Modelstructuur op hoofdlijnen

Een drie-lagen model

RuimteScanner 2.0 is onderdeel van een modelketen waarin het de schakel vormt tussen verwachte of gewenste regionale ontwikkelingen in verschillende sectoren enerzijds en (maatschappelijke) effecten anderzijds (Figuur 2). Net als in de werkelijkheid is het samenspel van de ruimtevragers op de grond- en vastgoedmarkt daarbij de spil. Kenmerkend voor de hoofdstructuur is dat het model niet alleen dominant ruimtegebruik toewijst, maar tegelijk actoren en objecten aan locaties onttrekt en toewijst. Om praktische redenen (beschikbare data en methoden, toegevoegde waarde in het model) gaat het om een beperkt aantal lagen: woningen naar woningtype en marktsegment; banen naar economische subsector, met de pandvoetafdruk als bijbehorend vastgoed; recreatiewoningen; bergingsvolume voor waterberging; hectares per landbouwklasse; en megawatt wind- en zonne-energie, bij wind met de turbines als objecten. Welke van die lagen meedoen volgt uit de sectoren die een toepassing aanzet; zie hieronder. Uitbreiding met andere lagen, bijvoorbeeld huishoudenstypen, is denkbaar maar niet gebouwd.

image

Figuur 2 RuimteScanner 2.0 als onderdeel van een grotere modelketen.

De expliciete opname van actoren en objecten heeft als belangrijkste voordeel dat concrete beleidskeuzen ten aanzien van deze lagen verkend kunnen worden (bijvoorbeeld een minimumpercentage groen per woonmilieu, of een maximale lokale woningdichtheid), en dat daaraan specifieke effecten gekoppeld kunnen worden. Voorbeelden van zulke effecten zijn de woningen, bedrijfsgebouwen en hun waarde die door overstromingen getroffen kunnen worden (in het model nagebouwd uit de schademethode van HIS-SSM, zie Overstromingsschade); warmteopties voor gebouwen en buurten in de gebouwde omgeving (extern te berekenen met het Hestia-model); en lokale veranderingen in de bereikbaarheid van banen en groen (Bereikbaarheid banen, Bereikbaarheid groen). Door zulke effecten terug te koppelen naar de RuimteScanner, via de lokale geschiktheidskaarten (internaliseren van externe effecten) of via de regionale doelstellingen (aanpassen van de ruimtevraag), kunnen beleidsvarianten mede op deze effecten worden afgestemd. De toepassingspagina’s in Deel III laten daar voorbeelden van zien.

Dat actoren worden onderscheiden en in geaggregeerde zin aan locaties worden toegewezen, maakt dit overigens nog geen actor-gebaseerd model zoals de wetenschappelijke literatuur dat onderscheidt (bijvoorbeeld Groeneveld et al., 2017). Dergelijke modellen integreren twee componenten: een gridcel-gebaseerd model van het landschap en een actor-gebaseerd model dat de besluitvorming beschrijft van de belangrijkste betrokkenen in het beschreven ruimtegebruiksysteem (Parker et al., 2003). Beide componenten zijn geïntegreerd doordat ze de afhankelijkheden en terugkoppelingen tussen actoren en hun omgeving beschrijven. In RuimteScanner 2.0 zijn zulke onderlinge relaties niet uitgebreid opgenomen en wordt alleen de locatiekeuze beschreven. Afhankelijkheden en terugkoppelingen zijn beperkt en relatief statisch opgenomen, bijvoorbeeld waar de afstand tot banen meeweegt in de geschiktheid voor wonen, of waar de natuur, het water en de bebouwing die het model in een eerder zichtjaar heeft neergelegd de geschiktheid in het volgende zichtjaar bijstellen (zie Geschiktheid).

