Carbon Storage and Sequestration
Terug naar Effectmodules en indicatoren
Deze indicator schat de hoeveelheid koolstof die in het landschap ligt opgeslagen (opslag) en de verandering daarvan tussen zichtjaren (vastlegging). De kentallen komen uit een koolstoftabel die Deltares heeft aangeleverd (#483). De indicator staat per casus en per zichtjaar onder /Indicatoren/<casus>/Zichtjaren/<jaar>/CarbonStorageSequestration, met de berekening in Templates/Indicatoren/CarbonStorageSequestration_T.dms; de parameters staan in ModelParameters/Koolstof.
Opslag is de staande koolstofvoorraad van een cel in een bepaald jaar, uitgedrukt in ton koolstof per hectare. Vastlegging is het verschil in opslag tussen twee opeenvolgende zichtjaren, waarbij een positieve waarde netto opname is en een negatieve waarde netto uitstoot. De resultaten worden gerapporteerd als CO2 door koolstof te vermenigvuldigen met 44/12.
Concept en rekenregels
Elke landgebruiksklasse heeft een jaarlijkse opbouwsnelheid van koolstof (Cseq, ton C per hectare per jaar) en een maximale voorraad die de klasse kan vasthouden (Cmax, ton C per hectare). De voorraad van een cel ontwikkelt zich in de tijd op basis van het landgebruik en de verstreken tijd, begrensd door dat maximum.
Die opbouwsnelheid beschrijft een overgang en geen basispad. De rekenregel die Deltares heeft aangeleverd vermenigvuldigt de opbouw met het aantal jaren sinds de landgebruiksverandering, dus de klok begint pas te lopen als er iets verandert. Het model doet dat ook: een cel legt alleen vast als haar carbonklasse sinds het basisjaar is veranderd, als er een ontwikkelpakket op is gealloceerd, of als er in het kentalregime voor veen (zie Veen en de relatie met SOMERS) een veenvormende klasse op veenbodem ligt, want die bouwt ook zonder klassewisseling nieuw veen op. Een cel die niet verandert groeit niet: het gat tussen haar gemeten bodemvoorraad en het klassemaximum is daar een verschil in afbakening en geen groeiruimte, zie Aannames en te bevestigen punten.
De startvoorraad in het basisjaar
De voorraad in het basisjaar komt uit de bodemkoolstofkaart van de Atlas Natuurlijk Kapitaal (SourceData/Bodem/BodemKoolstofvoorraad, bronhouder Alterra/WUR, aangeleverd vanuit Deltares). Die kaart geeft de koolstofvoorraad in de bovenste 30 centimeter bodem in ton C per hectare, gemaakt door de Basiskaart Natuur 2004 te combineren met de bodemkaart 1:50.000 en per combinatie van hoofdbodemgroep en landgebruikstype een gemiddelde uit de Landelijke Steekproef Kaarteenheden te bepalen. De kaart wordt gelezen op haar eigen resolutie van 25 meter, gelijk aan het rekenraster. Waar de bron geen waarde heeft, wordt nul aangehouden. De hoogste voorraden liggen in de veengebieden, de laagste op zand.
De startvoorraad is de kaartwaarde, onbegrensd. Begrenzen op het klassemaximum van het basisjaar zou een grote eenmalige afboeking in het eerste zichtjaar geven, want de kaart ligt op ongeveer tweederde van het areaal boven dat maximum: de kaart meet de bodemvoorraad in de bovenste 30 centimeter, terwijl het maximum uit de kengetallentabel bodem en begroeiing samen beschrijft. Bij nul beginnen zou van de vastlegging een bovengrens maken, want in werkelijkheid zit er al koolstof in bodem en begroeiing. Een parameter in ModelParameters/Koolstof hoort bij deze stap:
| Parameter | Standaard | Betekenis |
|---|---|---|
Koolstof_MaxSrc | Cmax_ha_invest | Welke kolom uit de Deltares-tabel het klassemaximum levert: kolom D (InVEST) als Cmax_ha_invest, of kolom E (Naturescot en WUR) als Cmax_ha_WUR. Beide kolommen staan in de tabel naast elkaar. |
De ontwikkeling per zichtjaar

Voor elk volgend zichtjaar volgt de nieuwe voorraad uit de vorige, de opbouwsnelheid, de tijd die als aanwas meetelt en de oxidatievraag van de periode:
LegtVast = klasse veranderd sinds basisjaar, of ontwikkelpakket gealloceerd,
of veenvormende klasse op veenbodem in het kentalregime
Aanwasduur = LegtVast
? (klasse veranderde in deze periode ? deel * periode : periode)
: 0
Groei = min(voorraad_vorig + Cseq * Aanwasduur, Cmax)
NaGroei = oxidatie_actief ? voorraad_vorig : max(Groei, voorraad_vorig)
Oxidatievraag = SOMERS op de veenweidepercelen, emissiefactor op het veen daarbuiten,
of veenkental in het kentalregime (per cel een van de drie)
UitReserve = min(oxidatievraag, veenreserve_vorig)
Ondergrens = min(minerale ondergrens, startvoorraad van de cel)
UitVoorraad = min(oxidatievraag - UitReserve, max(NaGroei - Ondergrens, 0))
NaOxidatie = NaGroei - UitVoorraad
RuimteNeemtAf = Cmax < Cmax_vorig en Cmax < voorraad_vorig en klasse mag afboeken
Voorraad = RuimteNeemtAf ? min(Cmax, NaOxidatie) : NaOxidatie
Veenreserve = veenreserve_vorig - UitReserve
Vastlegging = (Voorraad - voorraad_vorig) + (Veenreserve - veenreserve_vorig)
De aanwasduur staat als Zichtjaar/Carbon/Aanwasduur in het sjabloon. Er is geen teller per cel nodig om vanaf de verandering te tellen: de carbonklasse wordt door de keten van zichtjaren meegedragen, dus zodra een cel is veranderd blijft dat zo en telt de aanwas vanzelf periode voor periode door vanaf dat moment. Twee parameters in ModelParameters/Koolstof sturen hem:
| Parameter | Standaard | Betekenis |
|---|---|---|
Koolstof_VastleggingsdeelInWisselperiode | 0,5 | Welk deel van de periode meetelt in het zichtjaar waarin de klasse wisselt. De verandering valt gemiddeld halverwege, dus de helft. Op 1 telt de volle periode, wat neerkomt op de aanname dat de verandering aan het begin viel. Dat maakt vooral in het eerste allocatiezichtjaar uit, want de eerste periode is langer dan een decennium wanneer het basisjaar en het eerste zichtjaar meer dan tien jaar uit elkaar liggen. |
Koolstof_KlassenAanvullen | TRUE | Geef de LGN-klassen die in de tabel van Deltares ontbreken alsnog een koolstofklasse. Zonder die aanvulling doet zo’n cel aan geen enkele kant mee, en ziet de poort hierboven ook een echte landgebruiksverandering niet. Zie de paragraaf Landgebruik in een zichtjaar. |
De regel max(Groei, voorraad_vorig) zorgt ervoor dat de voorraad zonder afboeking en zonder oxidatie niet kan dalen. Waar de startvoorraad boven het maximum van de klasse ligt en het landgebruik gelijk blijft, blijft de voorraad staan en is de vastlegging nul. De volgorde in de regels hierboven is niet vrijblijvend: eerst groeien, dan oxideren, en de vastlegging bevriezen waar oxidatie loopt. Zonder die bevriezing zou de oxidatie ruimte onder het klassemaximum vrijmaken en zou juist de cel waarvan SOMERS zegt dat het veen wegoxideert vastlegging toegekend krijgen.
