikbaar als ze niet restrictief is voor de betreffende sector en subsector. De beschikbaarheidsbepaling (in het model aangeduid als de zeefanalyse) integreert informatie uit restricties, plancapaciteit, evident benut, het bouwregime en een aantal sectorspecifieke voorwaarden. Deze pagina beschrijft de opbouw en werking van deze zeef.

De zeefanalyse

De zeef beoordeelt per gridcel of deze beschikbaar is voor een gegeven combinatie van sector, subsector en zichtjaar. Het resultaat is een binaire kaart (beschikbaar/restrictief) per subsector die als filter dient voor de allocatieprocedure: alleen beschikbare cellen komen in aanmerking.

De zeef opereert in twee stappen: eerst in het basisjaar, daarna per zichtjaar. Beide stappen beslissen op de cellen van 25 meter van het compacted domain, dezelfde eenheid waarop de allocatie kiest. Dat is geen detail: de allocatie is celexclusief per cel van 25 meter, en wat er bij een overname sneuvelt is de stand van die cel, niet die van de hectare eromheen. Een toets op een grovere eenheid zou een lege cel naast een vol pand het oordeel van het pand geven.

Basisjaarzeef

De basisjaarzeef (Zeef_Basisjaar_T) wordt eenmaal per variant opgebouwd en bevat de toetsen die niet van het zichtjaar afhangen: de restrictiekaarten, evident benut, de milieuzonering rond bestaande werklocaties, de bodem-, landschaps- en eigendomstoetsen, het bouwregime, de bouwwijzetoets voor werken en de energielabelgrens. De toetsen staan in drie groepen, naar de vrijstelling die plancapaciteit erop geeft:

  1. Geldt overal, ook binnen plancapaciteit (IsRestrictief_Overal): evident benut binnen plancapaciteit, de zeerharde restrictielaag als die apart wordt behandeld, het bouwregime uit de gevaarzonering en uit de landschapstypen, de bouwwijzetoets voor werken, de reservering voor rivierafvoer, autowegen met klaverbladen, dierentuinen en openluchtmusea uit de BRT en de Stichtse Rotonde.
  2. Geldt buiten harde plancapaciteit (IsRestrictief_BuitenHardePlancapaciteit): de restrictiekaarten van de variant, de energielabelgrens, de bodemtoetsen, mooi en zeer mooi landschap, de Natura 2000-buffer, woonlocaties die niet van gemeente of corporatie zijn, en de milieuzonering rond bestaande werklocaties.
  3. Geldt buiten alle plancapaciteit, hard en zacht (IsRestrictief_BuitenPlancapaciteit): evident benut buiten plancapaciteit, terreinen van natuurorganisaties en waterschappen, zeehavens en locaties ver van OV.

Cellen die in het basisjaar al door de betreffende sector zijn benut worden als evident benut gemarkeerd en niet opnieuw gealloceerd (tenzij ze worden verdrongen). De basisjaarzeef levert twee uitkomsten, IsRestrictief met de planvrijstellingen en IsRestrictief_ZonderPlanvrijstelling zonder; welke van de twee geldt kiest de zichtjaarzeef, zie De bescherming heeft een houdbaarheidsdatum hieronder.

Zichtjaarzeef

De zichtjaarzeef (Zeef_T) bouwt voort op de basisjaarzeef en voegt de toetsen toe die per zichtjaar veranderen. Een cel is restrictief als aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. Restrictief in het basisjaar: de cel is restrictief in de basisjaarzeef, in de uitkomst met of zonder planvrijstelling naargelang de plancapaciteit in dit zichtjaar nog geldt.
  2. Restrictief ook binnen plancapaciteit (IsRestrictief_OokBinnenPlancapaciteit), per sector een andere toets: voor zon en wind de pandentoets (een BAG-pand in de cel), voor werken de dichtheidstoename en de vol-toets op IBIS, voor de overige sectoren niets.
  3. Te hoog bouwjaar: het jongste pand in de cel is te jong om te slopen (zie Sloopbescherming hieronder).
  4. Exogeen opgelegd: het model legt hier een ander landgebruik op, natuur of water, en waar nieuwe natuur komt hoort geen nieuwbouw. Deze toets geldt voor alle sectoren, anders dan het landschapsregime in de basisjaarzeef, dat alleen wonen en werken sluit.
  5. Te ondiep voor waterberging: alleen voor die sector, waar de cel de minimale waterschijf niet haalt.

De zichtjaarzeef kent geen tak die alleen buiten plancapaciteit geldt; wat de plannen vrijstellen zit in de basisjaarzeef. Voor wonen komt er nog een zeef per ontwikkelpakket bij (Zeef_Wonen_perOP_T), die per pakket toetst op hoogbouw en dichtheid in mooi landschap, de maximale dichtheid, de dichtheidstoename, het exploitatiesaldo, het toepassingsgebied van het pakket, de beperking van de default-pakketten tot de plancapaciteit in een variant die daarom vraagt, en de bouwwijze.

Het onderscheid tussen de groepen is cruciaal: sommige restricties gelden overal, andere alleen buiten de plancapaciteit. Locaties met plancapaciteit worden daardoor minder snel restrictief verklaard, wat de beleidsintentie weerspiegelt dat geplande ontwikkellocaties beschermd zijn tegen bepaalde restricties. De schakelaars HardePlannenGeldigInZeef en ZachtePlannenGeldigInZeef bepalen of harde en zachte plannen die vrijstelling geven; beide zeven lezen ze, en de vrijstelling vervalt in zichtjaren na ModelParameters/Advanced/PlancapaciteitGeldigTotEnMet, omdat plannen een beperkte looptijd hebben.

Restricties

Restricties zijn ruimtelijke beperkingen die locaties uitsluiten voor bepaalde sectoren. Ze worden als boolean rasterkaarten (25×25 m) aangeleverd door een apart GeoDMS-project dat beleidsbronnen van EU-, rijks- en provinciaal niveau vertaalt naar het modelgrid. Zie Restrictie-generatie voor een volledig overzicht van de brondata, de classificatiemethode en de geëxporteerde kaartlagen.

Per sector bestaan vier hardheidscategorieën (ZeerHard, Hard, Middel, Zacht) die de juridische of beleidsmatige bindendheid weerspiegelen. De parameter RestrictiesVariant_<sector> in VariantK.dms selecteert welke combinatie van hardheidsniveaus in een bepaalde beleidsvariant actief is. Bijvoorbeeld ZeerHardHardMiddel activeert de eerste drie niveaus. De beschikbare opties moeten overeenkomen met de containernamen in het restrictiesbestand (aangestuurd via Restricties_filedate in ModelParameters.dms). Voor wind komen de eigen windrestricties erbij en vervalt de hele restrictietoets waar in het basisjaar al een turbine staat; landbouw heeft geen restrictiekaarten.