De regionale ontwikkeling van woningen en banen wordt overgenomen uit het Land-Use Transport Interaction (LUTI) model Tigris XL (Zondag et al., 2015; Zondag & Geurs, 2011). De relatie met Tigris XL is tweezijdig: voordat de regionale ruimtevraag voor wonen en werken in Tigris XL wordt bepaald, wordt de hoeveelheid voor verstedelijking beschikbare ruimte in het basisjaar uit RuimteScanner aan Tigris XL toegevoegd. Daarmee hanteren de twee modellen dezelfde beschikbare ruimte voor verstedelijking. De regionale ontwikkeling van de overige sectoren komt uit (combinaties van) trends, expert judgement of beleidsdoelen; Tabel 1 onderaan geeft per sector de herkomst.

Van regionale vraag naar lokale mogelijkheden

De regionale vraag, in aantallen woningen, banen, hectares, kubieke meters berging of megawatt, wordt toegewezen aan individuele gridcellen van 25 bij 25 meter, in het model het AdminDomain. Dat gebeurt op basis van het ruimtegebruik dat die cellen in het basisjaar of in eerdere zichtjaren hebben gekregen en, mede daarop, de beschikbaarheid en geschiktheid van de cellen voor alternatieve aanwendingen. Voorafgaand aan de ruimtelijke allocatie doorloopt het model per sector de volgende fasen:

  1. Invulling van de relevante lagen van de sector in het basisjaar (de bestaande locaties van banen, woningen, windturbines en zo verder); zie Startstaat.
  2. Bepaling van de beschikbaarheid van locaties voor de betreffende sector (bijvoorbeeld locaties zonder omgevingsrechtelijke beperkingen zoals Natura 2000-gebieden en geluidscontouren rond luchthavens); zie Beschikbaarheid.
  3. Bepaling van de geschiktheid van de beschikbare locaties voor de sector en haar subsectoren; zie Geschiktheid.
  4. Specificatie van de dichtheid waarin de relevante lagen in het geval van allocatie worden gerealiseerd (woningen per hectare bijvoorbeeld); zie Dichtheid.

De eerste fase is generiek: de uitkomst is voor elk scenario en elke variant gelijk, wordt eenmaal berekend en als ontkoppeld bestand bewaard, en wordt alleen opnieuw doorlopen wanneer een modelupdate daarom vraagt, bijvoorbeeld als er data voor een nieuw basisjaar beschikbaar zijn (zie Ontkoppelde bestanden). De overige fasen worden in de meeste toepassingen minstens een keer doorlopen, en dat geldt vooral voor de fasen twee en drie. Beschikbaarheid en geschiktheid zijn in het model losse onderdelen. Ze verschillen in de manier van definiëren en in de gehanteerde eenheden, en door ze te scheiden kunnen ze apart worden gespecificeerd, aangepast, gecommuniceerd en opgeslagen. Dat laatste bespaart rekentijd: een variant die alleen de zeef anders instelt hoeft de geschiktheidskaarten niet opnieuw te rekenen.

Om vergelijkbare redenen is fase drie zelf verder opgesplitst. De geschiktheidskaart wordt opgebouwd uit twee componenten. De eerste component is empirisch onderbouwd. Deze beschrijft bijvoorbeeld de waarde van een plek (op basis van een analyse van vastgoedprijzen) of de relatieve waarschijnlijkheid van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling (op basis van statistische analyses van reeds waargenomen ontwikkelingen). De tweede component komt ontwerpend tot stand en beschrijft de relatieve voorrang van specifieke locatietypen op bepaalde locaties. Deze wordt bepaald op basis van ontwerpprincipes ofwel (voorgenomen) beleid, en is geoperationaliseerd als een ladder van treden, zoals de ladder voor duurzame verstedelijking: van onder naar boven geredeneerd krijgen de treden een aflopende geschiktheid, bijvoorbeeld harde Plancapaciteit boven zachte en beide boven de rest. Een ladder telt in de praktijk meer assen dan alleen plancapaciteit, tot 144 klassen voor wonen; hoe een ladder is opgebouwd staat op Tredes.