Afboeken gebeurt alleen bij een landgebruiksverandering naar een klasse met een lager maximum, bijvoorbeeld van natuur naar verhard stedelijk oppervlak. Ook afboeken waar de voorraad al boven het maximum van de eigen klasse lag zou met een startvoorraad uit de kaart een grote eenmalige afboeking in het eerste zichtjaar geven. Bovendien moet de nieuwe klasse de bodem daadwerkelijk afdekken of afgraven. Bij een verandering van alleen de begroeiing, zoals landbouwgrasland dat rietmoeras wordt, blijft de bodemkoolstof zitten; zonder die eis zou de afboeking daar toch vuren, want de startvoorraad is de bodem in de bovenste 30 centimeter en het klassemaximum een totaal van bodem en biomassa. Welke klassen de bodem afdekken staat in de kolom Mag afboeken in de tabel onder Koolstofwaarden per landgebruiksklasse. Cellen met een ontwikkelpakket dragen een stedelijke sector en daarmee de klasse Dichtbebouwd, waardoor het afboeken daar vanzelf is toegestaan.
In het basisjaar is de periode nul: daar staat alleen de startvoorraad en is er nog geen tijd verstreken.
De veenreserve en de afschrijving uit SOMERS
CO2 uitstoot veengebieden rapporteert de veenoxidatie uit SOMERS als jaarlijkse stroom. Die oxidatie schrijft hier daadwerkelijk van de voorraad af. Zonder die koppeling zouden twee boekhoudingen dezelfde koolstof beschrijven: de stroom zou verdwijnen terwijl de voorraad onaangeroerd bleef, en bij een landgebruiksverandering zou diezelfde koolstof alsnog in zijn geheel worden afgeboekt.
Dat kan niet zonder een tweede pool. De bodemkoolstofkaart geeft de bovenste 30 centimeter, terwijl SOMERS de hele gedraineerde veenkolom laat oxideren. Die twee rechtstreeks tegen elkaar boeken zou de voorraad op de veenweidepercelen binnen de modelhorizon leegtrekken, waarna de varianten niet meer van elkaar verschillen. Daarom draagt elke cel naast de voorraad uit de kaart een veenreserve: de koolstof onder die bovenste 30 centimeter, afgeleid uit de veendikte uit GeoTOP (SourceData/Landbouw/Peat_thickness). De reserve is de dikte boven 30 centimeter maal 10.000 kubieke meter per hectare maal de organischestofdichtheid maal de koolstoffractie. Dat is uitdrukkelijk niet de droge bulkdichtheid van het veen, want daar zit de minerale fractie in. Met een organischestofdichtheid van 0,103 ton per kubieke meter en een koolstoffractie van 0,5 komt de reserve op 515 ton C per hectare per meter veen; beide kentallen komen uit Erkens et al. (2016, Hydrogeology Journal), de publicatie die Deltares daarvoor heeft aangewezen en die naast dat gemiddelde ook een minimum- en een maximumscenario van 0,080 en 0,150 geeft. De bron kent lang niet overal een dikte toe: Flevoland valt buiten GeoTOP, en op een groot deel van de moerige gronden ontbreekt een waarde. Waar de bron niets geeft is de reserve nul. De kaart heeft geen nulwaarden, dus ontbreken betekent daar niet gekarteerd of niet aanwezig. De kaart ligt bovendien op 250 meter en wordt op het rekenraster van 25 meter gelezen, dus de dikte is per blok van 6,25 hectare bepaald.
De reserve wordt niet overal gevuld waar GeoTOP veen ziet, want GeoTOP telt ook begraven veen mee dat niet oxideert. Zij wordt gevuld op de veen- en moerige gronden van BOFEK2020, en daarnaast op de veenweidepercelen waarop SOMERS rekent, ook waar de bodemkaart die niet als veen aanwijst (Veenreserve/DraagtReserve). Het argument over begraven veen gaat immers niet op waar de emissiekant zelf zegt dat de cel oxideert; daar hoort een pool tegenover de vraag te staan, en zo beschrijven de twee kanten van de balans hetzelfde gebied.
De reserve is niet begrensd op de gemiddeld laagste grondwaterstand van het basisjaar, al treedt oxidatie alleen boven de grondwaterstand op zolang het peil niet daalt. Die voorwaarde geldt niet op een horizon van een eeuw. Bij een gehandhaafde drooglegging zakt het maaiveld door oxidatie en klink en zakt het peil mee, zodat de aerobe zone als een schijf van vaste dikte door de kolom naar beneden migreert. Noem de schijfdikte g, de veendikte D en de cumulatieve maaivelddaling S: de onderkant van de zone staat dan op g plus S en de nog beschikbare reserve is min(D, g+S) min 0,30 min S, wat over de hele reeks neerkomt op D min 0,30. Een grens die met het maaiveld meebeweegt is dus cumulatief identiek aan geen grens. De reserve is daarom de hele veenkolom onder de bovenste 30 centimeter. De veenbasis uit GeoTOP is de grens, en die is zelfterminerend: onder het veen valt niets meer te oxideren.
Daarmee betegelen de twee pools de kolom precies: de bodemkoolstofkaart dekt 0 tot 0,30 meter en de reserve 0,30 meter tot de veenbasis, zonder gat en zonder overlap.
De oxidatievraag van een periode (Oxidatie/Vraag_Totaal_ha) telt drie posten op die elkaar per cel uitsluiten. Op de veenweidepercelen is dat de oxidatie die SOMERS rapporteert, in de emissievariant die Koolstof_SOMERSEmissieVariant aanwijst en als emissie na landgebruiksverandering (NaLUC), omdat die al nul is waar het landgebruik stedelijk of water is geworden en de oxidatie daar ook hoort op te houden. SOMERS telt alleen op cellen waar de ondergrondkaart een veenpakket geeft: zonder veenpakket is er geen voorraad die kan oxideren, en de uitstoot die SOMERS daar rapporteert wordt niet geboekt, anders loopt de uitstoot een eeuw lang door op een voorraad die er niet is (#793). Op de veen- en moerige gronden buiten de veenweidepercelen boekt het model een vaste emissiefactor per bodemtype (BuitenSOMERS, met Koolstof_EF_Veen_tonCO2_ha_jaar en Koolstof_EF_Moerig_tonCO2_ha_jaar). Die factor hangt niet aan de grondwaterstand en verzet daarmee het niveau van de balans en niet het verschil tussen varianten; hij valt weg waar het landgebruik water of een veenvormende klasse wordt, en met Koolstof_EFStedelijkOpNul aan ook op bebouwing. In het kentalregime voor veen (zie Veen en de relatie met SOMERS) vervangt het kental van team Veen de SOMERS-stroom op de hele veenbodem (VeenKental).