Sector-specifieke restricties

Naast de generieke restricties per hardheidsniveau zijn er sector-specifieke booleans in VariantK.dms die aanvullende restricties activeren. De kolom Sector geeft de sectorpoort in Zeef_Basisjaar_T: buiten die sectoren doet de schakelaar niets, ook al staat hij aan.

Parameter Sector Omschrijving
NietBouwenInNatura2000Buffer Wonen, werken Bufferzone rond Natura 2000
NietBouwenVerVanOV Wonen, werken behalve nijverheid en logistiek Locaties ver van OV
NietBouwenOpZeehaven Alle sectoren behalve wind en zon Zeehavengebieden
NietBouwenWaarSlap Wonen, werken Slappe gronden
NietBouwenWaarNat Wonen, werken Natte gronden, per klimaatscenario van de variant
NietBouwenWaarZettingsgevoelig Wonen, werken Zettingsgevoelige gronden
NietBouwenWaarBeheerkostenInfraTeHoog Wonen, werken Bodemdaling tot 2050 boven ModelParameters/Wonen/MaxBodemdaling op slappe of zettingsgevoelige grond
NietBouwenInMooiLandschap Wonen, werken, verblijfsrecreatie Mooi landschap
NietBouwenInZeerMooiLandschap<sector> Wonen, werken, verblijfsrecreatie, elk met een eigen schakelaar Zeer mooi landschap
NietBouwenInNatuurorganisaties Wonen, werken, verblijfsrecreatie Terreinen van natuurorganisaties
NietBouwenInWaterschappen Wonen, werken Terreinen van waterschappen
BouwenInWoonlocatieNietVanGemeenteOfCorporatie Alle sectoren Op FALSE zijn woonlocaties die niet van gemeente of corporatie zijn restrictief
RestrictiesOokGeldigBinnenHardePlancapaciteit Alle sectoren met plancapaciteit Heft de vrijstelling van de hele groep buiten harde plancapaciteit op
ZeerHardOokGeldigBinnenHardePlancapaciteit Alle sectoren behalve wind en landbouw De zeerharde restrictielaag geldt ook binnen harde plannen
HardePlannenGaanVoorOpLandschapsregime, ZachtePlannenGaanVoorOpLandschapsregime Wonen, werken Een plan van die hardheid vrijwaart de cel van het landschapsregime

Deze parameters zijn per variant in te stellen; welke aanstaan hoort bij de toepassing, zie Toepassing NL2120.

Bouwregime, bouwwijze en sloop

Drie dingen kunnen dezelfde cel raken maar betekenen niet hetzelfde, en staan daarom los van elkaar.

Opleggen zegt welk landgebruik er komt, natuur of water, ongeacht wat er stond (VariantData/<variant>/ExogeenOpleggen). Dat raakt de landgebruikskaart, NDVI, koolstof en de landbouwclaim.

Het bouwregime zegt of er nog gebouwd mag worden (VariantData/<variant>/Bouwregime). Dat loopt via de zeef en raakt uitsluitend nieuwe allocatie, nooit de bestaande stand.

Sloop zegt of de bestaande bebouwing wijkt (VariantData/<variant>/Sloop). Dat raakt de voorraad, en daarmee via de restclaim de vervangende nieuwbouw elders in de allocregio, plus de uitkoop- en sloopkosten.

Het bouwregime als een kaart

Het bouwregime is een eigenschap van de plek en staat per variant als één geklasseerde kaart, Bouwregime/BouwregimeK_rel op het compacted domain. De klassen staan in Classifications/Modellering/BouwregimeK en lopen op in strengheid: Bouwen, BouwenMetMaatregelen, NietBouwen, Slopen. Twee vlaggen op de klasse dragen de betekenis, MagBouwen en MoetSlopen, zodat nergens op volgnummer vergeleken hoeft te worden.

Er zijn twee aanleidingen voor een regime, die los van elkaar staan:

  1. De overstromingsgevaarzonering. Per zone (0 tot en met 5, oplopend gevaar) kiest de variant een regime met GevaarRegimeZone0 tot en met GevaarRegimeZone5 in VariantK.dms. De klasse Slopen is daar verboden, bewaakt met een IntegrityCheck: een gevaarzone beslaat een groot deel van laag Nederland, en sloop op die schaal heeft geen toets op bestaand bebouwd gebied, geen landgebruik dat ervoor in de plaats komt en geen allocregio die de restclaim kan opvangen.
  2. De landschapstypen veen, kust, zand en rivieren, alleen gevuld in een variant die een landschapslevering leest (VariantK/Landschap_Levering); in de andere varianten staat overal Bouwen.

Raken beide dezelfde cel, dan wint de strengste. Dat is een max over de bronnen, mogelijk doordat de klassen oplopen.

Het regime van veen volgt uit de gealloceerde bouwsteen: de bouwstenentabel (Classifications/Grondgebruik/NbSBouwsteen) geeft per bouwsteen een bebouwingstype, en die categorie valt één op één op de klassen:

Categorie in de bouwstenentabel Regime
zoals huidig Bouwen
bestaand bebouwd Bouwen
aangepast bouwen BouwenMetMaatregelen
wonen op water BouwenMetMaatregelen
slopen en op slot Slopen
nieuw open water op land Slopen

De laatste rij is de bouwsteen die open water op land legt: daar kan bebouwing staan, terwijl een bouwsteen op bestaand water niets te slopen heeft. De bebouwingstypekaart voor veen geeft daarnaast alleen nog de bouwwijze-as: waar zij aangepast bouwen of wonen op water zegt, stelt zij een eis aan de bouwwijze (zie hieronder).

Kust geeft NietBouwen over het hele ruimtebeslag: geen nieuwbouw, maar de bestaande bebouwing blijft staan. Zand geeft NietBouwen in de beekdalen, om dezelfde reden: de levering wil daar geen nieuwbouw meer maar laat de bestaande bebouwing staan. Rivieren is het enige landschapstype met twee regimes naast elkaar: Slopen in het sloopgebied, dat zijn de nieuwe uiterwaarden min de dijken die behouden blijven en min de bebouwing die maar deels in dat vlak valt, en NietBouwen op de rest van het ruimtebeslag, de riviertrajecten en de behouden dijken.