De empirische component vormt in de derde fase de basis voor de lokale geschiktheid. Het is vaste modelinvoer die in de scenario’s en beleidsvarianten van een toepassing steeds gelijk is; de kaarten worden eenmalig berekend, opgeslagen en hergebruikt, en alleen de bijstelling per zichtjaar voor wat het model zelf heeft neergelegd, zoals de natuur en het water rond woonlocaties, gebeurt in de allocatie zelf. De ontwerpgerichte component is juist bedoeld voor het uitwerken van (beleids)varianten: de ladders zijn snel samen te stellen, te evalueren en aan te passen, en daarmee bij uitstek geschikt voor exploratief, iteratief onderzoek. De ontwerpcomponent heeft voorrang: een cel in een hogere trede gaat altijd voor op een cel in een lagere trede, en alleen binnen een trede worden de beschikbare locaties gesorteerd op de empirisch bepaalde geschiktheid. Een toepassing die een sector zonder ontwerpvoorkeur wil laten alloceren geeft die sector een ladder met een enkele trede; dan beslist de empirische geschiktheid alleen.

De laatste invoer die RuimteScanner 2.0 nodig heeft om de regionale projecties aan beschikbare en geschikte locaties toe te wijzen is hun dichtheid. Hoe hoger deze dichtheid, hoe groter, in het geval van wonen, de mogelijkheden voor financieel haalbare woningbouw in de bestaande stad, en hoe kleiner meer algemeen de benodigde extra ruimte voor deze functies. Hiermee blijft meer ruimte over voor andere functies zoals landbouw en natuur, en ook overstromingsrisico, bereikbaarheid en de kosten voor infrastructuur zijn daar over het algemeen bij gebaat. Hoge dichtheden zijn echter niet altijd mogelijk, om technische (de productie van wind- en zonne-energie), economische of omgevingsrechtelijke (planschade, woongenot) redenen. De dichtheden zijn per variant instelbaar en per locatie begrensd, voor wonen via ontwikkelpakketten met een locatiespecifiek plafond, zodat de gebruiker de implicaties van dichtheidskeuzes in samenhang kan verkennen.

Hybride allocatie met competitie binnen sectoren

Allocatie procedure in formules

De toewijzing van de regionale ontwikkelingen (bijvoorbeeld aantallen woningen of banen per sector) aan locaties verloopt in eerste instantie achtereenvolgens (sequentieel) in plaats van integraal. De verschillende sectoren komen hierbij in volgorde van waargenomen, dan wel verwachte dominantie op de grondmarkt aan bod. Wie het eerst komt, wie het eerst maalt. Welke sectoren meedoen, in welke volgorde en op welk regionaal schaalniveau staat als tabel in ModelParameters/SectorAllocRegio. Dat is de plek waar een toepassing haar sectoren aan- en uitzet: het model kent precies de sectoren die daar een actieve regel hebben. Een sector kan meerdere regels dragen, eerst de fijnste allocatieregio en daarna grovere om restclaims op te vangen, en de volgorde in de tabel is de volgorde van toewijzing. Wonen en werken staan daarin doorgaans vooraan, omdat zij op de grondmarkt het sterkst bieden. Van die volgorde kan per toepassing worden afgeweken, bijvoorbeeld in beleidsvarianten waarin andere ambities voorop staan; welke sectoren en welke volgorde een project kiest staat op de toepassingspagina’s in Deel III.

De sequentiële toewijzing dient twee doelen. Zij maakt het model exploratief toepasbaar, om iteratief, tekenend en rekenend, tot uitkomsten te komen. En zij sluit aan bij de Nederlandse praktijk, met grote prijsverschillen op de grond- en vastgoedmarkt tussen marktsegmenten (wonen, werken, landbouw) die samenhangen met regulering en met verschillen in vraag en aanbod (Dekkers & Rietveld, 2011). Vanwege de grote druk op de woningmarkt ontwikkelen aantrekkelijke locaties binnen bestaande kernen zich eerder tot woonlocatie dan tot werklocatie. Met wonen voor werken in de tabel brengt het model dat tot uiting: werklocaties worden pas toegewezen als in de betreffende regio en periode aan de vraag naar woonlocaties is voldaan, of als de ruimte daarvoor op is.