De oxidatie wordt eerst uit de reserve betaald en pas daarna uit de voorraad zelf. Wat geen van beide kan dekken heet ongedekte oxidatie: daar rapporteert de emissiekant uitstoot terwijl er geen koolstof meer tegenover staat. Dat getal staat per periode als Stock/Ongedekt_StGebied en cumulatief sinds het basisjaar als Stock/Ongedekt_Cumulatief_StGebied, allebei in Mton C, en als kaart Write_CO2Ongedekt_Cumulatief en als kolom CO2Ongedekt_Cumulatief in de regionale indicatorentabel. De post is geen tekortkoming van de boekhouding maar de maat voor hoever de statische emissiegetallen en de voorraadbalans uit elkaar lopen, en hoort gerapporteerd te worden in plaats van weggewerkt. Op een laat zichtjaar kan hij groot genoeg zijn om de leesbaarheid van het saldo te bepalen, dus lees CO2Flow_TovBasisjaar daar nooit zonder deze kolom ernaast. Naast het saldo staat als ondergrens dezelfde grootheid met de ongedekte post als verlies meegeteld (CO2Flow_TovBasisjaar_InclOngedekt); dat is uitdrukkelijk niet de indicator, want veen dat er niet ligt oxideert niet.
De afschrijving uit de bovenste 30 centimeter stopt bij een minerale ondergrens en niet bij nul. Aerobe oxidatie van een veenbovengrond eindigt in een moerige eerdgrond of een humeuze zandgrond, niet in koolstofvrij materiaal, en er staat gras op dat jaarlijks wortels en strooisel inbrengt. De grens bijt alleen op de oxidatie en niet op de afboeking bij een landgebruiksverandering, want bij bebouwen of afgraven verdwijnt de bodem wel degelijk. Wat de afschrijving door de grens niet opneemt, verschuift een op een naar de ongedekte post: de som van de twee verandert er niet van, wat de grens doet is dat de gerapporteerde eindkaart een bodem beschrijft die kan bestaan. Een IntegrityCheck op Stock/Balansverschil toetst of wat er van reserve en voorraad af gaat plus het ongedekte deel precies gelijk is aan de oxidatievraag van dezelfde periode, en een tweede check bewaakt dat de voorraad nooit negatief wordt en dat er nergens tegelijk wordt geoxideerd en vastgelegd.
De gerapporteerde voorraad is de som van beide pools; de verandering tussen basisjaar en zichtjaar is het getal waar het om gaat. Beide pools staan ook apart, als Stock_Bovenlaag en Stock_Veenreserve.
| Parameter | Standaard | Betekenis |
|---|---|---|
Koolstof_SOMERSEmissieVariant | Mediaan | Welke SOMERS-emissievariant de boekhouding voedt: Minimum, Mediaan of Maximum. De emissie-indicator rapporteert alle drie, de voorraad kan er maar een verwerken. |
Koolstof_MineraleOndergrens_tonC_ha | 75 | De koolstofvoorraad die in de bovenste 30 centimeter achterblijft als de veenbovengrond volledig is geoxideerd, in ton C per hectare, begrensd op de eigen startvoorraad van de cel. Het getal volgt uit twee onafhankelijke wegen: 3.000 kubieke meter per hectare maal een bulkdichtheid van 1,25 ton per kubieke meter maal 4 procent organische stof maal een koolstoffractie van 0,5, en het vijfde tot tiende percentiel van de bodemkoolstofkaart voor agrarisch grasland op zand, dat op 71 tot 77 ton C per hectare ligt. |
Koolstof_VeenOrganischeStofdichtheid | 0,103 | Dichtheid van de organische stof in veen in ton per kubieke meter, uitdrukkelijk niet de droge bulkdichtheid van het veen. Onderbouwd met de publicatie die Deltares heeft aangewezen, die ook een minimum- en een maximumscenario van 0,080 en 0,150 geeft. |
Koolstof_VeenKoolstoffractie | 0,5 | Massafractie koolstof in de organische stof van veen. Bevestigd door diezelfde publicatie, die daarmee op een koolstofdichtheid van 52 kg per kubieke meter uitkomt. |
Koolstof_VeenVastleggingUitBouwstenen | TRUE | Gebruik in de varianten met IsNbSVariant de veenkentallen van team Veen voor de veenvormende klassen op veen- en moerige bodem en op de veenweidepercelen, met hun verhoogde maximum, en vervang daar de SOMERS-stroom door het kental. |
Koolstof_EF_Veen_tonCO2_ha_jaar | 13 | Emissiefactor voor gedraineerd veen buiten de veenweidepercelen, in ton CO2 per hectare per jaar: de waarde van bouwsteen 1 uit de veenlevering, op aanwijzing van Deltares (#793). |
Koolstof_EF_Moerig_tonCO2_ha_jaar | 11,96 | Idem voor de moerige gronden, uit de emissiefactorentabel van Deltares (EF_low_nl_2025.csv). Dat de moerige gronden hoger staan dan de veengronden is wat die tabel zegt. |
Koolstof_EFStedelijkOpNul | FALSE | Houd bestaand stedelijk gebied op veen buiten de veenweidepercelen op nul uitstoot (TRUE), of pas de emissiefactor ook daar toe (FALSE)? De emissiefactorentabel geeft panden, erven en stedelijk groen op veen dezelfde factor als de percelen; of dat de bedoeling is ligt als vraag bij Deltares (#632). |
Koolstof_KentalUitBouwsteencomponent | TRUE | Krijgen natte teelt en vernat grasland uit de veenlevering het kental van hun eigen bouwsteencomponent (TRUE), of dat van de koolstofklasse waarin hun landgebruik valt (FALSE)? Alleen binnen het kentalregime. Welke van de twee de bedoeling is ligt als vraag bij Deltares (#778). |
Koolstofwaarden per landgebruiksklasse
De carbonklassen en hun waarden volgen de Deltares-tabel (Carbon_stock_RuimtescannerFIN.xlsx). Het klassemaximum komt uit kolom D, de InVEST-waarden; kolom E (Naturescot en WUR) staat ernaast en is met Koolstof_MaxSrc te kiezen. Het verschil tussen beide is groot en juist bij veen bepalend: hoogveen staat in kolom D op 930 en in kolom E op 200 ton C per hectare, en verhard oppervlak op 3 tegen 0. De kolom Mag afboeken zegt of een verandering naar deze klasse de bestaande bodemvoorraad mag afboeken. Droge heide, begroeide duinen en kale grond in natuurgebied staan daar op nee: natuurontwikkeling begint volgens Deltares niet met plaggen of ontgronden, de verlanding ontstaat vanaf de oorspronkelijke bodem. De laatste kolommen geven de LGN-klasse waarmee elke carbonklasse correspondeert, en vormen de basis voor de vertaling van de LGN-klassen in de stand-administratie.