Het regime sluit alleen wonen en werken; de toetsen TeGevaarlijk en OpSlotDoorLandschap in de basisjaarzeef dragen de sectorpoort IsThisSectorWonenOfWerken. Verblijfsrecreatie, wind, zon, landbouw en waterberging mogen in een gevaarzone of een landschapsgebied nog landen, tenzij de exogene oplegging ze in de zichtjaarzeef tegenhoudt. Het landschapsregime draagt bovendien een eigen planvrijstelling, HardePlannenGaanVoorOpLandschapsregime en ZachtePlannenGaanVoorOpLandschapsregime, los van de vrijstelling voor de andere restricties: het masker is getekend op de schaal van hele polders, beekdalsystemen en riviertrajecten, als zoekgebied de juiste schaal, als harde uitsluiting binnen een vastgesteld plan niet.

De bouwwijze: wat het pakket toelaat en wat de plek kiest

De bouwwijze zegt hoe er gebouwd wordt: GeenMaatregelen, GebouwMaatregelen, Opgehoogd, OpPalen of Drijvend (Classifications/Modellering/BouwwijzeK). Elke bouwwijze heeft een maximale overstromingsdiepte waarbij hij nog werkt (0,2 tot 6,0 meter), een vlag of hij op bodemdaling anticipeert en een vlag of hij drijft.

Bouwregime tegen bouwwijze

Een ontwikkelpakket draagt een lijst toegestane bouwwijzen, in de kolom BouwwijzeToegestaan van de pakkettentabel. De keuzeregel staat een keer, in Templates/Beschikbaarheden/Bouwwijzekeuze_T: van de toegestane bouwwijzen die aan alle eisen van de cel voldoen wint de lichtste, die met de kleinste maximale overstromingsdiepte. Die regel is welgedefinieerd zonder kostenkentallen en economisch de goede, want een ontwikkelaar doet het minimum dat mag. Zodra de bouwwijzekosten uit #505 er zijn hoort hier kiezen op kosten te komen, met de lichtste als gelijkspelregel.

De zeef koppelt regime en bouwwijze. Waar het regime NietBouwen of Slopen is valt elk ontwikkelpakket af. Waar het BouwenMetMaatregelen is valt een pakket af als geen enkele toegestane bouwwijze aan de eisen van dat gebied voldoet. Welke eis dat is verschilt per aanleiding en staat daarom apart, in VariantData/<variant>/BouwwijzeEis: de overstromingszones toetsen op maximale overstromingsdiepte, aangepast bouwen op veen toetst op bodemdalingbestendigheid, en wonen op water toetst op drijvend bouwen. De twee veeneisen gelden pas als VariantK/BouwwijzeVeenGeldtVoorOPs aanstaat, en die schakelaar staat per variant apart; welke stand een toepassing kiest staat op de toepassingspagina. Zolang de bouwwijzekosten uit #505 er niet in zitten werkt die schakelaar als restrictie en niet als prijs, terwijl #505 juist die restrictie door een prijs wil vervangen.

Waar de dieptekaart geen waarde geeft telt de diepte als nul meter, dus als geen beperking. Die afspraak staat in de keuzeregel zelf en niet bij de aanroepers, zodat alle lezers hem delen. Ze is nodig omdat de dieptekaart ook binnen de gevaarzone gaten heeft: zonder die afspraak loopt de vergelijking daar stuk op een ontbrekende waarde, valt elke bouwwijze af en sluit de zeef die cellen voor alle woningbouw en alle werken, niet omdat het water diep is maar omdat er geen meting ligt. Het is bovendien de afspraak die de kostenkant hanteert: de bodemdalingkosten lezen diezelfde cellen als nul meter water.

Dezelfde keuze werkt door voorbij de zeef: de overstromingsschade leest de schadevrije diepte van de bouwwijze die op de cel gekozen is (#681), de groenfracties lezen per cel of er drijvend gebouwd wordt, en de bouwkostenhaak leest de kostenopslag van de gekozen bouwwijze.

De lijsten per pakket volgen een regel over draagvermogen die vanuit Deltares is aangeleverd. Waterbestendig bouwen en ophogen kunnen elk woonmilieu dragen, bouwen op palen en drijvend bouwen alleen de eengezinsmilieus, en elk pakket mag daarnaast zonder maatregel worden gebouwd, want dat is de normale gang van zaken en geen maatregel. Daarmee reikt een eengezinspakket tot 6,0 meter en een meergezinspakket tot 2,0 meter. De werkenkant kent dezelfde kolom, daar per subsector in Classifications/Actor/Jobs6/BouwwijzeToegestaan.

Die werkenkant zit op een andere plek in de zeef. Wonen toetst per ontwikkelpakket en dus in de zichtjaarzeef; werken heeft geen pakketten en toetst per subsector in de basisjaarzeef, in Zeef_Basisjaar_T/Impl/GeenToegestaneBouwwijzeVoldoet, bij de andere statische plekrestricties. Dat is niet alleen een kwestie van waar het netjes staat. De potentiële state maskeert teller en noemer van de dichtheidstoets allebei op de basisjaarbeschikbaarheid, dus alleen daar lopen die twee over hetzelfde deeloppervlak; in de zichtjaarzeef zou de dichtheidstoets potentieel en stand meerekenen op cellen waar de subsector nooit kan bouwen. De toets kent geen planvrijstelling, net zomin als aan de wonenkant: een vastgesteld plan maakt de grond niet droger. De twee veeneisen gelden ook voor werken, achter dezelfde schakelaar, want de bebouwingstypekaart veen geldt volgens Deltares voor alle bebouwing.

Wat een subsector mag komt uit een expertoordeel van Deltares. Waterbestendig bouwen en ophogen kunnen alle zes de subsectoren dragen, bouwen op palen niet voor nijverheid en logistiek, en drijvend bouwen voor geen enkele werksubsector. Nijverheid en logistiek reiken daarmee tot 2,0 meter en de vier andere werksubsectoren tot 2,5, tegenover 6,0 meter voor een eengezinswoonmilieu, dus in de diepe delen van de eiszone kan er wel gewoond maar niet gewerkt worden. Zie Uitwerking werken.

De pakkettensets per variant

De pakkettentabel bestaat uit een vaste en een variabele set: Ontwikkelpakketten/NettoBuurt/Default_src.dms draagt de reguliere pakketten en PerVariant_src.dms de variantspecifieke blokken. VariantK/OP_Aanvulling noemt per variant welk blok achter de default wordt gevoegd, of geen. De parseerlogica staat een keer, in OPTabel_T, en variantvreemde pakketten zitten niet in de set, zodat ze niet per cel weggezeefd hoeven te worden.