Natuur loopt niet via deze tabel. Nieuwe natuur wordt per variant als kaart opgelegd, en waar een levering geen kaart geeft maar een opgave of een verdeling zet een eigen allocatie of rangorde haar op de kaart; zie Uitwerking natuur.

Binnen een sector simuleert het model wel ruimtelijke competitie, tussen zogenaamde subsectoren: bij wonen tussen woningtypen en marktsegmenten met hun ontwikkelpakketten, bij werken tussen economische subsectoren, bij landbouw tussen landbouwklassen. De toewijzing van subsectoren binnen een sector gebeurt met een iteratieve allocatieprocedure waarin de regionale ontwikkelingen van de subsectoren op basis van geschiktheid aan de beschikbare locaties worden toegewezen. Het model ontwikkelt zoveel locaties als nodig is om in de regionale vraag van de subsectoren te voorzien, en stopt als aan die vraag is voldaan of als alle beschikbare locaties gevuld zijn. Landbouw loopt via een ander mechanisme: die sector wordt met de discrete allocatie verdeeld, met een ondergrens en een bovengrens per landbouwklasse en per regio; zie Uitwerking landbouw. De paragraaf hieronder beschrijft de simulatie van competitie tussen de subsectoren van de overige sectoren in meer detail.

De simulatie van competitie tussen subsectoren

Bij de allocatie van subsectoren aan beschikbare locaties is de lokale geschiktheid leidend en geldt het recht van de sterkste: de hoogste bieder (de subsector met de hoogste geschiktheid op een locatie) wint. De geschiktheidswaarden, te beschouwen als biedprijzen, zijn daarbij een vast gegeven. Er vindt geen uitruil van geschikte locaties tussen subsectoren plaats en er worden geen evenwichtsprijzen berekend: er is geen prijsmechanisme dat het aanbod in balans brengt met de vraag en zo de totale geschiktheid (voor een regio, gesommeerd over de locaties en subsectoren) maximaliseert, zoals een iteratief biedproces met schaduwprijzen dat doet (zie Dekkers, 2005; Koomen & Buurman, 2002). Een locatie die bij uitstek geschikt is voor een specifiek gebruik maar een lagere startwaarde heeft, wordt in deze procedure dus niet alsnog gekozen, en de totale geschiktheid in een regio wordt niet automatisch gemaximaliseerd.

De procedure werkt in opeenvolgende tussenstappen (iteraties) waarin steeds een deel van de regionale vraag (claim) voor een sector aan de meest geschikte plekken wordt toegewezen. Na elke tussenstap blijven restlocaties over (de locaties die beschikbaar blijven voor andere subsectoren) en restclaims (de regionale claims van subsectoren die nergens de hoogste bieder waren), en die worden in de volgende iteratie aan elkaar toegewezen. De procedure stopt wanneer de beschikbare locaties of de claims op zijn; het aantal iteraties per sector en allocatieregio staat in dezelfde tabel. De toepassingspagina Ruimtelijke Verkenningen 2023 gaat dieper op dit allocatieproces in aan de hand van een concrete toepassing.

Per iteratie bepaalt het model eerst per subsector een afkapgrens met de GeoDMS-functie weighted nth element: de laagste geschiktheid die nodig is om, gegeven de lokale dichtheden, de hele restclaim van die subsector te realiseren; locaties onder die grens vallen af, zodat de claim niet wordt overschreden. Daarna wint per locatie met arg_max de subsector met de hoogste geschiktheid boven haar afkapgrens. Die locaties worden bebouwd (objecten) en bezet (actoren) volgens de dichtheden van de winnende subsector (fase 4). Bestaande actoren en objecten uit het basisjaar (fase 1) worden er onttrokken dan wel gesloopt: de allocatie vervangt de bestaande functie, met de verzorgende werksubsectoren als uitzondering, want die blijven staan wanneer wonen de cel wint. Wat is verdrongen komt als restclaim terug en wordt alsnog gealloceerd: in een volgende iteratie of sectorallocregio als de verdrongen sector nog aan de beurt komt, in een volgende sequentie als zij al aan de beurt is geweest.

