Overstromingsschade

Terug naar Effectmodules en indicatoren


In Nederland bestaat het standaard Schade en Slachtoffermodel (HIS-SSM) voor het bepalen van schade en slachtoffers ten gevolge van overstromingen. Dit model is ook gebruikt bij het afleiden van de waterveiligheidsnormen die per 1 januari 2017 wettelijk zijn verankerd. De Standaardmethode 2017 is de actualisatie van dat model op basis van nieuwe data en inzichten (Slager & Wagenaar, 2017).

Dit model van Deltares is als effectmodule nagebouwd in de RuimteScanner, om dezelfde analyses uit te kunnen voeren maar dan op toekomstig ruimtegebruik. De implementatie volgt de technische documentatie van het SSM (Slager, 2016, Deltares 1230095-004-HYE-0009) en staat in Templates/Indicatoren/SSM2017_Overstromingsschades.dms, met de parameters in Templates/Indicatoren/SSM2017_Overstromingsschades/Parameters.dms en de blootstelling per cel in Grondgebruik/Startsituatie.dms en Grondgebruik/Zichtjaar.dms daarnaast. De indicator wordt per casus en per zichtjaar uitgerekend, onder /Indicatoren/<casus>/Zichtjaren/<jaar>/Overstromingsschade en voor het basisjaar onder /Indicatoren/<casus>/Basisjaar/Overstromingsschade.

Opzet: drie watersystemen

De schade wordt voor drie watersystemen apart berekend, elk met een eigen waterdieptekaart en een eigen resultaatkaart:

Watersysteem Type Waterdieptekaart
Hoofdwatersysteem binnendijks primair beschermd dijkringgebied Waterdiepte_B_PrimairBeschermd
Hoofdwatersysteem buitendijks primair onbeschermd (uiterwaarden) Waterdiepte_A_PrimairOnbeschermd
Regionaal watersysteem binnendijks regionaal beschermd Waterdiepte_C_RegionaalBeschermd

Elk watersysteem doorloopt dezelfde categorieën en schadefuncties, maar tegen zijn eigen waterdiepte, en levert een eigen schadekaart op (Result_Hoofdwatersysteem_Binnendijks, Result_Hoofdwatersysteem_Buitendijks, Result_Regionaalwatersysteem_Binnendijks).

Waterdiepte

De waterdiepte komt uit de LIWO-kaarten van de maximale waterdiepte van Deltares, per watersysteem (levering Deltares 2026-01-29, zoals de Source in SourceData/Water.dms vermeldt). De brondata staat op 5 m in meters en wordt met een gemiddelde naar het 25 m-AdminDomain geaggregeerd (nodata -9999 wordt null). De letters A, B en C verwijzen naar het overstromingstype, het kaartnummer (4 of 5) naar de overstromingskans.

Elke kaart wordt eerst ontdaan van onzinwaarden: wat boven ModelParameters/Advanced/MaxPlausibeleOverstromingsdiepte (100 meter) ligt kan geen overstromingsdiepte zijn maar is een vulwaarde uit de levering, en gaat op null (Waterdiepte_A_PrimairOnbeschermd_Plausibel en zo verder; dat zijn de kaarten die Parameters.dms leest). De C-kaart bevat op gewoon land zulke vulwaarden, tot ruim 147 miljoen meter; zonder de grens klemmen die in de schadefunctie op het tabelmaximum en leveren daar de maximale schadefactor. De grens ligt ruim boven elke diepte die in Nederland kan optreden, dus de precieze waarde maakt niet uit, en zij is een plausibiliteitsgrens en geen fysiek plafond: de diepte waarmee de schade rekent wordt nergens afgekapt. Zodra Deltares een schone C-kaart levert kan de grens weg.

