Carbon Storage and Sequestration

Terug naar Effectmodules en indicatoren


Deze indicator schat de hoeveelheid koolstof die in het landschap ligt opgeslagen (opslag) en de verandering daarvan tussen zichtjaren (vastlegging). De indicator is toegevoegd voor het NL2120-werk (Team Veen, issue #483) en wordt gevoed door een koolstoftabel die door Deltares is aangeleverd. Hij staat per casus en per zichtjaar onder /Indicatoren/<casus>/Zichtjaren/<jaar>/CarbonStorageSequestration, met de berekening in Templates/Indicatoren/CarbonStorageSequestration_T.dms.

Opslag is de staande koolstofvoorraad van een cel in een bepaald jaar, uitgedrukt in ton koolstof per hectare. Vastlegging is het verschil in opslag tussen twee opeenvolgende zichtjaren, waarbij een positieve waarde netto opname is en een negatieve waarde netto uitstoot. De resultaten worden gerapporteerd als CO2 door koolstof te vermenigvuldigen met 44/12.

Concept en rekenregels

Elke landgebruiksklasse heeft een jaarlijkse opbouwsnelheid van koolstof (Cseq, ton C per hectare per jaar) en een maximale voorraad die de klasse kan vasthouden (Cmax, ton C per hectare). De voorraad van een cel ontwikkelt zich in de tijd op basis van het landgebruik en de verstreken tijd, begrensd door dat maximum.

Die opbouwsnelheid beschrijft een overgang en geen basispad. De rekenregel die Deltares bij #483 heeft aangeleverd vermenigvuldigt de opbouw met het aantal jaren sinds de landgebruiksverandering, dus de klok begint pas te lopen als er iets verandert. Sinds #737 doet het model dat ook: een cel legt alleen vast als haar carbonklasse sinds het basisjaar is veranderd, of als er een ontwikkelpakket op is gealloceerd. Tot #737 telde het model gewoon de verstreken periode, waardoor elke cel met ruimte onder haar klassemaximum bleef aangroeien ook als er een eeuw lang niets gebeurde. Wat dat voor de uitkomst betekende staat onder Aannames en te bevestigen punten.

De startvoorraad in het basisjaar

De voorraad in het basisjaar komt uit de bodemkoolstofkaart van de Atlas Natuurlijk Kapitaal (SourceData/Bodem/BodemKoolstofvoorraad, bronhouder Alterra/WUR, aangeleverd vanuit Deltares in #483). Die kaart geeft de koolstofvoorraad in de bovenste 30 centimeter bodem in ton C per hectare, gemaakt door de Basiskaart Natuur 2004 te combineren met de bodemkaart 1:50.000 en per combinatie van hoofdbodemgroep en landgebruikstype een gemiddelde uit de Landelijke Steekproef Kaarteenheden te bepalen. De kaart wordt sinds #657 gelezen op haar eigen resolutie van 25 meter, gelijk aan het rekenraster; daarvoor lag de lezing op 100 meter en werd een op de zestien pixels gebruikt. Waar de bron geen waarde heeft, wordt nul aangehouden. De hoogste voorraden liggen in de veengebieden, de laagste op zand.

Twee schakelaars in ModelParameters/Advanced bepalen wat er met die startvoorraad gebeurt:

Schakelaar Standaard Betekenis
Koolstof_MaxSrc Cmax_ha_invest Welke kolom uit de Deltares-tabel het klassemaximum levert. Sinds #483 kolom D (InVEST); kolom E (Naturescot en WUR) blijft als Cmax_ha_WUR naast de gebruikte kolom staan.
Koolstof_BasisvoorraadUitKaart TRUE Startvoorraad uit de bodemkoolstofkaart. Op FALSE begint elke cel op nul, zoals in de eerste versie van de indicator; de vastlegging is dan een bovengrens, want in werkelijkheid zit er al koolstof in bodem en begroeiing.
Koolstof_BasisvoorraadBegrenzen FALSE Begrens de startvoorraad op het klassemaximum van het basisjaar. De kaart ligt op ongeveer tweederde van het areaal boven dat maximum, omdat de kaart de bodemvoorraad meet en het maximum uit de kengetallentabel komt.