| CC | Carbonklasse (Deltares) | Cseq C/ha/jr | Cmax D (InVEST, in gebruik) | Cmax E (Naturescot en WUR) | Mag afboeken | LGN-code | LGN-klasse |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | Primaire wegen & spoorwegen | 0 | 3 | 0 | ja | 251 | hoofdinfrastructuur en Spoorbaanlichamen |
| 2 | Secundaire wegen | 0 | 4 | 0 | ja | 252 | halfverharde wegen / langzaam verkeer |
| 3 | Overige wegen/ondoorlatende spoorlijnen | 0 | 6 | 0 | ja | 253 | smalle wegen |
| 4 | Glastuinbouw | 0 | 15 | 0 | ja | 8 | Glastuinbouw |
| 5 | Dichtbebouwde stedelijke gebieden | 0 | 15 | 0 | ja | 18 | bebouwing in primair bebouwd gebied |
| 6 | Voorstadsbebouwing (suburbaan) | 0 | 33 | 0 | ja | 19 | bebouwing in secundair bebouwd gebied |
| 7 | Bebouwing in buitengebied | 0 | 28 | 0 | ja | 26 | bebouwing in buitengebied |
| 8 | Zonneparken | 0 | 18 | 0 | nee | 29 | zonneparken |
| 9 | Bos in primair bebouwd gebied (loofbos) | 1.8 | 225 | 200 | nee | 20 | bos in primair bebouwd gebied |
| 10 | Bos in primair bebouwd gebied (naaldbos) | 0.5 | 192 | 200 | nee | 20 | bos in primair bebouwd gebied |
| 11 | Bos in primair bebouwd gebied (gemengd) | 1.1 | 207 | 200 | nee | 20 | bos in primair bebouwd gebied |
| 12 | Kleine bospercelen in bebouwd gebied | 1.1 | 166 | 200 | nee | 22 | bos in secundair bebouwd gebied |
| 13 | Kale grond in bebouwd gebied | 0 | 6 | 0 | ja | 27 | overig Grondgebruik in buitengebied |
| 14 | Gras in primair bebouwd gebied | 0.18 | 57 | 75 | ja | 23 | gras in primair bebouwd gebied |
| 15 | Gras in secundair bebouwd gebied | 0.18 | 68 | 75 | ja | 28 | gras in secundair bebouwd gebied |
| 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) | 0 | 2 | 0 | nee | 16 | zoet water |
| 17 | Kleine zoetwater (sloten/poelen) | 0 | 6 | 0 | ja | 16 | zoet water |
| 18 | Riet en watervegetatie | 0 | 55 | 50 | nee | 42 | rietvegetatie |
| 19 | Kust-/estuariumwater | 0 | 3 | 0 | nee | 17 | zout water |
| 20 | Zilte schorren / brakgetijdenvlakten | 1.5 | 123 | 63 | nee | 30 | kwelders |
| 21 | Getijdengeulen / begroeide platen | 1.5 | 72 | 15 | nee | 30 | kwelders |
| 22 | Hoogveen (veenmoeras) | 0.22 | 930 | 200 | nee | 39 | hoogveen |
| 23 | Bos in hoogveengebied | 1.1 | 467 | 200 | nee | 40 | bos in hoogveengebied |
| 24 | Tijdelijk agrarisch grasland | 0.18 | 83 | 75 | nee | 1 | agrarisch gras |
| 25 | Permanent agrarisch grasland | 0.18 | 111 | 75 | nee | 1 | agrarisch gras |
| 26 | Overig agrarisch grasland / weiland | 0.18 | 90 | 75 | nee | 47 | overig gras |
| 27 | Mais | 0 | 55 | 50 | nee | 2 | mais |
| 28 | Aardappelen | 0 | 38 | 50 | nee | 3 | aardappelen |
| 29 | Suikerbieten | 0 | 46 | 50 | nee | 4 | bieten |
| 30 | Wintergranen | 0 | 42 | 50 | nee | 5 | granen |
| 31 | Zomergranen | 0 | 35 | 50 | nee | 5 | granen |
| 32 | Peulvruchten | 0 | 39 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 33 | Koolzaad (raapzaad) | 0 | 42 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 34 | Uien / lage bladgroenten | 0 | 28 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 35 | Wortel- en knolgewassen | 0 | 33 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 36 | Industriele akkerbouwgewassen | 0 | 39 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 37 | Vollegrondsgroenten | 0 | 41 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 38 | Overige akkerbouwgewassen | 0 | 39 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 39 | Bloembollen | 0 | 28 | 50 | nee | 10 | bloembollen |
| 40 | Boomkwekerij / sierbomen | 0.92 | 128 | 125 | nee | 61 | boomkwekerijen |
| 41 | Fruitbomen / boomgaarden | 0.92 | 117 | 125 | nee | 9 | Boomgaarden |
| 42 | Overige tuinbouw | 0 | 59 | 50 | nee | 6 | overige Landbouwgewassen |
| 43 | Kale landbouwgrond / braak | 0 | 15 | 0 | nee | 27 | overig Grondgebruik in buitengebied |
| 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) | 1.8 | 275 | 200 | nee | 11 | loofbos |
| 45 | Naaldbos | 0.5 | 238 | 200 | nee | 12 | naaldbos |
| 46 | Gemengd bos | 1.1 | 256 | 200 | nee | 11 | loofbos |
| 47 | Droge heide | 0.19 | 53 | 100 | nee | 36 | heide |
| 48 | Struikgewas / kreupelhout | 0.18 | 80 | 87 | nee | 323 | overige struikvegetatie (laag) |
| 49 | Duinen (begroeid) | 0 | 36 | 28 | nee | 32 | duinen met lage vegetatie |
| 50 | Kale grond in natuurgebied | 0 | 18 | 0 | nee | 35 | open stuifzand en/of rivierzand |
| 51 | Overig open begroeid natuurgebied | 0.18 | 77 | 75 | nee | 47 | overig gras |
Landgebruik in een zichtjaar
De carbonklasse van een cel komt uit de stand-administratie van het landgebruik, met een voorrangsregel voor gealloceerde sectoren.
Gealloceerde stedelijke cellen gaan voor. Waar de allocatie een sector heeft geplaatst waarvan Classifications/Actor/Sector/IsStedelijk waar is, krijgt de cel de carbonklasse Dichtbebouwde stedelijke gebieden. De toets staat op de stedelijke sectoren en niet op iedere gealloceerde cel: waterberging is de enige gealloceerde sector die niet stedelijk is, en zou landbouw in ModelParameters/SectorAllocRegio worden opgenomen, dan draagt het hele landelijk gebied een subsector en zou heel Nederland als bebouwd de boeken in gaan. Een cel met de gealloceerde sector Waterberging (Classifications/Actor/Sector/IsWaterberging) krijgt de klasse Grote zoetwaterlichamen: die draagt geen opbouw en mag niet afboeken, dus de bodemkoolstof blijft staan, want een bergingsgebied dekt de bodem niet af en graaft hem niet weg.