Naast die drie kaarten bestaat SourceData/Water/Dieptekaart, het elementgewijze maximum van de drie, met dezelfde grens. Dat is de kaart waarop de zeef zeeft en waarop de bouwwijzekeuze hieronder bepaalt wat een nieuwbouwcel tegen het water doet; de schade per categorie rekent met de kaart van haar eigen watersysteem. Een cel zonder diepte betekent op beide plekken geen beperking en geen schade: de zeef leest een ontbrekende diepte als nul meter (zie Beschikbaarheid) en de schadefunctie geeft op een ontbrekende diepte geen schade. Null is daarmee iets anders dan een grote diepte, en dat is de reden dat de plausibiliteitsgrens hoog staat en alleen onzin wegneemt.

Het sjabloon kent daarnaast een item DiepteOud op de landsdekkende kaart uit de Klimaateffectatlas (SourceData/Water/DieptekaartOud, MaximaleWaterdiepteNederland_Kaart4); geen enkele schadeberekening leest dat item.

Schadecategorieën

Per watersysteem wordt de schade gesommeerd over een lijst categorieën (in Parameters.dms). Ze vallen in vier groepen:

  • Woningen: opstalschade (per m2 vloeroppervlak) en inboedelschade (per woning/verblijfsobject), elk gesplitst naar eengezins en meergezins (begane grond, eerste verdieping, hoger).
  • Bedrijven: bijeenkomst, gezondheidszorg, industrie, kantoor, onderwijs, sport en winkel (per m2).
  • Infrastructuur: rijksweg, autoweg, overige weg, elektrische en niet-elektrische spoorweg (per strekkende meter).
  • Overig: landbouw, glastuinbouw, stedelijk gebied, extensieve en intensieve recreatie en vliegveld (per m2).

Het binnendijkse en het regionale watersysteem kennen alle 26 categorieën; buitendijks vallen landbouw, extensieve en intensieve recreatie en overige weg weg (22 categorieën).

Elke categorie heeft een maximale schade per eenheid (MaxDamage_Direct, s_i, in EUR per m2, per meter of per woning). Enkele representatieve waarden:

Categorie Maximale directe schade
Woning opstal 1.000 EUR/m2
Woning inboedel 70.000 EUR/woning
Bedrijf industrie 1.497 EUR/m2
Rijksweg 1.770 EUR/m
Spoorweg (elektrisch) 5.400 EUR/m
Stedelijk gebied 59,65 EUR/m2
Glastuinbouw 49 EUR/m2
Landbouw 1,83 EUR/m2

Schadeberekening per categorie

Per categorie en per cel wordt de schade berekend uit de waterdiepte, het aantal blootgestelde eenheden en de maximale schade per eenheid (PerCategorie_T):

Direct_i   = α_i · η_i · s_i
Indirect_i = ((α_i · η_i · SN_i + (1 - α_i) · η_i · SB_i) · β_i · id · (1 - SF_i) · M_i) · (η_i > 0)
Totaal_i   = Direct_i + Indirect_i

waarin:

  • α_i de directe schadefactor (0..1) is, die per cel uit de waterdiepte volgt via een depth-damage-curve;
  • β_i de schadefactor voor bedrijfsuitval (indirecte schade) is, eveneens uit de waterdiepte;
  • η_i het aantal blootgestelde eenheden per cel is (m2, meter of aantal woningen, zie hieronder);
  • s_i de maximale directe schade per eenheid is, en SN_i / SB_i de maximale netto/bruto indirecte schade per eenheid;
  • id = 1 jaar (maximale bedrijfsuitvalduur), SF_i = 0 (substitutiefactor) en M_i = 1 (multiplier).

De schadefuncties van het SSM

De depth-damage-curves staan als losse CSV-bestanden in SSM_Schadefuncties (per curve een tabel van waterdiepte naar schadefactor 0..1, in stappen van 1 cm tot vijf à zeven meter). Elke categorie verwijst via een Function-id naar de juiste curve. De waterdiepte wordt op hele centimeters afgerond en de factor per cel met een rjoin opgezocht; een diepte boven het bereik van de curve wordt op het tabelmaximum geklemd, zodat de factor daarboven maximaal blijft, en een cel zonder diepte krijgt geen schade.

