Stand administratie landgebruik
Terug naar Landgebruikskaart
Het model houdt per cel een stand-administratie van het landgebruik bij, naast de Landgebruikskaart. De kaart zegt in welke kaartklasse een cel valt (LU_NL2120, samengevat in LU_Hoofdklasse); de stand-administratie zegt zo precies als de bronnen toelaten wat er ligt, en sinds wanneer. De kaart wordt uit de stand afgeleid, zie Landgebruikskaart NL2120.
Drie woorden
Grondgebruik of bodemgebruik is de bodemstatistiek van het CBS (gg_CBS, SourceData/Grondgebruik/BBG): een functietoekenning per terreineenheid, waar is dit terrein voor. Landbedekking is het Landelijk Grondgebruiksbestand (LGN): wat groeit of ligt hier, op 25 meter uit teledetectie. Landgebruik is wat het model per cel bijhoudt, de kaart en de stand-administratie. De drie beantwoorden verschillende vragen en zijn niet in elkaars plaats te gebruiken.
Het type per cel
LandgebruikType (Classifications/Grondgebruik/Landgebruik.dms) is de unie van drie classificaties, in volgorde van voorrang:
- de 84 natuurbeheertypen van de Index Natuur en Landschap (
INL_Beheertype), voor cellen die natuur of water zijn; - vijftien stabiele landbouwtypen (
LandbouwType: grasland, bouwland, mais, bollen, boomkwekerij, fruit, glastuinbouw, vollegrondstuinbouw, riet en paludicultuur, enzovoort), geaggregeerd uit de gewascode van de BRP en anders uit LGN; - de 51 klassen van LGN zelf, voor bebouwing, infrastructuur en alles wat geen beheertype of landbouwtype heeft.
De landbouwtypen zijn geen gewassen, want de BRP registreert het gewas van een jaar en de rotatie zit in de bron; de typen liggen decennia op dezelfde plek. Aan het type hangen de kentallen als kolommen: de koolstofklasse, de veenkentallen en methaan van team Veen, de NDVI-band en de vlaggen natuur, water en bebouwd. Een indicator hoeft dus niet via de kaartklasse of LGN te vertalen.
De basiskaart
BaseData/StartState/Landgebruik maakt het type van het basisjaar. LGN beslist de categorie (water, natuur, landbouw, bebouwd), de andere bronnen verbijzonderen erbinnen:
- Op natuur en water geeft de beheertypenkaart het type: de kaart die
ModelParameters/Natuur/Beheertype_Basisjaar_Bronaanwijst, het Natuurbeheerplan van de provincies (SourceData/Grondgebruik/NBP) of de MNP-planpotentieelkaart, aangevuld met de andere van de twee en daarna met een heuristiek (water uit de functieklassen van de bodemstatistiek, begroeiing uit LGN, met een natte lezing op veen en moerige grond volgens BOFEK). Een type dat de categorie van LGN omdraait wordt niet overgenomen: geen terrestrisch beheertype op een cel die LGN als open water ziet, geen watertype op begroeiing. Dat isBeheertype_Bron_Passend; zonder die toets zou open water het beheertype van het omliggende reservaat krijgen, want de kaarten tekenen een reservaat als een vlak over de plas heen. Riet, moerasbos en natuurlijk beheerd grasland, die LGN op de grens zet, krijgen alleen een beheertype als een van de twee kaarten het geeft en blijven anders landbouw. Op agrarisch en overig grasland telt alleen het Natuurbeheerplan: een beheertype daar is een provinciale vaststelling en dus reden om de cel natuur te noemen, terwijl de planpotentieelkaart op grasland juist haar plan neerlegt, en een plan hoort niet in het basisjaar. - Op landbouw geeft de BRP het type, per perceel, en LGN waar geen perceel is opgegeven. Een perceel dat over een erf of een bos heen is ingetekend maakt daar geen landbouw van.
- Bebouwing en infrastructuur komen uit LGN.