Alle overige cellen krijgen de carbonklasse van hun landgebruikstype in de stand (LandgebruikType/CarbonClass_rel), in het basisjaar en in elk zichtjaar. Dat type is een natuurbeheertype waar de cel natuur of water is, een landbouwtype waar de cel landbouw is, en anders de LGN-klasse zelf. Nieuwe natuur wordt exogeen opgelegd in plaats van gealloceerd en landt als beheertype in de stand; de koolstofklasse wordt daardoor op beheertype-niveau gelezen via INL_Beheertype, wat het veendetail behoudt (zie de paragraaf Nieuwe natuur vertalen naar carbonklassen). Een landbouwtype draagt zijn eigen klasse, rechtstreeks en niet via LGN, want de koolstoftabel maakt onderscheid dat LGN niet ziet: tijdelijk en permanent agrarisch grasland apart, braak, en loofbos voor bos op landbouwgrond. Bouwland staat uniform op overige akkerbouwgewassen, omdat het gewas per jaar wisselt en de differentiatie per gewas in de tabel daarom niet houdbaar is. Een LGN-klasse wordt vertaald via Classifications/Grondgebruik/CarbonClass_rel.
De LGN-code is in de koolstoftabel niet uniek: negen codes worden door meerdere koolstofklassen geclaimd, met verschillende Cseq en Cmax, zoals agrarisch gras door tijdelijk en permanent agrarisch grasland en overige landbouwgewassen door acht akkerbouwklassen. Welke klasse per LGN-code de standaard is ligt expliciet vast in de kolom IsStandaardVoorLGN, met een IntegrityCheck die afgaat zodra twee standaardklassen naar dezelfde LGN-klasse wijzen, zodat de keuze niet van de rijvolgorde in de tabel afhangt. Welke klasse per LGN-code de juiste is, is een inhoudelijke vraag die bij Deltares en PBL ligt (#657).
Zestien LGN-klassen komen in de koolstoftabel helemaal niet voor. Zonder klasse doet een cel aan geen enkele kant van de boekhouding mee. Dat is niet alleen een gemiste vastlegging: de afboeking toetst op MaximumDaalt, en die vergelijking met het klassemaximum van het basisjaar is bij een lege klasse altijd onwaar, zodat een cel die bebouwd raakt niets afboekt. En omdat de vastlegging aan een klassewisseling hangt, wordt ook die vergelijking leeg en ziet de poort een echte verandering niet.
Classifications/Grondgebruik/CarbonClassAanvulling vult daarom vijftien van de zestien aan; de klasse onbekend blijft leeg. Elke regel neemt de klasse over van de LGN-klasse waar hij een variant van is, dus vergraste heide en duinheide krijgen droge heide, overige moerasvegetatie krijgt riet en watervegetatie, bos in moerasgebied krijgt bos in hoogveengebied, de struikvegetaties krijgen struikgewas en kreupelhout, en fruitkwekerij krijgt fruitbomen en boomgaarden. Er komt dus geen nieuw kental bij. De toewijzingen zijn van Object Vision en niet van Deltares, en staan daarom achter Koolstof_KlassenAanvullen. Vier IntegrityChecks bewaken de tabel; de bruikbaarste valt om zodra er een LGN-jaargang binnenkomt met een klasse die nergens is ondergebracht, in plaats van stil een cel op te leveren die niet meedoet.
Nieuwbouw met een ontwikkelpakket
De regel hierboven zou van elke nieuwbouwcel een volledig verharde cel maken. Dat klopt niet voor de ontwikkelpakketten die het model alloceert: die hebben een bekende inrichting met gras, bomen, struiken en water. Waar een cel een gealloceerd ontwikkelpakket heeft (Stand/OP_rel), komen het maximum en de opbouwsnelheid daarom niet uit één klasse maar uit de naar oppervlakte gewogen samenstelling van het pakket. De zeven subklassen van de pakketinrichting hebben elk een eigen carbonklasse, per inrichtingstype van het pakket (Classifications/Grondgebruik/InrichtingstypeK):
| OP-subklasse | Carbonklasse bij inrichtingstype Stedelijk | Carbonklasse bij inrichtingstype Natuurinclusief |
|---|---|---|
| Gebouwvoetafdruk | Primaire wegen en spoorwegen (3) | idem |
| Verhard | Primaire wegen en spoorwegen (3) | idem |
| Water | Kleine zoetwater, sloten en poelen (6) | Riet en watervegetatie (55) |
| Bruin | Kale grond in bebouwd gebied (6) | idem |
| Gras | Gras in primair bebouwd gebied (57) | idem |
| Boom | Bos in primair bebouwd gebied, naaldbos (192) of loofbos (225) | idem |
| Struik | Struikgewas en kreupelhout (80) | idem |
Tussen haakjes staat Cmax in ton C per hectare, uit kolom D. De boomklasse hangt af van de ligging: op de hoge gronden telt naaldbos, in laag Nederland loofbos. Het verschil zit zowel in het maximum, 192 tegen 225, als in de opbouwsnelheid, 0,5 tegen 1,8 ton C per hectare per jaar. Naaldhout staat in Nederland overwegend op de pleistocene zandgronden en verdraagt een hoge grondwaterstand slechter dan wilg, populier of es, dus loofbos hoort bij de lage delen. Er is ook een gemengde klasse (207 en 1,1) die hier ongebruikt is; die is de neutrale keuze als de splitsing tussen hoog en laag voor aanplant in bebouwd gebied niet te onderbouwen blijkt (#699). Welke cellen hoge grond zijn staat in Beschikbaarheid onder Hoge en lage gronden; die indeling volgt de fysische geografie en niet de overstromingskaart. Bij een NbS-pakket telt het water als riet- en watervegetatie in plaats van als open water, omdat dat water als wadi met begroeide oevers is ingericht.
De pakketinrichting bepaalt dus zowel het maximum als de opbouwsnelheid van een nieuwbouwcel. Een natuurinclusief ingerichte wijk met veel bomen en wadi’s bouwt daardoor koolstof op, terwijl een pakket met vooral gebouw en verharding weinig meer dan een restwaarde overhoudt.
Nieuwe natuur vertalen naar carbonklassen
Nieuwe natuur wordt aangeleverd als beheertypen (INL Index Natuur en Landschap). De vertaling naar carbonklassen gebeurt op beheertype-niveau. De mapping volgt waar mogelijk het LHM-landgebruikstype: loofbos naar Loofbos (44), naaldbos naar Naaldbos (45), expliciete gemengd-bos subtypes naar Gemengd bos (46), open water en vennen naar de zoetwaterklasse (16), kaal zand en strand naar Kale grond in natuurgebied (50), en natuurlijke graslanden en schraallanden (N10 tot en met N13) naar Overig open begroeid natuurgebied (51). De veentypen zijn bewust op de hoge veenwaarden gehouden. Een paar toewijzingen zijn een keuze die in de classificatie kan worden aangepast: vochtige heide (N06.04) is op Droge heide (47) gezet omdat de tabel geen natte-heideklasse heeft, vennen (N06.05 en N06.06) op de zoetwaterklasse omdat hun staande voorraad vrijwel nul is en de veenbodem door SOMERS wordt afgehandeld, wilgengriend (N17.05) op Struikgewas (48), en de omvormingstypen (N00.01 en N00.02) op Kale grond (50) als placeholder omdat die cellen nog geen staande natuurvoorraad zijn.