Indirecte schade (bedrijfsuitval) is alleen actief waar HeeftBU aan staat, en dat is uitsluitend voor de categorie Bedrijven in het hoofdwatersysteem binnendijks. Voor alle overige categorieën (en voor bedrijven buitendijks en regionaal) zijn β_i, SN_i en SB_i nul, zodat de indirecte schade daar 0 is en alleen directe schade overblijft.

De evacuatiecurve die in SSM_Schadefuncties aanwezig is, wordt expliciet uitgesloten. Er wordt dus geen evacuatie-reductie toegepast: de schade is bruto.

Blootgestelde eenheden: basisjaar versus zichtjaar

Het aantal eenheden η_i per categorie wordt per cel uit het ruimtegebruik gehaald, via een pad dat met een @YR@-token de basisjaar- of de zichtjaarbron kiest (Grondgebruik/StartSituatie of Grondgebruik/Zichtjaar).

In het basisjaar (Startsituatie):

  • woningen en bedrijven uit de BAG (verblijfsobjecten en oppervlakten, met een laagopsplitsing voor meergezinswoningen);
  • infrastructuur uit het NWB (wegen) en de BRT (spoor, met elektrificatie);
  • overig en landbouw uit de CBS-landgebruikskaart (BBG).

In een zichtjaar (Zichtjaar, na allocatie):

  • woningen uit het gealloceerde ontwikkelpakket: het aantal volgt uit de dichtheid van het pakket maal het celoppervlak, het vloeroppervlak uit de woonoppervlakte maal datzelfde celoppervlak; hoe dat over de lagen van een meergezinspakket gaat staat in de paragraaf over de getallen hieronder;
  • bedrijven uit de gealloceerde werksubsector: de pandvoetafdruk van die subsector op de stand, per NVM-regio omgerekend naar vloeroppervlak per BAG-gebruiksdoel, en volgens tabel 3.1 van de Standaardmethode 2017 ingedeeld in de zeven bedrijfscategorieën (logies bij bijeenkomst, cel bij kantoor, overige gebruiksfunctie bij industrie); op cellen die de allocatie niet heeft vastgelegd blijft de BAG-waarneming van het basisjaar staan;
  • stedelijk gebied is het volle celoppervlak waar het model een ontwikkelpakket heeft gealloceerd; de overige categorieën (landbouw, glastuinbouw, recreatie en vliegveld) staan op nul op elke cel waar de stand een subsector draagt die de cel vastlegt, omdat het oppervlak dan onder de nieuwe functie valt. Welke subsectoren dat zijn zegt de vlag LegtCelVast in Classifications/Actor: wonen, werken, waterberging, wind, zon en verblijfsrecreatie wel, landbouw niet. Een gewaslabel van de landbouwallocatie laat de waarneming uit het basisjaar dus staan, net als een cel zonder label: het gewas wordt elk zichtjaar opnieuw gekozen en de grond blijft landbouwgrond, dus er is niets onder een nieuwe functie gekomen. Dezelfde toets bepaalt bij de bedrijven of de BAG-waarneming blijft staan;
  • infrastructuur wordt niet opnieuw gealloceerd en is in het zichtjaar gelijk aan het basisjaar;
  • waar de nieuwbouw met een maatregel tegen overstroming is gebouwd, wordt de schadefunctie verschoven in plaats van de cel op nul gezet. Zie de paragraaf hieronder.