Omdat de standbestanden OP_rel en SubSector_rel als positie wegschrijven, schrijft de allocatie een legenda naast de OP_rel-tif en weigert het inlezen een stand waarvan de legenda niet bij de lopende sets past. Een stand uit een andere pakkettenset faalt dus hard in plaats van stil naar de verkeerde pakketten te wijzen.

Hoge en lage gronden

Naast het bouwregime kent de zeef een tweede ruimtelijke tweedeling: hoge tegen lage gronden, in BaseData/Omgeving/HogeGronden en doorgegeven als Toepassingsgebied/Hoog_NL en Laag_NL. Elk ontwikkelpakket draagt een kolom die zegt waar het mag landen, hoog, laag of overal, en buiten dat gebied valt het af. Dezelfde kolom kent een vierde gebied, Toepassingsgebied/BebouwdGebiedMetRand, het bestaande bebouwde gebied met een rand eromheen, voor een pakket dat in en direct om de stad hoort.

Hoge grond is de pleistocene helft van de Basiskaart Natuurlijk Systeem Nederland: rivierterrassen, stuwwallen, kleileemgebied, dekzand, voormalige hoogvenen en heuvelland. De vijf holocene klassen vormen laag Nederland. Welke hoofdklasse aan welke kant valt staat als kolom IsHoogNederland in Classifications/Landschap, zodat de indeling te lezen en te wijzigen is.

De tweedeling beantwoordt geen overstromingsvraag. Wie de diepte wil toetsen doet dat elders en beter: de bouwwijzetoets hierboven vergelijkt de werkelijke waterdiepte per cel met wat het pakket aankan. Wat de splitsing tussen hoog en laag doet is de keuze tussen groen en blauw. De pakketten voor hoog Nederland maken groen, die voor laag Nederland maken water, en of infiltreren zin heeft is een bodem- en grondwatervraag. Dezelfde redenering geldt voor de andere lezers van deze tweedeling, de koolstofindicator, het wateraanbod in de bergingsindicator en de trede.

Waar de basiskaart geen hoofdklasse geeft, vooral grote wateren en de rand langs kust en grens, valt de definitie terug op de dieptelezing NietOverstroombaar: hoge grond is daar elke cel waar de maximumdieptekaart geen overstroming geeft.

Wanneer wordt er gesloopt

Twee routes, allebei in VariantData/<variant>/Sloop, elk met een schakelaar in ModelParameters/Natuur.

De eerste route volgt het bouwregime: er wordt gesloopt waar het regime Slopen is. Met SloopVereistNieuwLandgebruik aan geldt daarbij dat er op de cel ook werkelijk een nieuw landgebruik landt. De sloop in de veenlevering is het gevolg van de omzetting naar een beheertype en geen zelfstandige opgave, dus waar de omzetting niet landt wijkt de bebouwing niet. Het sloopgebied van rivieren is daarvan uitgezonderd en sloopt onvoorwaardelijk, want daar kan de sloop uit veiligheid zijn gekozen; of dat zo is, is een open vraag in #684. Een geleegde cel zonder oplegging houdt zijn huidige landgebruiksklasse en staat er voortaan met nul woningen in.

De tweede route volgt de oplegging: er wordt gesloopt waar het model een nieuw landgebruik oplegt, want een cel kan niet tegelijk nieuwe natuur en woningen dragen. Die route staat achter SloopVolgtExogeneOplegging. Op TRUE gaat de stand op nul waar natuur of water wordt opgelegd, en is dat zonder landschapslevering de enige sloopgrond. Op FALSE blijft verspreide bebouwing buiten bestaand bebouwd gebied staan en gaat zij met de nieuwe natuur samen, tenzij een levering de cel als sloopgebied aanwijst; de cel gaat wel op slot voor nieuwe allocatie en de landgebruikskaart toont de opgelegde klasse, zodat een cel als natuur kan tellen terwijl er woningen in de stand staan. Dat laatste is de wens vanuit Deltares; welke stand een toepassing kiest staat op de toepassingspagina.

Beide routes lopen door dezelfde toets als de oplegging zelf, dus niet in bestaand bebouwd gebied (#641) en niet over exogeen grondgebruik zoals luchthavens, hoofdwegen, spoor en begraafplaatsen.

Het leegmaken gebeurt in het eerste zichtjaar, in Templates/Allocatie/Zichtjaar_T, en raakt wonen, werken, verblijfsrecreatie, zon, wind en de bijbehorende pandvoetafdrukken. Daarna houdt de zeef de cellen leeg, dus het legen hoeft maar één keer. Doordat de claim een voorraaddoel per allocregio is, komt de gesloopte voorraad vanzelf als restclaim terug en wordt hij elders in de regio herbouwd.

De twee leveringen dekken elkaar niet

Elk landschapstype levert twee losse kaarten aan met een eigen begrenzing: een niet-bouwen-kaart en een natuurkaart. Alleen bij kust vallen die samen; bij veen zijn het twee losse kaarten, bij rivieren is het ruimtebeslag groter dan de opgelegde natuur, en bij zand is de oplegging een allocatie die deels binnen en deels buiten het beekdalmasker landt. Daardoor lopen de twee sloopregels uiteen, en Sloop/Verschil meet dat, in hectares en in woningen uit het basisjaar:

  • OpSlotMaarGeenNatuur: het landschapstype wijst de cel als sloopgebied aan, maar de oplegging landt er niet. Drie oorzaken lopen hier samen: de twee leveringen dekken elkaar niet, bij rivieren krijgen de agrarische ecotopen binnen het sloopgebied per definitie geen oplegging, en het open water van de veenbouwstenen gaat niet de oplegging in maar naar de sector waterberging. Met de koppeling aan een nieuw landgebruik blijven deze cellen staan (GespaardDoorKoppeling), behalve in het sloopgebied van rivieren (GeleegdZonderNieuwLandgebruik).
  • NatuurMaarNietOpSlot: de oplegging landt op een cel die het landschapstype niet als sloopgebied aanwijst. Zolang de sloop de oplegging niet volgt is dit precies wat die schakelaar spaart: hier komt nieuwe natuur en blijft de bestaande bebouwing staan. Met een landschapslevering is dit vooral zand, waar de levering de bebouwing wil sparen terwijl de zandallocatie er natuur op legt, plus de riviertrajecten.