De allocatie kiest rechtstreeks op de cel van 25 meter (AdminDomain); het grovere grid van 100 meter (AllocDomain) dient nog voor onder meer de dichtheidsplafonds en de afbakening van het rekendomein. Om versnippering tegen te gaan wordt het ruwe resultaat per iteratie nabewerkt met geclusterd alloceren: smalle linten en clusters onder een minimale omvang worden afgewezen, waarna een volgende iteratie elders zoekt, zodat samenhangende eenheden (woonmilieus, bedrijventerreinen, waterbergingsgebieden) ontstaan in plaats van losse cellen. De volledige uitwerking, inclusief de afkapgrens, de vormtoetsen en de verdringing, staat in Allocatie procedure in formules.

Eens toegewezen, altijd toegewezen: cellen die het model heeft gealloceerd komen de rest van de reeks zichtjaren niet meer beschikbaar voor (sub)sectoren die later aan bod komen. Landbouw is de uitzondering, want een gewas legt de cel niet vast en wordt elk zichtjaar opnieuw gekozen. Actoren en objecten uit het basisjaar kunnen daarentegen wel worden vervangen, bijvoorbeeld door uitplaatsing of sloop. Dit wordt door het model geadministreerd, verrekend met de resterende regionale ontwikkelingen en, in het geval van een restvraag, opnieuw in de toewijzing opgenomen. Restopgaven die overblijven wanneer alle beschikbare ruimte in een regio is opgebruikt worden ofwel geaccepteerd ofwel overgeheveld naar een hoger regionaal schaalniveau (Overflow), waar de allocatieprocedure wordt voortgezet. Of dit gebeurt en, zo ja, op welk ruimtelijk schaalniveau, bepaalt de gebruiker met de regels in de allocatietabel.

De gebruiker beoordeelt ook of de simulatie-uitkomsten in overeenstemming zijn met de doelstelling van de toepassing. Wat passend is kan verschillen per studie: bij het nabootsen van trendmatige ontwikkelingen is het volgen van waargenomen veranderingen van belang, bij scenariostudies vooral de aansluiting bij de verhaallijnen. De mate waarin de resultaten overeenstemmen met de verwachte uitkomsten kan beoordeeld worden op basis van de gegenereerde geschiktheidskaarten en de (effecten van) gesimuleerde ruimtelijke patronen. Op basis van deze evaluatie kunnen nieuwe of aangepaste (beleids)varianten geconstrueerd worden. RuimteScanner 2.0 volgt met dit alles een hybride allocatieprocedure (sequentieel én afgewogen), met veel ruimte voor ontwerp.

Een uitgebreide set aan uitkomsten

Het allocatieresultaat bestaat uit een set kaarten (grids van 25 bij 25 meter) met per cel welke subsector nieuw is toegevoegd, bij wonen het ontwikkelpakket, en de bij de subsector behorende lokale kenmerken: het aantal toegewezen objecten (woningen per type, recreatiewoningen), actoren (banen per subsector), ruimtebeslag (pandvoetafdruk in vierkante meters voor wonen en werken), bergingsvolume en hectares per landbouwklasse. Daarnaast houdt het model per cel een landgebruikstype en het jaar van verandering bij, de stand-administratie van het landgebruik. Op de locaties waar nieuwe ontwikkeling plaatsvindt worden de bestaande objecten verwijderd en wordt de cel homogeen ingevuld volgens de lokale kenmerken van de toegewezen subsector; alleen de verzorgende werkgelegenheid blijft onder nieuwe woningen staan.