Wat een maatregel met de schade doet

Een maatregel verschuift de schadefunctie langs de diepte-as. De schadefactor wordt afgelezen bij de waterdiepte min wat de gebouwde bouwwijze buiten de woning houdt, met een ondergrens van nul. Blijft het water onder de ontwerpdiepte, dan is de schade nul; komt het erboven, dan telt de restdiepte in plaats van de volle diepte. Een verschuiving op de gebouwde bouwwijze en geen drempel op de eis van de plek, om twee redenen. De eis van de plek en de gebouwde bouwwijze vallen niet samen: waar het regime geen maatregel eist kan een pakket toch met een maatregel landen, en waar het regime bouwen met maatregelen voorschrijft laat de zeef een pakket zonder maatregel toe zolang de diepte binnen de tolerantie van een gewoon huis blijft. En een drempel heeft een klip, waar een centimeter extra water het verschil maakt tussen nul en alles; een verschuiving niet.

Die vorm is niet zelf bedacht. SSM2017 doet een hoger gelegen vloerpeil zelf ook zo: functie 395, meergezinswoning eerste verdieping, is functie 9, dezelfde woning op de begane grond, 2,50 meter opgeschoven.

Waar de maximumkaart wel binnenkomt. De aftrek gebeurt per watersysteem op dezelfde dieptekaart waarmee die categorie haar schade rekent, dus daar komt geen maximumkaart aan te pas. Maar hoeveel er wordt afgetrokken volgt uit de bouwwijzekeuze, en die leest wel het elementgewijze maximum van de drie LIWO-kaarten. Die drie kaarten zijn elkaar uitsluitende scenario’s en geen gelijktijdige belastingen, dus wie de ontwerpdiepte op de unie bepaalt en van elk scenario apart aftrekt, geeft per scenario een ruimere korting dan dat scenario zelf rechtvaardigt. Fysisch is dat te verdedigen, want een pand dat op 2,5 meter is ontworpen blijft ook bij een regionale overstroming van 0,3 meter droog. De uitkomst per watersysteem is dan alleen niet meer te lezen als de schade wanneer alleen dat systeem beschouwd wordt.

De verschuiving staat in Grondgebruik/Zichtjaar/SchadevrijeDiepte_Nieuwbouw en wordt toegepast in Parameters/<watersysteem>/Diepte_Nieuwbouw; een cel zonder diepte blijft ook na de aftrek zonder diepte. De acht woningrijen lezen die verschuiving. De zeven bedrijvenrijen lezen hun eigen tegenhanger, SchadevrijeDiepte_Werken en Diepte_Bedrijven; zie de paragraaf hieronder. De infrastructuur en de categorie stedelijk gebied lezen de ongeschoven diepte, want die horen bij geen enkele sector die een bouwwijze kiest.

Welke bouwwijze er staat volgt uit een keuze per cel, in Templates/Beschikbaarheden/Bouwwijzekeuze_T: van de bouwwijzen die het pakket toelaat, de lichtste die aan de eisen van de plek voldoet. Het is dezelfde keuzeregel met dezelfde invoer als de zeef bij het alloceren gebruikt, dus de keuze waaronder het pakket door de zeef kwam; de schade en de kosten lezen dezelfde keuze, dus ze kunnen niet uit elkaar lopen. De verschuiving is nul waar geen nieuwbouw staat, waar de gekozen bouwwijze geen maatregel draagt, en op BAG-nieuwbouwcellen, want daar is de bebouwing waarneming en geen keuze van het model.

Hetzelfde voor werken

Werken heeft geen ontwikkelpakketten, dus de vraag welke bouwwijzen zijn toegestaan hangt daar aan de subsector. In Classifications/Actor/Jobs6 staat een kolom BouwwijzeToegestaan met precies dezelfde vorm als de kolom bij de ontwikkelpakketten: een lijst met namen uit BouwwijzeK tussen puntkommas. Daarna is de keten identiek. Dezelfde keuzeregel uit Bouwwijzekeuze_T kiest per cel de lichtste toegestane bouwwijze die aan de eisen van de plek voldoet, de basisjaarzeef weert een subsector waar geen van zijn bouwwijzen de diepte haalt, de schadefunctie schuift op met wat de gekozen bouwwijze buiten het pand houdt, en de ophoging die daarvoor nodig is wordt beprijsd. Ook hier krijgt alleen wat het model zelf heeft neergezet krediet: op BAG-nieuwbouwcellen en op cellen waar een andere sector won is de verschuiving nul.