De natuurallocaties van zand en veen zetten hun opgave op de kaart zonder cellen met een BAG-pand te mijden, zolang NatuurNietOpPanden in NatuurAlloc_T uitstaat: de bouwsteen of de natuur komt over de bestaande bebouwing heen te liggen, en die blijft staan met haar woningen en banen, behalve waar een sloopbouwsteen of het sloopgebied van rivieren landt. Die pandentoets aanzetten maakt de zeef van de natuurallocatie kleiner en kan een opgave die eerst paste te krap maken. Zie ook Uitwerking natuur.

Stimuli

Stimuli werken als het omgekeerde van restricties: ze markeren locaties die extra geschikt zijn voor bepaalde functies. Net als restricties worden ze in het restrictie-generatieproces opgebouwd uit beleidsbronnen en ingedeeld naar hardheid (Hard, Middel, Zacht), en per variant geselecteerd via StimuliVariant_<sector>.

Stimuli beïnvloeden niet de beschikbaarheid (de zeef) maar de geschiktheid. Ze worden meegenomen in de geschiktheidsbepaling als onderdeel van de ontwerpcomponent (tredes).

Plancapaciteit

Plancapaciteit geeft aan waar concrete bouwplannen bestaan. Het model onderscheidt harde plannen (onherroepelijk bestemmingsplan, verleende vergunning) en zachte plannen (nog in procedure, intentie). De plancapaciteit wordt extern aangeleverd als kaart per sector en hardheid en is statisch; wat per zichtjaar verandert is of zij nog geldt.

Plancapaciteit speelt een bijzondere rol in de zeef: locaties met plancapaciteit worden beschermd tegen een deel van de restricties. De parameters HardePlannenGeldigInZeef en ZachtePlannenGeldigInZeef bepalen of harde en/of zachte plannen deze bescherming bieden.

Twee schakelaars perken die bescherming in. RestrictiesOokGeldigBinnenHardePlancapaciteit heft de vrijstelling voor de hele groep buiten harde plancapaciteit op, dus ook voor de landschaps-, bodem- en eigendomstoetsen in die groep. ZeerHardOokGeldigBinnenHardePlancapaciteit haalt alleen de zeerharde restrictielaag uit de vrijstelling: die gaat dan als wettelijk verbod naar de groep die overal geldt, want een wettelijk verbod is niet iets wat een gemeentelijk plan opzij kan zetten. Wind valt daarbuiten omdat de hele restrictietoets daar aan de uitzondering voor bestaande turbines hangt, landbouw omdat die sector geen restrictiekaarten heeft.

De bescherming heeft een houdbaarheidsdatum

Plannen hebben een beperkte looptijd, en ModelParameters/Advanced/PlancapaciteitGeldigTotEnMet legt vast tot en met welk zichtjaar de bescherming geldt. In zichtjaren daarna gelden de restricties ook binnen plancapaciteit.

Dat vraagt een omweg in de opbouw. De inhoudelijke restricties zitten in de basisjaarzeef, die eenmaal per variant wordt opgebouwd en het zichtjaar structureel niet kent. De basisjaarzeef levert daarom twee uitkomsten, met en zonder planvrijstelling (IsRestrictief en IsRestrictief_ZonderPlanvrijstelling), en de zichtjaarzeef kiest er per zichtjaar een van (BasisjaarZeefItem). De drie vrijstellingen die in de tweede uitkomst vervallen zijn die op de groep buiten alle plancapaciteit, die op de groep buiten harde plancapaciteit en die op het landschapsregime. Niet hierin: de voorrang die plancapaciteit in de tredes van de geschiktheid geeft, die staat buiten de zeef en blijft ook na de vervaldatum bestaan.

Zie Plancapaciteit voor meer details.

Werken-specifieke toetsen

Voor de sector werken kent de zichtjaarzeef twee extra toetsen, beide ook binnen plancapaciteit:

  1. Volle bedrijventerreinen: een IBIS-werklocatie telt als vol wanneer de provinciale registratie dat zegt of wanneer de uitgegeven fractie boven ModelParameters/Werken/BedrijfsterreinUitgegevenFractieAlsVolBeschouwen ligt. Volle terreinen zijn voor alle zes werksubsectoren uitgesloten, ook binnen harde plancapaciteit. Het is een binaire drempel per terrein: eronder geen enkele capaciteitsrem, erboven is ook het nog uitgeefbare deel dicht. Zonder deze toets zou elk stukje terrein zonder pandvoetafdruk worden volgebouwd. De vol-status is een momentopname van de IBIS-jaargang (ModelParameters/IBIS_Year) en verandert niet gedurende de run; de terreinen zijn op 25 meter gerasterd.
  2. Minimale dichtheidstoename (VariantK/MinimumDichtheidToenameWerken): het potentieel van de subsector in de cel moet de zittende werkgelegenheid van de hele cel met minstens die fractie overtreffen. Het potentieel van de cel is de dichtheid van de hectare maal het celoppervlak, vergeleken met de stand van diezelfde cel. Per cel van 25 meter is dat een scherpe toets: een pandcel met meer dan een paar banen faalt, en een lege cel slaagt via de greenfieldvrijstelling. Bestaand werkgebied wordt daarmee een mozaïek van dichte pandcellen en open erfcellen, en wat het opvullen van die erven begrenst is de vol-toets en de vormtoets van de geclusterde allocatie.

Die tweede toets is meer dan een rem op verdunning. De allocatie is celexclusief: wint een subsector de cel, dan gaat de stand van alle andere subsectoren daar op nul, zie de update-expressies in Templates/Allocatie_T.dms. De dichtheidstoets is daarmee de afweging of een overname per saldo meer banen oplevert dan hij sloopt; vandaar dat teller en noemer de hele werkstand van de cel zijn en niet die van de subsector zelf. Op een lege cel valt niets te slopen, dus geldt de toets daar niet en is de cel beschikbaar. Dat staat expliciet in de configuratie, met de werkstand van de cel als eigen item (StateSectorVoorAllocatie), in plaats van dat het op de uitkomst van een deling door nul leunt. Bij wonen is diezelfde vrijstelling om dezelfde reden expliciet gemaakt in de zeef per ontwikkelpakket.

De toets belast daarmee uitsluitend bestaand werkgebied, en raakt laagdichte subsectoren harder dan hoogdichte: een subsector met een laag potentieel per cel komt alleen door de toets op cellen waar nog minder staat. De noemer verruilen voor de stand van de subsector zelf is daar niet het antwoord op, want dan verdwijnt de sloopwacht die deze toets is. Een toets op het aandeel van de subsector in de cel is evenmin een alternatief: die weigert alleen overnames die de dichtheidstoets al heeft goedgekeurd en treft binnenstedelijke kansen veel vaker dan kansen daarbuiten (#670).