De volledige vertaaltabel staat hieronder. De koolstofwaarden per doelklasse staan in de tabel in de vorige paragraaf.
| Beheertype | Naam | CC | Carbonklasse |
|---|---|---|---|
| N00.01 | Nog om te vormen naar natuur | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N00.02 | Omvorming - Kwaliteitsimpuls | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N01.01 | Zee en wad | 19 | Kust-/estuariumwater |
| N01.02 | Duin- en kwelderlandschap | 49 | Duinen (begroeid) |
| N01.03 | Rivier- en moeraslandschap | 18 | Riet en watervegetatie |
| N01.04 | Zand- en kalklandschap | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N02.01 | Rivier | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N03.01 | Beek en bron | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N04.01 | Kranswierwater | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N04.02 | Zoete plas | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N04.03 | Brak water | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N04.04 | Afgesloten zeearm | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N05.01 | Moeras (vervallen per 2021) | 18 | Riet en watervegetatie |
| N05.01.02 | Landriet | 18 | Riet en watervegetatie |
| N05.01.03 | Waterriet | 18 | Riet en watervegetatie |
| N05.01.06 | Moerasstruweel | 48 | Struikgewas / kreupelhout |
| N05.01.07 | Moerasloofbos | 23 | Bos in hoogveengebied |
| N05.01.11 | Galigaanmoerassen | 18 | Riet en watervegetatie |
| N05.01.13 | Open zand | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N05.01.14 | Slikkige rivieroever | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N05.02 | Gemaaid rietland | 18 | Riet en watervegetatie |
| N05.03 | Veenmoeras | 22 | Hoogveen (veenmoeras) |
| N05.04 | Dynamisch moeras | 18 | Riet en watervegetatie |
| N06.01 | Veenmosrietland en moerasheide | 22 | Hoogveen (veenmoeras) |
| N06.02 | Trilveen | 22 | Hoogveen (veenmoeras) |
| N06.03 | Hoogveen | 22 | Hoogveen (veenmoeras) |
| N06.04 | Vochtige heide | 47 | Droge heide |
| N06.05 | Zwakgebufferd ven | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N06.06 | Zuur ven of hoogveenven | 16 | Grote zoetwaterlichamen (meren) |
| N07.01 | Droge heide | 47 | Droge heide |
| N07.02 | Zandverstuiving | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N08.01 | Strand en embryonaal duin | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N08.02 | Open duin | 49 | Duinen (begroeid) |
| N08.02.01 | Zeereep en strand | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N08.02.02 | Stuivend duinzand | 50 | Kale grond in natuurgebied |
| N08.02.03 | Witte duinen | 49 | Duinen (begroeid) |
| N08.02.07 | Droog duingrasland kalkrijk | 49 | Duinen (begroeid) |
| N08.02.08 | Droog duingrasland kalkarm | 49 | Duinen (begroeid) |
| N08.02.11 | Duinstruweel | 48 | Struikgewas / kreupelhout |
| N08.02.15 | Duingrasland | 49 | Duinen (begroeid) |
| N08.03 | Vochtige duinvallei | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N08.04 | Duinheide | 47 | Droge heide |
| N09.01 | Schor of kwelder | 20 | Zilte schorren / brakgetijdenvlakten |
| N10.01 | Nat schraalland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N10.02 | Vochtig hooiland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N11.01 | Droog schraalgrasland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N12.01 | Bloemdijk | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N12.02 | Kruiden- en faunarijk grasland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N12.03 | Glanshaverhooiland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N12.04 | Zilt- en overstromingsgrasland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N12.05 | Kruiden- en faunarijke akker | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N12.06 | Ruigteveld | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N13.01 | Vochtig weidevogelgrasland | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N13.02 | Wintergastenweide | 51 | Overig open begroeid natuurgebied |
| N14.01 | Rivier- en beekbegeleidend bos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N14.02 | Hoog- en laagveenbos | 23 | Bos in hoogveengebied |
| N14.03 | Haagbeuken- en essenbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N15.01 | Duinbos | 45 | Naaldbos |
| N15.01.01 | Duinbos – gemengd bos | 46 | Gemengd bos |
| N15.01.02 | Duinbos – loofbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N15.01.03 | Duinbos – naaldbos | 45 | Naaldbos |
| N15.02 | Dennen-, eiken- en beukenbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N15.02.01 | – gemengd bos | 46 | Gemengd bos |
| N15.02.02 | – loofbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N15.02.03 | – naaldbos | 45 | Naaldbos |
| N16.01 | Droog bos met productie (vervallen) | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N16.01.01 | – gemengd | 46 | Gemengd bos |
| N16.01.02 | – loofbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N16.01.03 | – naaldbos | 45 | Naaldbos |
| N16.02 | Vochtig bos met productie (vervallen) | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N16.03 | Droog bos met productie | 45 | Naaldbos |
| N16.03.01 | – gemengd bos | 46 | Gemengd bos |
| N16.03.02 | – loofbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N16.03.03 | – naaldbos | 45 | Naaldbos |
| N16.04 | Vochtig bos met productie | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N16.04.01 | – gemengd bos | 46 | Gemengd bos |
| N16.04.02 | – loofbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N16.04.03 | – naaldbos | 45 | Naaldbos |
| N17.01 | Vochtig hakhout en middenbos (vervallen) | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N17.02 | Droog hakhout | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N17.03 | Park- en stinzenbos | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N17.04 | Eendenkooi | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
| N17.05 | Wilgengriend | 48 | Struikgewas / kreupelhout |
| N17.06 | Vochtig en hellinghakhout | 44 | Loofbos (natuur/produktiebos) |
Berekening van opslag en vastlegging
De berekening staat in het sjabloon CarbonStorageSequestration_T, dat per zichtjaar wordt geïnstantieerd. De lengte van de periode komt uit de Zichtjaar-classificatie; hoeveel daarvan als aanwas meetelt staat per cel in Carbon/Aanwasduur. Per cel worden een maximum (Carbon/Stock/Max_ha) en een opbouwsnelheid (Carbon/Max/Totaal/Flow_ha_jaar) bepaald, uit de carbonklasse of, bij een ontwikkelpakket, uit de samenstelling van dat pakket. Daarna volgt de recursie uit de paragraaf Concept en rekenregels.
De vorige voorraad komt uit PrevZichtjaar. Dat is het basisjaar in het eerste allocatiejaar, en anders het resultaat van het vorige zichtjaar. De keten loopt dus over de zichtjaren heen; wie alleen het eindjaar doorrekent, krijgt een andere uitkomst dan wie alle zichtjaren doorrekent.