De eerdere aanname dat elke cel in het basisjaar op het maximum van zijn landgebruiksklasse zit, wordt dus niet meer gebruikt.

De ontwikkeling per zichtjaar

Hoe de koolstofvoorraad van een cel zich ontwikkelt

Voor elk volgend zichtjaar volgt de nieuwe voorraad uit de vorige, de opbouwsnelheid en de tijd die als aanwas meetelt:

Aanwasduur    = klasse veranderd sinds basisjaar
                ? (klasse veranderde in deze periode ? deel * periode : periode)
                : 0
Groei         = min(voorraad_vorig + Cseq * Aanwasduur, Cmax)
NaGroei       = oxidatie_actief ? voorraad_vorig : max(Groei, voorraad_vorig)
UitReserve    = min(oxidatievraag, veenreserve_vorig)
Ondergrens    = min(minerale ondergrens, startvoorraad van de cel)
UitVoorraad   = min(oxidatievraag - UitReserve, max(NaGroei - Ondergrens, 0))
NaOxidatie    = NaGroei - UitVoorraad
RuimteNeemtAf = Cmax < voorraad_vorig  en  klasse mag afboeken
                (en, met de schakelaar aan, alleen als Cmax ook lager is dan het vorige Cmax)
Voorraad      = RuimteNeemtAf ? min(Cmax, NaOxidatie) : NaOxidatie
Veenreserve   = veenreserve_vorig - UitReserve
Vastlegging   = (Voorraad - voorraad_vorig) + (Veenreserve - veenreserve_vorig)

De aanwasduur staat als Zichtjaar/Carbon/Aanwasduur in het sjabloon en vervangt sinds #737 de kale periodelengte. Er is geen teller per cel nodig om vanaf de verandering te tellen: de carbonklasse wordt door de keten van zichtjaren meegedragen, dus zodra een cel is veranderd blijft dat zo en telt de aanwas vanzelf periode voor periode door vanaf dat moment. Drie schakelaars sturen hem:

Schakelaar Standaard Betekenis
Koolstof_VastleggenAlleenNaVerandering TRUE Alleen vastleggen waar de carbonklasse sinds het basisjaar is veranderd of waar een ontwikkelpakket is gealloceerd (#737). Op FALSE krijgt elke cel elk zichtjaar Cseq maal de periodelengte, ook zonder verandering; dat is het gedrag van voor #737.
Koolstof_VastleggingsdeelInWisselperiode 0,5 Welk deel van de periode meetelt in het zichtjaar waarin de klasse wisselt. De verandering valt gemiddeld halverwege, dus de helft. Op 1 telt de volle periode, wat neerkomt op de aanname dat de verandering aan het begin viel. Dat maakt vooral in het eerste allocatiezichtjaar uit, want de eerste periode is langer dan een decennium wanneer het basisjaar en het eerste zichtjaar meer dan tien jaar uit elkaar liggen.
Koolstof_KlassenAanvullen TRUE Geef de LGN-klassen die in de tabel van Deltares ontbreken alsnog een koolstofklasse (#737). Zonder die aanvulling doet zo’n cel aan geen enkele kant mee, en ziet de poort hierboven ook een echte landgebruiksverandering niet. Zie de paragraaf over de vertaling naar carbonklassen.

De regel max(Groei, voorraad_vorig) zorgt ervoor dat de voorraad zonder afboeking en zonder oxidatie niet kan dalen. Waar de startvoorraad boven het maximum van de klasse ligt en het landgebruik gelijk blijft, blijft de voorraad staan en is de vastlegging nul. De volgorde in de regels hierboven is niet vrijblijvend: eerst groeien, dan oxideren, en de vastlegging bevriezen waar oxidatie loopt. Zonder die bevriezing zou de oxidatie ruimte onder het klassemaximum vrijmaken en zou juist de cel waarvan SOMERS zegt dat het veen wegoxideert vastlegging toegekend krijgen.