Teller en noemer staan over hetzelfde deeloppervlak, het deel van de cel dat voor de toetsende subsector beschikbaar is (StandInBereik), en op 25 meter is dat de cel zelf. Zo tellen de banen van een subsector die op de cel restrictief staat wel mee, want die sneuvelen bij een overname, en krijgt een subsector geen banen aangerekend op cellen waar hij zelf niet mag bouwen.

Voor zakelijke dienstverlening en voor overheid en kwartaire diensten geldt op cellen waar de eigen subsector in het basisjaar de werkstand domineert de verdikkingsvrijstelling (BaseData/Omgeving/KantoorDominantie en OverheidDominantie, met de dominantiedrempel en een ondergrens op de celstand in ModelParameters/Werken): de vol-toets, de sloopleeftijdstoetsen en de evident-benut-toets van de basisjaarzeef vervallen daar, want toewijzing is er verdikking van het bestaande pand en geen nieuw ruimtebeslag. De overige toetsen, waaronder de restricties en de milieuzonering in de basisjaarzeef, blijven ook op die cellen gelden. Zie #668 en de pagina Dichtheid voor het volledige mechanisme.

Milieuzonering

De milieuzonering weert gevoelige functies rond (nieuwe) bedrijvigheid. De bufferafstanden per milieucategorie volgen de grootste VNG-richtafstand per hoofdcategorie (ModelParameters/Wonen/MilieuCat: categorie 2 = 30 m, 3 = 100 m, 4 = 300 m, 5 = 1000 m, 6 = 1500 m; bron VNG, Bedrijven en milieuzonering, editie 2009). Waar een provincie subcategorieën levert, zoals 3.1 of 4.2, dragen die hun eigen richtafstand. Er zijn twee mechanismen:

  1. Rond bestaande IBIS-terreinen (basisjaarzeef): wonen is restrictief binnen de buffer van terreinen met categorie 2 en hoger; milieugevoelige werkfuncties (alle werksubsectoren behalve nijverheid en logistiek) en verblijfsrecreatie alleen binnen de buffer van zware terreinen met categorie 4 en hoger. Terreinen met categorie 1 en economische zones blokkeren wonen niet, want de toets is een rem op hoge categorieën en geen verbod op elke werklocatie. Een terrein zonder bruikbare categorie krijgt met AanvullenBijOnbekend een aanname op grond van zijn werklocatietype, omdat het gat in de registratie juist zware zeehaventerreinen omvat; op FALSE houdt zo’n terrein een buffer van nul. De toets staat in de groep die alleen binnen een hard plan wordt vrijgesteld, en in precies een groep, zodat hij nooit dubbel telt en nooit verdwijnt.
  2. Rond nieuw gealloceerd vervuilend werk (nijverheid en logistiek, dynamisch tijdens de allocatie): binnen de bufferafstand (ModelParameters/Werken/MilieuCatDist_restrictief_anderesectoren_Nijverheid en MilieuCatDist_restrictief_anderesectoren_Logistiek, als categorie uit dezelfde VNG-tabel) mogen geen gevoelige functies landen. Waterberging is hiervan uitgezonderd, want dat is geen milieugevoelige functie. De toets werkt ook andersom: nieuwe nijverheid en logistiek houden zelf afstand tot bestaand en eerder gealloceerd wonen, zodat de zonering niet afhangt van de volgorde waarin wonen en werken alloceren.

De omgekeerde richting kent twee begrenzingen, in te stellen in ModelParameters/Werken/OmgekeerdeMilieuzonering. Ten eerste ligt de buffer om aaneengesloten woongebied en niet om elke cel met een woning: een wooncel telt pas mee wanneer minstens WoongebiedAandeel van de cellen binnen WoongebiedStraal woningen heeft, bepaald met Templates/Allocatie/Buurtaandeel_gridcel_T. Zonder die begrenzing zou een enkele woning in het buitengebied dezelfde buffer opleggen als een woonwijk en zou het grootste deel van het buitengebied voor nieuwe nijverheid dichtgaan; de keerzijde is dat de meest verspreide bebouwing in deze richting geen bufferbescherming heeft. Ten tweede vervalt de toets op bestaand bedrijventerrein, want de VNG-richtafstanden gelden niet tegen bestaande vergunde bedrijvigheid. Daaronder vallen de IBIS-werklocaties van het type bedrijventerrein, zeehaventerrein, platformgebonden bedrijvigheid en agribusinesscomplex (IsBedrijfsmatigTerrein), plus cellen die zelf al banen in de betreffende subsector hebben. De bufferafstand in deze richting staat apart van de heenrichting in MilieuCatDist_Nijverheid en MilieuCatDist_Logistiek, zodat de VNG-stap terug voor gemengd gebied en de milieucategorie per activiteit gezet kunnen worden zonder de heenrichting te raken; die keuze ligt bij PBL (#669).

Evident benut

“Evident benut” markeert locaties die in het basisjaar al in gebruik zijn door een bepaalde sector en daarom niet opnieuw hoeven te worden gealloceerd. Dit is een classificatie van bestaand landgebruik die per sector en per variant kan worden ingesteld via EvidentBenutVariant_<sector> in VariantK.dms.

Evident benut is gedefinieerd in VariantParameters/EvidentBenut.dms en wordt opgebouwd uit twee bronnen. De CBS-bodemstatistiek (BBG) geeft per sector een selectie van klassen, apart voor binnen en buiten plancapaciteit, want binnen plancapaciteit worden minder klassen als benut beschouwd; welke set een variant leest staat in EvidentBenutVariant_<sector>. De BGT vult dat aan met lokale, generieke benutting die de BAG niet vangt, zoals benzinestations, waterbergingsgebieden en begraafplaatsen, als een klassenset die EvidentBenutVariant_BGT aanwijst en die voor alle sectoren en ook binnen plannen geldt; wind telt uit de BGT alleen autowegen en spoorbanen als benut, en zon leest dezelfde klassenset met een uitzondering voor waterlopen. Welke set een variant gebruikt is een variantinstelling; zie Toepassing NL2120 voor de invulling daar.

MinimalLandAvailability

De kolom MinimalLandAvailability in VariantK.dms wordt door geen enkele toets gelezen; hij staat er omdat ExportSettings hem meeschrijft. Voor werken vervult de vol-toets op IBIS de rol van een ondergrens aan de beschikbare ruimte, voor wonen de zeef per ontwikkelpakket.