De indicator levert twee grootheden naast elkaar. De vastlegging (Carbon/Flow) is het verschil tussen de huidige en de vorige voorraad over de periode, opgeteld over beide pools; de opslag (Carbon/Stock) is de staande voorraad zelf in het zichtjaar. Beide worden met 44/12 naar CO2 omgerekend en met het celoppervlak (AdminDomain/NrHaPerCell) naar een absolute hoeveelheid per cel. Daarnaast staat het verschil in staande voorraad ten opzichte van het basisjaar apart (CO2FlowTovBasisjaar), en staat het saldo van de periode uitgesplitst naar de post die het veroorzaakt (Carbon/Herkomst): vastlegging, afboeking en de verwerkte oxidatie per bron, met een IntegrityCheck dat de posten samen precies de vastlegging van de periode zijn en dat de drie oxidatiebronnen elkaar per cel uitsluiten.
Uitvoer

Voor elk zichtjaar schrijft de indicator gemaskeerde GeoTIFFs weg, beperkt tot het studiegebied:
| Bestand | Inhoud |
|---|---|
CarbonStorageSequestration_stock_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif | De opslag: de staande CO2-voorraad in het zichtjaar zelf |
CarbonStorageSequestration_seq_ThisPeriod_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif | De vastlegging over de periode sinds het vorige zichtjaar, positief bij opname en negatief bij uitstoot |
CarbonStorageSequestration_stock_FromBaseYear_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif | Het verschil in staande voorraad ten opzichte van het basisjaar |
CarbonStorageSequestration_ongedekt_Cumulatief_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif | De ongedekte veenoxidatie sinds het basisjaar; hoort naast de derde kaart gelezen te worden |
CarbonStorageSequestration_stock_Bovenlaag_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif en ..._stock_Veenreserve_... | De twee pools van de opslag apart |
CarbonStorageSequestration_PerBron_<post>_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif | Het saldo van de periode per veroorzakende post: Vastlegging, Afboeking, Oxidatie_SOMERS, Oxidatie_EF en Oxidatie_Veenkental, hun som Totaal, en daarnaast de ongedekte oxidatie per bron (Ongedekt_SOMERS, Ongedekt_EF, Ongedekt_Veenkental), die niet bij de som hoort |
Het basisjaar schrijft naar de basisjaarmap, latere jaren naar de casusmap. De opslagkaart telt beide pools, dus de bovenste 30 centimeter plus de veenreserve daaronder. Dezelfde grootheden staan per regio in de regionale indicatorentabel, waar de vijf posten per zichtjaar optellen tot de kolom CO2Flow_Zichtjaar.
Let op het verschil tussen vastlegging en opslag. De vastlegging is een verschil over een enkele periode en is dus nul in een zichtjaar waarin de voorraad niet verandert, bijvoorbeeld in een eindzichtjaar waarin de allocatie tot stilstand is gekomen. De opslag toont dan nog steeds de volledige staande voorraad. Voor een vergelijking tussen varianten in het eindjaar is de derde kaart, het verschil met het basisjaar, meestal het meest bruikbaar: die telt de hele reeks perioden op zonder afhankelijk te zijn van wat er toevallig in het laatste decennium gebeurde.
Veen en de relatie met SOMERS
Deze indicator beschrijft de staande koolstofvoorraad; CO2 uitstoot veengebieden beschrijft de jaarlijkse oxidatieflux uit de gedraineerde veenkolom. Die twee zijn aan elkaar gekoppeld: de flux van SOMERS wordt hier van de voorraad afgeschreven, eerst uit de veenreserve en daarna uit de bodemvoorraad, zoals hierboven beschreven. Optellen van beide indicatoren telt die koolstof dus dubbel; de voorraadverandering van deze indicator bevat de veenoxidatie al.
Naast SOMERS kent het model een kentalregime voor veen, met de bouwsteenkentallen van team Veen (Classifications/Grondgebruik/VeenBroeikasgas). Het geldt in de varianten waarvoor VariantParameters/VariantK/IsNbSVariant waar is, met Koolstof_VeenVastleggingUitBouwstenen aan, op de unie van de veen- en moerige gronden van BOFEK2020 en de veenweidepercelen. Binnen dat regime levert SOMERS niets meer: een veenvormende klasse (riet en watervegetatie, hoogveen, bos in hoogveengebied) krijgt de vastlegging en het verhoogde maximum van het kental, open water en nieuwe bebouwing boeken geen uitstoot, een vernat veenweideperceel krijgt het kental van de vernatte veenweide of van zijn eigen bouwsteencomponent, en gedraineerd veen zonder bouwsteen, bestaande bebouwing inbegrepen, krijgt de emissiefactor. Deltares heeft aangegeven dat SOMERS voor deze varianten niet bruikbaar is, omdat de rekenregels zijn afgeleid voor ontwaterd veenweideland en niet voor een veenvormend moeras, en dat de andere varianten uitsluitend met SOMERS rekenen (#758). De emissie-indicator en de koolstofboekhouding lopen op die cellen daarom bewust uit elkaar; hoeveel uitstoot het kental verdringt staat in Oxidatie/Verdrongen_StGebied.
Met kolom D als maximum staat hoogveen op 930 ton C per hectare, een waarde die bij de volledige veenkolom past. Het behouden van het beheertype-detail zorgt ervoor dat nieuwe veennatuur die hoogveenwaarde meekrijgt in plaats van een verdund natuurgemiddelde. In het kentalregime geldt datzelfde maximum op veenbodem ook voor de andere veenvormende klassen, omdat ze hetzelfde doen; zonder die verhoging blijft de vastlegging op de rietklasse nul, want de voorraad op de veenbodem ligt ver boven het generieke maximum van die klasse.
Aannames en te bevestigen punten
- De startvoorraad uit de bodemkoolstofkaart meet de bovenste 30 centimeter bodem, terwijl Cmax uit de kengetallentabel ook de begroeiing omvat. Die twee zijn niet dezelfde grootheid; op ongeveer tweederde van het areaal ligt de kaartwaarde boven het klassemaximum. Daarom wordt de startvoorraad niet op het klassemaximum begrensd en boekt het model alleen af bij een landgebruiksverandering naar een klasse die de bodem afdekt of afgraaft.
- Diezelfde mismatch werkt ook aan de opbouwkant, en dat is de reden dat de vastlegging aan een klassewisseling hangt. Op een cel die van klasse verandert is het gat tussen de gemeten bodemvoorraad en het klassemaximum de begroeiing die nog moet groeien, en dan is aangroeien juist goed. Op een cel die niet verandert is datzelfde gat een verschil in afbakening, want de begroeiing staat er al; aanwas zou daar een boekhoudkundig verschijnsel zijn, en zonder de poort valt het grootste deel van de bruto toename op cellen waar niets gebeurt, vooral bestaand bos.