Afboeken gebeurt waar de ruimte in de klasse afneemt, dus bij een overgang naar een klasse met een lager maximum, bijvoorbeeld van natuur naar verhard stedelijk oppervlak. Twee schakelaars begrenzen dat:

Schakelaar Standaard Betekenis
Koolstof_AfboekenAlleenBijLagerMaximum TRUE Alleen afboeken bij een landgebruiksverandering naar een klasse met een lager maximum. Staat hij uit, dan wordt ook afgeboekt waar de voorraad al boven het maximum van de eigen klasse lag; in combinatie met een startvoorraad uit de kaart geeft dat in het eerste zichtjaar een eenmalige afboeking van ruim 500 Mton CO2.
Koolstof_AfboekenAlleenBijBodemingreep TRUE Alleen afboeken waar de nieuwe klasse de bodem daadwerkelijk afdekt of afgraaft (#657, spoor 1). Bij een verandering van alleen de begroeiing, zoals landbouwgrasland dat rietmoeras wordt, blijft de bodemkoolstof zitten. Welke klassen de bodem afdekken staat in de kolom Mag afboeken in de tabel hieronder.

Dat de afboeking bij een begroeiingsverandering toch vuurde, kwam doordat de startvoorraad de bodem in de bovenste 30 centimeter is en het klassemaximum een totaal van bodem en biomassa. Cellen met een ontwikkelpakket dragen een stedelijke sector en daarmee de klasse Dichtbebouwd, waardoor het afboeken daar vanzelf is toegestaan.

In het basisjaar is de periode nul: daar staat alleen de startvoorraad en is er nog geen tijd verstreken.

De veenreserve en de afschrijving uit SOMERS

Tot #657 stonden er twee boekhoudingen naast elkaar die dezelfde koolstof beschreven. CO2 uitstoot veengebieden liet de veenoxidatie als jaarlijkse stroom verdwijnen terwijl de voorraad hier onaangeroerd bleef, en bij een landgebruiksverandering werd diezelfde koolstof alsnog in zijn geheel afgeboekt. Op Y2030 telde daardoor 3,3 van de 11,5 Mton CO2 in NbSGenuanceerd dubbel. Sindsdien schrijft de oxidatie die SOMERS rapporteert daadwerkelijk van de voorraad af.

Dat kan niet zonder een tweede pool. De bodemkoolstofkaart geeft de bovenste 30 centimeter, terwijl SOMERS de hele gedraineerde veenkolom laat oxideren. Die twee rechtstreeks tegen elkaar boeken zou de voorraad op de veenweidepercelen binnen de modelhorizon leegtrekken, waarna de varianten niet meer van elkaar verschillen. Daarom draagt elke cel naast de voorraad uit de kaart een veenreserve: de koolstof onder die bovenste 30 centimeter, afgeleid uit de veendikte uit GeoTOP (SourceData/Landbouw/Peat_thickness). De reserve is de dikte boven 30 centimeter maal 10.000 kubieke meter per hectare maal de organischestofdichtheid maal de koolstoffractie. Dat is uitdrukkelijk niet de droge bulkdichtheid van het veen, want daar zit de minerale fractie in. Met een organischestofdichtheid van 0,103 ton per kubieke meter en een koolstoffractie van 0,5 komt de reserve op 515 ton C per hectare per meter veen; beide kentallen komen uit de publicatie die Deltares in #657 heeft aangewezen (Erkens et al. 2016, Hydrogeology Journal), die naast dat gemiddelde ook een minimum- en een maximumscenario van 0,080 en 0,150 geeft. De bron kent lang niet overal een dikte toe. Waar hij niets geeft is de reserve nul en moet de hele oxidatievraag uit de bovenste 30 centimeter komen; in de toepassing NL2120 gaat het om 76.289 van de 245.968 hectare veenweideperceel, vooral moerige gronden in Friesland, Groningen, Overijssel en Drenthe. De kaart heeft geen nulwaarden, dus ontbreken betekent daar niet gekarteerd of niet aanwezig. De kaart ligt bovendien op 250 meter en wordt op het rekenraster van 25 meter gelezen, dus de dikte is per blok van 6,25 hectare bepaald.