Wat wel werkt is de drempel voor landbouw, MinimalLandAvailability_Landbouw, gedefinieerd als hectare beschikbaar per cel van 100 meter, dus als aandeel van een hectare. De landbouwallocatie leest hem als schijftoets uit de zichtjaarzeef (Zeef_T/Src/GeeftOnvoldoendeRuimte_Landbouw):

PotentieleRuimte                := beschikbare hectares in een schijf van 50 meter rond de cel
                                   (dertien cellen van 25 meter, samen 0,81 ha)
GeeftOnvoldoendeRuimte_Landbouw := PotentieleRuimte / oppervlak van de schijf < MinimalLandAvailability_Landbouw / 1 ha

De schijf beweegt met de cel mee en kent geen blokgrenzen; de drempel wordt als aandeel van die schijf toegepast, zodat 0,60 hectare per hectare 60 procent blijft. De beschikbaarheid in de schijf is die van de basisjaarzeef van de subsector.

Zie Dichtheid voor de relatie met dichtheidsparameters.

Sloopbescherming

De zichtjaarzeef bevat een sloopbescherming op basis van de leeftijd van bestaande panden. De pandleeftijd is het zichtjaar min BouwjaarPand, het bouwjaar van het jongste BAG-pand in de cel. Het jongste pand en niet een gemiddeld pand, omdat de toets beslist over sloop van de hele cel: dan gaat elk pand erin tegen de vlakte, dus het pand dat er het meeste bezwaar tegen heeft hoort het antwoord te geven. Een gewogen celgemiddelde zou een cel met een pand uit 1900 en een uit 2020 onbeschermd laten. Twee parameters regelen de bescherming, en ze sluiten elkaar uit:

  • GeenSlooptotLeeftijd_BinnenHardePlancapaciteit (vast, in ModelParameters/Wonen): geldt op locaties met harde plancapaciteit voor de betreffende subsector.
  • GeenSlooptotLeeftijd_BuitenHardePlancapaciteit (per variant, in VariantK.dms): de strengere drempel, die daarbuiten geldt.

Ondanks de plek in ModelParameters/Wonen geldt de eerste parameter voor elke sector die de zichtjaarzeef doorloopt, niet alleen voor wonen.

Beide toetsen zijn op harde plancapaciteit gemaskeerd, zodat elk alleen geldt waar zijn naam zegt. Zonder dat masker zou de uitkomst leunen op de invariant dat de binnendrempel onder de buitendrempel ligt, en die wordt nergens bewaakt. Cellen zonder panden hebben geen pandleeftijd en vallen bij beide toetsen buiten de bescherming; dat geldt ook voor een cel waarvan geen enkel pand een bekend bouwjaar draagt.

De bescherming binnen harde plancapaciteit werkt alleen zolang die plancapaciteit geldig is. HeeftHardePlannenDezeSector draagt IsPlancapaciteitNogGeldig, dus na ModelParameters/Advanced/PlancapaciteitGeldigTotEnMet valt in deze zeef alles onder de buitendrempel.

De bescherming dooft uit met de horizon

BouwjaarPand is statische basisjaardata en de zichtjaarzeef ziet niet wat het model zelf bouwt, dus de pandleeftijd loopt alleen maar op. De toets wordt daardoor elk zichtjaar soepeler en houdt op te bestaan zodra het zichtjaar het jongste bouwjaar in de BAG plus de drempel passeert. Dat is geen ontwerpkeuze maar een gevolg van de lengte van de zichtjarenreeks in verhouding tot de leeftijd van de brondata.

Het aantal cellen dat de buitendrempel wegzeeft loopt daarmee monotoon naar nul, en een hogere drempel verplaatst alleen het zichtjaar waarin dat gebeurt. Een drempel die in het laatste zichtjaar van een lange reeks nog bijt moet boven de leeftijd liggen die het jongste pand van het land dan heeft, en dat is geen afschrijvingstermijn meer maar een sloopverbod.

De leeftijdsregel is daarmee een overgangsrem en niet de staande rem op sloop. De staande rem is voor wonen het exploitatiesaldo, via MinimumExploitatieSaldo in de zeef per ontwikkelpakket: dat zet de verwervings- en sloopkosten van de zittende voorraad tegen de opbrengst van het pakket en vervaagt niet met het zichtjaar. Voor werken bestaat die rem niet, want de werkgeschiktheid is een kansfunctie zonder kostenkant; daar blijft alleen de dichtheidstoets over.

Wat het model zelf bouwt is niet onbeschermd, maar dat loopt langs een andere weg: IterSubsector_T/Beschikbaar_Init sluit cellen met een gealloceerde subsector die de cel vastlegt permanent uit van verdere allocatie. Landbouw legt zijn cellen niet vast, want die sector wordt elk zichtjaar opnieuw gealloceerd. De bestaande voorraad kent dus een aflopende bescherming en de nieuwbouw van het model een onbeperkte.

Die asymmetrie staat er bewust, zie #735. Dezelfde regel op modelnieuwbouw toepassen vraagt om een allocatiejaar per cel in de rollende stand, en de permanente uitsluiting is bovendien meer dan een bescherming: vier mechanismen leunen op de invariant dat een cel hoogstens een keer wordt gealloceerd. Het ontwikkelpakket en de subsector staan eerste-wint in de stand, de eindejaarsafleiding van de pandvoetafdruk eist een lege ingangswaarde, en de sloop- en nieuwbouwindicator telt uit datzelfde verschil. Op een heralloceerde cel zouden pakket en subsector daardoor naar de vorige toestand wijzen terwijl de hoeveelheden de nieuwe volgen, en zouden sloop en nieuwbouw als nul tellen. Daar komt bij dat verwervings- en sloopkosten aan de basisjaar-BAG hangen, zodat modelnieuwbouw in het exploitatiesaldo verwervingswaarde nul en sloopkosten nul heeft; vrijgegeven modelnieuwbouw zou daarmee de goedkoopste herontwikkelgrond zijn en als eerste aan de beurt komen. De volgorde is dus eerst die vier mechanismen en de waardering, en pas daarna de leeftijdsregel.

Voor zakelijke dienstverlening en voor overheid en kwartaire diensten vervallen beide leeftijdstoetsen en de IBIS-vol-toets op cellen waar de eigen subsector in het basisjaar de werkstand domineert. Toewijzing is daar verdikking van de bestaande voorraad en geen sloop-nieuwbouw: het pand blijft staan en vult verder, dus een sloopwacht is er niet op zijn plaats. De overige toetsen, waaronder de restricties en de milieuzonering in de basisjaarzeef, blijven daar gewoon gelden. Zie #668 en de pagina Dichtheid voor het volledige mechanisme.