Doorgifte per zichtjaar
Landgebruik/Type en Landgebruik/JaarVerandering zijn standvariabelen (Classifications/Actor/LandgebruikK), naar het patroon van de windvariabelen: geen sector, geen claim, geen allocatie, alleen doorgifte. Ze worden per zichtjaar als tif weggeschreven en in het volgende zichtjaar teruggelezen. In het eerste zichtjaar landt de exogene oplegging in de stand: elke cel die een beheertype of een landbouwtype opgelegd krijgt, krijgt dat type met het zichtjaar als jaar van verandering. De oplegging toetst daarvoor tegen de stand of zij iets verandert; water op een cel die al water is en natuur op een cel die al natuur is boeken geen verandering, behalve in het veen, waar de levering een eindtoestand beschrijft. Zie Uitwerking natuur voor de oplegging zelf. Daarna wordt het type alleen doorgegeven. Het wordt niet gewist als een cel wordt bebouwd; Subsector_rel zegt wie de cel bezet, en het jaar van verandering wordt het zichtjaar waarin de allocatie de cel neemt. De basisjaartifs dragen een fingerprint, zie Ontkoppelde bestanden.
De landgebruikskaart en de stand
De landgebruikskaart wordt uit de stand afgeleid en niet ernaast opgebouwd. Templates/Indicatoren/Landgebruikskaart leest per cel het type en de sector die de cel bezet, en zet daar de voorrangsregel tussen de bebouwde functies en de verhardingsklassen van de sectoren overheen. Wat het model zelf bouwt komt uit Subsector_rel in de stand; wat er in het basisjaar al stond komt uit LGN, waar klasse 18 wonen is en klasse 19 werken. Kaart en stand zijn zo een en dezelfde bron, en de natuuroplegging toetst maar een keer of een levering iets nieuws is, tegen de stand.
Wie de stand leest
- De koolstofboekhouding (Carbon Storage and Sequestration): de koolstofklasse van het type, in het basisjaar en in elk zichtjaar; het componentkental van team Veen alleen waar de veenlevering natte teelt of vernat grasland heeft opgelegd.
- De methaanindicator en de SOMERS-veenoxidatie (CO2 uitstoot veengebieden): stedelijk en water uit het type en de sector in de stand.
- De groenindex voor de mortaliteit: de NDVI-band van het type, alleen waar het type sinds het basisjaar is veranderd.
- De hedonische groenwaardering (Woningwaarde agv groenveranderingen): de vlaggen natuur en water op de LGN-klasse achter het type, waar het type sinds het basisjaar is veranderd.
- De Landgebruikskaart NL2120: het volledige type van elke cel die geen sector bezet, dus het beheertype van bestaande en opgelegde natuur, het landbouwtype en de LGN-klasse.
Wat naast de stand blijft staan
De bodemstatistiek van het CBS blijft naast de stand bestaan, in BaseData/StartState/Bodemstatistiek, en niet erin. Zij levert wat LGN niet kan leveren, functie in plaats van bedekking: de vlaggen woonlocatie, werklocatie, groot water, groen, bouwterrein en exogeen grondgebruik (infrastructuur en begraafplaatsen, die buiten de allocatie en de oplegging blijven). Aan het pad is zo te zien welke bron een lezer gebruikt. De BGT dekt als vervanging maar een klein deel van het exogene schild, omdat zij de rijbaan als object kent en niet de wegzone met bermen en knooppunten; welke lezers daarom op de bodemstatistiek blijven staan is in #781 geïnventariseerd.
Verantwoording
De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.
- #751: de stand-administratie zelf, het type per cel als unie van beheertypen, landbouwtypen en LGN-klassen, de twee standvariabelen en de oplegging als stroom die in de stand landt.
- #776: het Natuurbeheerplan van de provincies als beheertypenkaart van het basisjaar, ook op agrarisch en overig grasland.
- #781: de bodemstatistiek is geen basiskaart meer en blijft alleen voor de functievlaggen.
- #783: de basiskaart op LGN, de landgebruikskaart als afgeleide van de stand, en het vijftiende landbouwtype voor de vollegrondstuinbouw.
- #803: de kaart bouwt zichzelf op uit de stand in plaats van uit een eigen kaartklasse per cel, en de landbouwallocatie leest haar gewas rechtstreeks uit de BRP en LGN.