De sectorspecifieke ruimtegebruikslagen beschrijven ieder een deel van de verwachte ontwikkelingen, maar leveren in afzondering geen integraal, landsdekkend beeld van het toekomstige ruimtegebruik. Een dergelijk overzicht is zinvol om veranderingen in hun ruimtelijke context te bezien en bijvoorbeeld te vergelijken met het huidige ruimtegebruik zoals het CBS dat karteert. Daarvoor is er de Landgebruikskaart: die vertaalt de lagen met een ruimtelijke aggregatiemethode die zoveel mogelijk aansluit bij de methodiek die het CBS hanteert voor het Bestand Bodemgebruik (Claassens et al., 2023), met drempelwaarden voor het aantal woningen, de pandvoetafdruk en het aantal recreatiewoningen om een gridcel aan een type ruimtegebruik toe te kennen; natuur en landbouw komen op die kaart uit de stand-administratie. In aanvulling op de ruimtegebruiksweergave berekent het model uit de resultaten diverse indicatoren, waaronder de bereikbaarheid van banen, de nabijheid van groen, de overstromingsschade, de koolstofopslag en de waardeverandering van woningen; zie Effectmodules en indicatoren. Dit vormt de laatste laag van het drielagenmodel uit Figuur 2.

Uitwerking per sector

De exacte invulling van het allocatieproces en de fasen die daaraan vooraf gaan verschillen per sector. De volgende pagina’s geven per sector een verdere uitwerking. De focus ligt daarbij op de min of meer generieke componenten die specifieke toepassingen overstijgen. De mogelijkheden voor meer beleids- en ontwerpmatige uitwerkingen van vooral de Beschikbaarheid en Geschiktheid van locaties komen aan bod op de betreffende pagina’s.

Opnemen meest recente ontwikkelingen

Het startjaar van de simulaties valt zelden samen met de meest actuele invoerdata die bij de bronhouders voorhanden is. Voor de stand van wonen, werken en verblijfsrecreatie in het basisjaar gebruikt het model de BAG, en die wordt dagelijks bijgewerkt: de ontwikkelingen tussen het startjaar en de datum van de meest recente BAG-jaargang in het model zijn dus al bekend. Daarnaast bevat de BAG statusinformatie over ontwikkelingen in de nabije toekomst: panden waarvoor een bouwvergunning is verleend of waarvan de bouw al is gestart, waarvan met grote zekerheid kan worden aangenomen dat ze gerealiseerd worden, en panden waarvoor een sloopvergunning is verleend, die zeer waarschijnlijk gesloopt gaan worden. Al deze recente bouwontwikkelingen neemt het model in het eerste zichtjaar op als aanpassing van de startstaat, voordat de allocatie begint, zodat ze niet meer gealloceerd hoeven te worden.

Synthese

Samenvattend kan RuimteScanner 2.0 gekenmerkt worden als een hybride, semi-integraal allocatiemodel dat regionale projecties van actoren, objecten en ruimtegebruik toewijst aan beschikbare en geschikte locaties. In lijn met de praktijk worden ruimtegebruiksfuncties sequentieel (achtereenvolgens) toegewezen. Functies die sequentieel worden toegewezen worden aangeduid als sectoren. Welke functies dat zijn en in welke volgorde is een instelling van de toepassing, en niet iets wat in het model vastligt; het model kent wonen, werken, waterberging, verblijfsrecreatie, zonne-energie, windenergie en landbouw als sectoren die een toepassing kan aanzetten. Binnen de sectoren kan concurrentie gesimuleerd worden. Dit gebeurt dan tussen zogenaamde subsectoren, in een iteratief proces waarbij de hoogste bieder wint en dat stopt als de beschikbare ruimte op is of als alle regionale opgaven zijn gerealiseerd. Die concurrentie bestaat binnen de sectoren wonen (tussen woningtypen en marktsegmenten, via de ontwikkelpakketten), werken (tussen economische subsectoren) en landbouw (tussen landbouwklassen).