Daarnaast geldt in de basisjaarzeef een energielabelgrens (GeenSloopvanafELabel, per variant): een cel waarvan het modale energielabel van de panden beter is dan de drempel mag niet worden gesloopt. Die grens staat in de groep die binnen harde plancapaciteit is vrijgesteld.

Overzicht: van basisjaarzeef naar allocatie

De volledige keten van beschikbaarheidsbepaling is als volgt:

Inputdata (restricties, plancapaciteit, BAG, BBG en BGT, IBIS, bouwregime, natuurlevering)
    │           │
    │           └─→ Restricties en stimuli opgebouwd via apart project (zie Restrictie-generatie)
    │
    ├─→ Basisjaarzeef (per sector × subsector, eenmaal per variant, op CompactedAdminDomain 25 m)
    │     Drie groepen: overal, buiten harde plancapaciteit, buiten alle plancapaciteit
    │     Bepaalt: evident benut, restrictiekaarten, bodem- en landschapstoetsen, bouwregime,
    │              bouwwijzetoets werken, milieuzonering rond bestaande terreinen, energielabel
    │     Levert: IsRestrictief (met planvrijstelling) en IsRestrictief_ZonderPlanvrijstelling
    │
    └─→ Zichtjaarzeef (per sector × subsector × zichtjaar, op CompactedAdminDomain 25 m)
          Combineert:
          ├── Basisjaarzeef, met of zonder planvrijstelling naar PlancapaciteitGeldigTotEnMet
          ├── Dichtheidstoename en volle IBIS-terreinen (alleen werken)
          ├── Pandentoets (alleen zon en wind)
          ├── Sloopbescherming op pandleeftijd
          ├── Exogene oplegging (alle sectoren)
          └── Minimale waterschijf (alleen waterberging)
          │
          Resultaat: IsBeschikbaar (ja/nee per cel)
                │
                ├─→ Wonen: zeef per ontwikkelpakket (bouwwijze, dichtheid, exploitatiesaldo)
                │
                └─→ Allocatie (alleen beschikbare cellen), met daarbinnen de milieuzonering rond
                    nieuw vervuilend werk, de windbuffers, de schijftoets voor landbouw en de
                    permanente uitsluiting van al gealloceerde cellen

Verantwoording

De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.

  • #505: de bouwwijzekosten die de bouwwijzetoets van een restrictie in een prijs moeten omzetten; open.
  • #508: de allocatie kiest op de cel van 25 meter van het compacted domain.
  • #586: de sloopleeftijdsdrempel binnen harde plancapaciteit gemaskeerd op harde plannen, zodat de twee leeftijdstoetsen elkaar uitsluiten.
  • #604: de greenfieldvrijstelling van de dichtheidstoets bij wonen expliciet in de configuratie.
  • #605: de toets op MinimalLandAvailability voor stedelijke functies verwijderd; de pandentoets alleen voor zon en wind.
  • #614: opleggen, bouwregime en sloop als drie losse assen, met de bebouwingstypekaart veen als eerste bron.
  • #620: de sloop volgt de niet-bouwen-levering en niet de natuurkaart; rivieren met twee regimes naast elkaar.
  • #630: zand geeft NietBouwen in het beekdal en spaart de bestaande bebouwing.
  • #639: de strenge sloopleeftijdsdrempel gemaskeerd op harde plancapaciteit, zodat er binnen harde plannen een soepelere regel bestaat.
  • #641: geen oplegging en geen sloop in bestaand bebouwd gebied.
  • #652 en #660: zand en veen zetten hun opgave met een allocatie op de kaart.
  • #661: het gedeelde opleggingsmasker, dat ook exogeen grondgebruik uitsluit.
  • #668: de verdikkingsvrijstelling voor dominante kantoor- en voorzieningencellen.
  • #669: de omgekeerde milieuzonering met haar twee begrenzingen; de VNG-nuances liggen bij PBL.
  • #670: de toets op het subsectoraandeel verwijderd, de dichtheidstoets als enige sloopwacht en geen tak buiten plancapaciteit in de zichtjaarzeef.
  • #681: de overstromingsschade leest de schadevrije diepte van de gekozen bouwwijze.
  • #682: de basisjaarzeef levert twee uitkomsten, met en zonder planvrijstelling, en de zichtjaarzeef kiest.
  • #683: het landschapsregime met een eigen planvrijstelling.
  • #684: sloop alleen waar ook een nieuw landgebruik landt, met het sloopgebied van rivieren als uitzondering; het veenregime uit de gealloceerde bouwsteen; de veiligheidsvraag bij rivieren is open.
  • #686: de zeerharde restrictielaag als wettelijk verbod ook binnen harde plannen.
  • #694: subcategorieën in de milieucategorie en de aanname bij een onbekende categorie.
  • #698: hoge grond als de pleistocene helft van de Basiskaart Natuurlijk Systeem Nederland.
  • #707: kust geeft NietBouwen en sloopt niet.
  • #709: de greenfieldvrijstelling van de dichtheidstoets bij werken expliciet; de toets belast alleen bestaand werkgebied.
  • #713: teller en noemer van de dichtheidstoets over hetzelfde deeloppervlak.
  • #721: de pakkettentabel gesplitst in een default en een variantblok, met een legenda naast de stand.
  • #723: een lijst toegestane bouwwijzen per pakket en de keuzeregel op een plek.
  • #726: de verruimde bouwwijzelijsten op de draagvermogensregel van Deltares.
  • #727: dezelfde bouwwijzetoets voor werken, per subsector in de basisjaarzeef.
  • #734: een ontbrekende waterdiepte telt als nul meter.
  • #735: de pandleeftijd van het jongste pand; de aflopende bescherming van de bestaande voorraad aanvaard; modelnieuwbouw permanent uitgesloten.
  • #740: de plancapaciteit op 25 meter in de zichtjaarzeef.
  • #742: de milieuzonering rond bestaande terreinen in precies een vrijstellingsgroep.
  • #768: de natuurallocatie mijdt cellen met een pand niet; de bebouwing blijft staan onder de natuur.
  • #770: beide zeven op de cel van 25 meter, de schijftoets voor landbouw en de verdikkingsvrijstelling ook op evident benut.
  • #793: de veeneisen ook voor werken; de bouwsteen met nieuw open water op land op Slopen.
  • #803: landbouw legt zijn cellen niet vast en wordt elk zichtjaar opnieuw gealloceerd.
  • pbl-nl/model-RSopen#20: de evident-benut-set uit de BGT als klassenset los van de variant.

Table of contents