- De indicator meet daarmee de verandering ten opzichte van het basisjaar en niet de absolute nationale koolstofbalans. Hij bevat geen staande opname van bestaand bos, terwijl het Nederlandse bos in werkelijkheid een bescheiden put is. Leg de uitkomst dus niet een op een naast de LULUCF-inventarisatie: het verschil tussen varianten is wat deze indicator beschrijft. Wie wel een absolute balans wil, heeft voor bestaand bos een leeftijdsafhankelijke bijgroei nodig en een startvoorraad die de staande biomassa meetelt in plaats van alleen de bovenste 30 centimeter bodem.
- Binnen een cel die wel verandert dempt de aanwas niet met de leeftijd. Zij loopt met een constant tempo door tot het klassemaximum, zonder oogst en zonder sterfte. In de praktijk raakt dat alleen bos en veen: uitgaande van landbouwgrond met een gemeten bodemvoorraad rond 118 ton C per hectare bereiken naaldbos, gemengd bos, bos in hoogveengebied en hoogveen hun maximum binnen een eeuw niet, en loofbos pas na ongeveer 87 jaar. Voor een opstand die vanaf niets opbouwt is dat te verdedigen in omvang; de vorm klopt niet, want een jonge opstand groeit eerst langzaam en later harder. Voor bodemkoolstof zou een vaste overgangstermijn naar het nieuwe evenwicht passender zijn.
- Nieuwe natuur die geen bos of veen is levert op landbouwgrond per constructie geen vastlegging, omdat het klassemaximum daar onder de gemeten bodemvoorraad ligt: riet en watervegetatie staan op 55, overig open begroeid natuurgebied op 77 en droge heide op 53 ton C per hectare. Dat volgt uit dezelfde vergelijking tussen een gemeten bodemvoorraad en een maximum dat bodem en biomassa samen beschrijft. Het is een eigenschap van de kentallen en niet van de maatregel, en het is goed om te weten voordat een uitkomst wordt gelezen als “vernatting levert geen koolstofwinst”. Op veenbodem doorbreekt het kentalregime dit voor de veenvormende klassen, met het verhoogde maximum.
- Welke plafondkolom in gebruik is, werkt alleen op die bos- en veenklassen door, maar daar wel als hefboom. Voor nieuw loofbos geeft kolom D een ruimte van ongeveer 157 ton C per hectare en kolom E van 82. De keuze voor kolom D is met Deltares afgestemd (#483), maar op een argument dat over de afboekkant ging.
- De koolstoftabel is in ton koolstof; CO2 volgt uit 44/12.
- Omdat meerdere carbonklassen dezelfde LGN-code delen, wijst de basisjaarvertaling per LGN-klasse een standaardklasse aan. Welke dat hoort te zijn, ligt bij Deltares en PBL (#657).
- De organischestofdichtheid en de koolstoffractie waarmee de veenreserve uit de veendikte volgt, zijn onderbouwd met de publicatie die Deltares heeft aangewezen. Ze bepalen rechtstreeks hoelang de reserve de oxidatie kan opvangen, en de publicatie geeft naast het gemiddelde van 0,103 ook een minimum- en een maximumscenario van 0,080 en 0,150.
- De veendikte komt uit GeoTOP en ontbreekt voor Flevoland en op een groot deel van de moerige gronden; daar is de reserve nul. De SOMERS-stroom wordt op zulke cellen niet geboekt; de emissiefactor en het veenkental wel, en die bijten dan meteen in de bodemvoorraad, tot de minerale ondergrens. Buiten de veen- en moerige gronden van BOFEK2020 en de veenweidepercelen wordt de reserve niet gevuld.
- De carbonklassen van de OP-subklassen zijn een best passende toekenning uit dezelfde Deltares-tabel; ze staan in
Classifications/Grondgebruik/OPSubklasseKen zijn per regel aanpasbaar. - Diverse beheertype-toewijzingen zijn keuzes die in de classificatie kunnen worden herzien; de paragraaf Nieuwe natuur vertalen naar carbonklassen noemt ze bij naam.
- De emissiefactor voor bestaand stedelijk gebied op veen buiten de veenweidepercelen (
Koolstof_EFStedelijkOpNul) en de keuze tussen het kental van de bouwsteencomponent en dat van de koolstofklasse (Koolstof_KentalUitBouwsteencomponent) liggen als vraag bij Deltares (#632 en #778). - Naast de afboeking bij landgebruiksverandering kent de indicator een verlies uit veenoxidatie. Andere vormen van achteruitgang, zoals kwaliteitsverlies van bestaande natuur zonder functieverandering, leiden hier niet tot een lagere voorraad.
Verantwoording
De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.
- #483: de opzet van de indicator met de koolstoftabel van Deltares, de startvoorraad uit de bodemkoolstofkaart, kolom D als klassemaximum, en de afboekregel die alleen bij een verandering naar een klasse met een lager maximum vuurt.
- #632: het vragenblok voor Deltares waarin onder meer de emissiefactor op bestaand stedelijk veen ter bevestiging ligt.
- #657: de koppeling met SOMERS en de veenreserve als tweede pool, de afboeking alleen bij een bodemingreep, de stedelijke toets op de stedelijke sectoren, de standaardklasse per LGN-code in
IsStandaardVoorLGN, de bodemkoolstofkaart op 25 meter, de emissiefactor buiten de veenweidepercelen, en de veenkentallen van team Veen voor de veenvormende klassen; ook de open vraag welke klasse per LGN-code de juiste is. - #698: hoge en lage gronden uit de fysische geografie.
- #699: naaldbos op de hoge gronden en loofbos in laag Nederland voor het boomdeel van een ontwikkelpakket, met de gemengde klasse als uitweg.
- #733: de ongedekte oxidatie als eigen post, cumulatief sinds het basisjaar, als kaart en als kolom naast het saldo.
- #736: de reserve op de unie van bodemkaart en veenweidepercelen, geen begrenzing op de grondwaterstand, en de minerale ondergrens waarbij de afschrijving stopt.
- #737: de vastlegging telt vanaf de landgebruiksverandering, met het vastleggingsdeel in de wisselperiode en de aanvulling van de LGN-klassen die in de tabel ontbreken.
- #751: de carbonklasse komt uit de stand-administratie van het landgebruik, op beheertype-niveau voor natuur en per landbouwtype voor landbouw.
- #758: het kentalregime geldt alleen in de varianten met
IsNbSVarianten vervangt daar SOMERS; het saldo per periode uitgesplitst naar de post die het veroorzaakt. - #778: gealloceerde waterberging krijgt de klasse Grote zoetwaterlichamen, en natte teelt en vernat grasland krijgen het kental van hun bouwsteencomponent; de vraag of dat de bedoeling is ligt bij Deltares.
- #793: SOMERS boekt alleen uitstoot waar de ondergrondkaart een veenpakket geeft, en de emissiefactor voor gedraineerd veen volgt bouwsteen 1 van de veenlevering.
- #801: de besliste keuzes zijn vast ingebouwd; de parameters die overblijven staan in
ModelParameters/Koolstof. - #824: de twee pools en de posten per bron als kaart, zodat de regionale tabel ze per zichtjaar kan teruglezen.