Het model kent een flexibele opzet. Hierbij gaat het niet alleen om de volgorde waarin functies worden toegewezen en of dit al dan niet in concurrentie gebeurt. Het gaat ook om de vraag welke functies überhaupt aan bod komen. Voor de planmonitor van de NOVI (Kuiper, Rijken, et al., 2023), bijvoorbeeld, is alleen gekeken naar verstedelijking: wonen, werken en verblijfsrecreatie. In de Ruimtelijke Verkenning 2023 (Kuiper, Hamers, et al., 2023) draaiden daarnaast de sectoren zonne-energie en windenergie mee, en in Toepassing NL2120 waterberging en landbouw. Het model geeft daarbij nadrukkelijk ruimte aan ontwerp. Het gaat daarbij vooral om de invulling van de beschikbaarheid en geschiktheid van plekken voor de verschillende functies en de dichtheid waarin deze aan plekken (mogen) worden toegewezen.

Tabel 1 geeft een overzicht van de manier waarop het model per sector is opgezet. De toepassingspagina’s in Deel III illustreren de werking en de toepassingsmogelijkheden; de Ruimtelijke Verkenning 2023 is daarvan de uitgebreidste, met diverse modelaspecten naast elkaar. Die beschrijving is nadrukkelijk een illustratie van de modelaspecten en geen verslag van de inhoudelijke achtergrond en resultaten van die studie; zie daarvoor de beschikbare rapportages (Hamers et al., 2023; Kuiper, Hamers, et al., 2023). De specifieke modelinstellingen van een toepassing zijn vastgelegd in de modelconfiguratie en staan op de toepassingspagina.

Tabel 1 Herkomst van de ruimtevraag, de empirische geschiktheid en de dichtheid per sector.

Sector Herkomst ruimtevraag Empirische geschiktheid Dichtheid Competitie binnen de sector
Wonen regionaal model Tigris XL exploitatiesaldo per ontwikkelpakket, uit een hedonische prijsanalyse, een regressie op grondproductiekosten en kentallen woningen per ha, uit het ontwikkelpakket ja, vier subsectoren en hun pakketten
Werken regionaal model Tigris XL, per subsector geankerd op het basisjaar: op het niveau van Tigris XL of op de waargenomen LISA-trend, instelbaar kans op voorkomen, multinomiaal logitmodel per subsector m2 pandvoetafdruk per baan, uit waargenomen dichtheden per regio ja, zes economische subsectoren
Waterberging aangeleverde opgave in m3 per deelgebied gewogen som van criteria, waaronder waterdiepte, veennabijheid en kwel bergingsvolume uit de waterschijf van de cel nee
Verblijfsrecreatie trends kans op voorkomen, binair logitmodel recreatiewoningen per ha, uit de marginale trenddichtheid nee
Zonne-energie beleidsdoel, teruggerekend uit de Klimaat- en Energieverkenning half de genormeerde capacity factor, half de inverse van de belevingskaart landschap, binnen de treden van de zonneladder megawatt per ha, kental nee
Windenergie beleidsdoel half de genormeerde capacity factor uit de windsnelheid, half de inverse van de belevingskaart landschap, met plaatsingsregels voor turbines uit de onderlinge afstand tussen turbines nee
Landbouw een band rond de basisjaarstand per regio, verminderd met wat exogeen wordt opgelegd en geschaald naar de ruimte die overblijft netto saldo per gewas, na transitiekosten volgt uit het gewas ja, tussen landbouwklassen, via de discrete allocatie
Natuur geen claim uit een regionaal model; per variant een opgelegde kaart of opgave niet van toepassing niet van toepassing nee

Natuur staat in de tabel apart omdat de sector geen claim uit een regionaal model krijgt en niet via de allocatietabel loopt.