Wat er per subsector is toegestaan komt uit een expertoordeel van Deltares en is geen berekening of waarneming. Waterbestendig bouwen en ophogen kunnen alle zes de subsectoren dragen. Bouwen op palen niet voor nijverheid en logistiek: dat zijn hallen op maaiveld met zware vloerbelasting en laaddocks. Drijvend bouwen voor geen enkele werksubsector. Elke subsector laat daarnaast bouwen zonder maatregel toe, om dezelfde reden als bij de ontwikkelpakketten: zonder maatregel bouwen is de normale gang van zaken en geen maatregel, en laat je die weg dan bouwt en betaalt het model een maatregel op plekken waar niets erom vraagt.

Twee gevolgen om vast te houden. Werken komt in de gevaarzone tot hoogstens 2,5 meter, want bouwen op palen is de zwaarste bouwwijze die een werksubsector mag; wonen komt tot 6,0 meter waar een ontwikkelpakket drijvend bouwen toelaat. In de diepe delen van de eiszone kan er dus wel gewoond maar niet gewerkt worden. En de zeeftoets weegt zwaarder dan de schadecorrectie: waar geen toegestane bouwwijze de diepte haalt komt de subsector er helemaal niet, en dat treft in de gevaarzone een groot deel van de beschikbare ruimte. Hoeveel ruimte dat in een toepassing scheelt is een uitkomst van die toepassing en geen eigenschap van de indicator.

De maatregel kost ook iets

De ophoging betaalt mee, via de kengetallen uit bijlage E van het landelijk afwegingskader bodemdalingbestendige nieuwbouw (#505). De benodigde ophoging is het maximum van wat de bodemdaling vraagt en wat nodig is om boven het water uit te komen, begrensd op wat de gekozen bouwwijze aankan, tegen het ophoogtarief in ModelParameters/Wonen/Bodemdalingkosten/Ophogen_permeter (20 euro per m2 per meter). Het maximum en niet de som: wie tot de diepste van de twee eisen ophoogt voldoet aan allebei, dus optellen zou hetzelfde zand twee keer rekenen. Daarmee hangen de kosten van de maatregel aan dezelfde conditie als de baten, de bouwwijze van het gealloceerde pakket. Een pakket zonder maatregel draagt schadevrije diepte nul en hoogt alleen op voor de bodemdaling. Hoe die post in het exploitatiesaldo landt staat op Kosten woningbouw.

Voor werken staat die rekening in de aparte indicator KostenWerklocaties, en die is smaller. Wonen heeft een exploitatiesaldo waarin de hele doorrekening meedraait en de allocatie stuurt; werken heeft dat niet, alleen een geschiktheidskaart uit een logit. De post is daarom een verantwoordingsgetal en geen sturing, en hij bevat alleen de extra ophoging tegen het water. Dat is het enige kengetal uit bijlage E dat niet van de inrichting van een woonbuurt afhangt: zand per m2 terrein per meter ophoging is voor een bedrijventerrein hetzelfde als voor een woonwijk. De overige inrichtingselementen, dus verharding, riolering, groen en heipalen, zitten er niet in, want daarvoor is een verdeling van inrichtingselementen voor bedrijventerreinen nodig die het rapport niet geeft.

Waar de getallen op rusten

De vijf diepteklassen in DieptevermogenK lopen van 0,2 meter voor een gewoon huis tot 6,0 meter voor drijvend bouwen. Behandel ze als aanname en niet als kental. De tabel heeft twee kolommen: MaxOverstromingsdiepte, tot welke diepte een bouwwijze mag landen (de kolom die de zeef en de bouwwijzekeuze lezen), en SchadevrijeDiepte, tot welke diepte de schade-indicator de cel als schadevrij boekt (de verschuiving hierboven). Ze zijn gelijk, behalve voor een gewoon huis: dat mag tot 0,2 meter landen maar is tot 0,0 meter schadevrij, want de SSM-schadefunctie prijst ondiep water zelf al af en een schadevrije diepte van 0,2 meter zou elke ondiepe overstroming in het hele land op nul zetten. Voor de andere klassen is de ontwerpdiepte als schadevrije diepte overgenomen, en dat is een aanname: de bronnen gaan over de ontwerpdiepte en niet over de restschade daaronder. Een restschadefactor per bouwwijze en diepte zou hier beter passen; daar zijn geen kentallen voor.

Er is geen gepubliceerde standaard die een dieptegrens per bouwwijze geeft. De herkomst per klasse is daarom samengesteld. De 0,2 meter is geen maatregel maar de tolerantie van een gewoon huis, het bereik waarin een drempel of een schot volstaat. De 0,5 meter voor waterbestendig bouwen en de 2,0 meter voor ophogen komen uit het Kennisportaal Klimaatadaptatie (kennisdossier overstroming, gevolgen beperken, laag 2): een aanlegadvies voor elektra, en de uitspraak dat tot 2 meter op palen of op opgehoogde grond gebouwd kan worden. De 2,5 meter voor bouwen op palen en de 6,0 meter voor drijvend bouwen komen uit het overzicht per bouwmethode dat Deltares in #726 gaf, met per methode een maximale diepte voor restschade nul. Dat overzicht is met een AI-assistent opgesteld en de verwijzingen erbij zijn niet na te lopen, dus het is een expertinschatting en geen kental. De regel bij het combineren van de twee bronnen is per klasse de meest specifieke uitspraak, en waar er twee tegenover elkaar staan de na te lopen publieke bron; zo geldt voor ophogen de 2,0 meter van het Kennisportaal en niet de 1,5 meter uit het overzicht. Let daarbij op dat de grenzen in dat overzicht economische knikken zijn en geen technische onmogelijkheden: de methode werkt dieper door, alleen tegen een sprong in de kosten. Het model kent maar een plafond per bouwwijze en gebruikt dat als haalbaarheidsgrens. Vermeld dat in elke publicatie die de verdeling van nieuwbouw over de gevaarzones gebruikt.

Drie regels bepalen hoeveel woningen en vloeroppervlak een gealloceerde cel in de schade inbrengt:

  • Schalen met het celoppervlak. De kenmerken van een ontwikkelpakket gelden per hectare; op het 25 meter-grid wordt dus met AdminDomain/NrHaPerCell geschaald en niet met de vaste hectare uit de pakkettabel.
  • Meergezinswoningen over de lagen verdelen. Het aantal panden is de dichtheid gedeeld door het aantal bouwlagen, en dat is meteen het aantal begane-grondwoningen en het aantal woningen op de eerste verdieping; de lagen daarboven tellen samen (het aantal bouwlagen min twee) maal dat aantal. Het vloeroppervlak per laag is de woonoppervlakte gedeeld door het aantal bouwlagen. Zonder die deling zou elk appartement in alle drie de lagen meetellen.
  • BAG-nieuwbouwcellen. Die hebben wel een gematcht ontwikkelpakket, maar de pakketkenmerken gelden voor een volledig ontwikkelde cel en overschatten deze deels bebouwde cellen fors. Voor die cellen valt het ruimtegebruik terug op de BAG-waarneming uit het basisjaar.

Inwoners (en daarmee slachtoffers) zijn in deze module niet geïmplementeerd. Voor overige objecten (kwetsbare objecten, rijksmonumenten, IED-installaties, KRW-beschermde gebieden) zijn containers aangelegd zonder inhoud: er wordt daarvoor niets berekend, ook geen getroffen aantallen of oppervlakten.

Uitvoer

Overstromingsschade hoofdwatersysteem binnendijks

Per casus en zichtjaar worden de drie schadekaarten (EUR per 25 m-cel) als GeoTIFF weggeschreven:

%LocalDataProjDir%/Indicatoren/<casus>/SSM_Overstromingsschade_<watersysteem>_<zichtjaar>_<studiegebied>.tif

Naast elke schadekaart staat de netto contante waarde in het basisjaar (*_NCW), die ook wordt weggeschreven. De schade is een waardering van een toestand op een moment, dus een doorbraak in dit zichtjaar, en krijgt daarom de contantewaardefactor van het zichtjaar zelf. Zie Verdiscontering en netto contante waarde.

Daarnaast wordt in het geheugen het verschil ten opzichte van het basisjaar bepaald (*_tov_basisjaar, nominaal en als verschil tussen contante waarden), met aggregaties per regio en voor heel Nederland; welke regio-indeling dat is staat in ModelParameters/Advanced/IndicatorRegio_ref. In het basisjaar zelf is dat verschil null.

De resultaten zijn bereikbaar onder /Indicatoren/<casus>/Zichtjaren/<zichtjaar>/Overstromingsschade/Resultaat/....

Aandachtspunten

  • Er wordt geen evacuatie-reductie toegepast (bruto schade).
  • De bouwwijzekeuze is scenario-blind: zij leest het maximum van de drie LIWO-kaarten, terwijl de schade per categorie met de kaart van haar eigen watersysteem rekent. Dat spoort met de zeef, die op dezelfde maximumkaart zeeft, maar het maakt de korting per watersysteem ruimer dan dat scenario zelf rechtvaardigt. Zie de paragraaf over wat een maatregel met de schade doet.
  • De diepteplafonds per bouwwijze zijn een aanname en geen kental; zie de paragraaf over waar de getallen op rusten.
  • De overige categorieën volgen alleen het sectorlabel van de allocatie en niet de stand-administratie landgebruik. Een cel die de exogene oplegging tot natuur of water maakt houdt daardoor haar basisjaarwaarde: de landbouwschade blijft er staan en de recreatiecategorieën groeien er niet.
  • Slachtoffers en getroffenen worden niet berekend.

Verantwoording

De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.

  • #505: de ophoging tegen het water betaalt mee via de kengetallen van bijlage E, als maximum van de bodemdalingseis en de ontwerpdiepte.
  • #550: BAG-nieuwbouwcellen krijgen een gematcht ontwikkelpakket; voor de schade tellen ze als waarneming en niet als keuze van het model.
  • #609: de pakketkenmerken schalen met het celoppervlak, meergezinswoningen worden over de lagen verdeeld en BAG-nieuwbouwcellen vallen terug op de BAG-waarneming.
  • #665: de diepte-as DieptevermogenK los van de bouwwijze, en de plausibiliteitsgrens van honderd meter op de dieptekaarten.
  • #681: een maatregel verschuift de schadefunctie langs de diepte-as, en de kosten van de maatregel hangen aan dezelfde bouwwijze als de baten.
  • #723: de bouwwijze is een keuze per cel uit wat het pakket toelaat, met een keuzeregel die zeef, schade en kosten delen.
  • #726: de herkomst van de vijf diepteplafonds en de regel om de twee bronnen te combineren.
  • #727: dezelfde maatregelketen voor werken, met toegestane bouwwijzen per subsector en de aparte kostenindicator KostenWerklocaties.
  • #734: een ontbrekende diepte telt in de zeef als nul meter water.
  • #803: een subsector die de cel niet vastlegt, zoals landbouw, laat de basisjaarwaarneming van bedrijven staan; de vlag LegtCelVast draagt die keuze.
  • #834: de overige categorieën (landbouw, glastuinbouw, recreatie en vliegveld) lezen dezelfde vlag, zodat een gewaslabel op de stand de basisjaarwaarneming niet meer op nul zet.