De omvang van de reserve is op aanwijzing van Deltares twee keer begrensd in #657, en beide begrenzingen zijn in #736 herzien.

De eerste begrensde de reserve op de veen- en moerige gronden van BOFEK2020, omdat GeoTOP ook begraven veen meetelt dat niet oxideert. Daarbij stond de redenering dat BOFEK de kaart is waarop SOMERS zelf rekent, en dat klopt niet: in de toepassing NL2120 valt 39.084 van de 245.968 hectare veenweideperceel buiten die bodems. Daar liep wel een oxidatievraag en stond geen enkele reserve. Sinds #736 is het masker daarom de unie van de bodemkaart en de veenweidepercelen. Het argument over begraven veen gaat immers niet op waar de emissiekant zelf zegt dat de cel oxideert.

De tweede begrensde de reserve op de gemiddeld laagste grondwaterstand van het basisjaar, omdat oxidatie alleen boven de grondwaterstand optreedt zolang het peil niet daalt. Die voorwaarde geldt niet op een horizon van een eeuw. Bij een gehandhaafde drooglegging zakt het maaiveld door oxidatie en klink en zakt het peil mee, zodat de aerobe zone als een schijf van vaste dikte door de kolom naar beneden migreert. Noem de schijfdikte g, de veendikte D en de cumulatieve maaivelddaling S: de onderkant van de zone staat dan op g plus S en de nog beschikbare reserve is min(D, g+S) min 0,30 min S, wat over de hele reeks neerkomt op D min 0,30. Een grens die met het maaiveld meebeweegt is dus cumulatief identiek aan geen grens. Sinds #736 staat die begrenzing daarom uit, en is de reserve de hele veenkolom onder de bovenste 30 centimeter. De veenbasis uit GeoTOP is dan de grens, en die is zelfterminerend: onder het veen valt niets meer te oxideren.

Daarmee betegelen de twee pools de kolom precies: de bodemkoolstofkaart dekt 0 tot 0,30 meter en de reserve 0,30 meter tot de veenbasis, zonder gat en zonder overlap. De vergelijking tussen de instellingen staat in Diagnose/Veenreserve.

De oxidatie wordt eerst uit de reserve betaald en pas daarna uit de voorraad zelf. Wat geen van beide kan dekken heet ongedekte oxidatie: daar blijft SOMERS uitstoot rapporteren terwijl er geen koolstof meer tegenover staat. Dat getal staat per periode als Stock/Ongedekt_StGebied en sinds #733 cumulatief sinds het basisjaar als Stock/Ongedekt_Cumulatief_StGebied, allebei in Mton C, en als kaart Write_CO2Ongedekt_Cumulatief en als kolom CO2Ongedekt_Cumulatief in de regionale indicatorentabel.

Bij #657 stond hier de verwachting dat een oplopende post betekent dat de reserve te krap is of de horizon te lang. Beide verklaringen zijn in #733 gemeten en geen van beide klopt. De post is een plaatsvraag: hij valt vrijwel geheel op cellen waar de veendiktekaart niets geeft, en daar helpt geen ruimere begrenzing. Op een laat zichtjaar is de post groot genoeg om de leesbaarheid van het saldo te bepalen, dus lees CO2Flow_TovBasisjaar daar nooit zonder deze kolom ernaast. In de toepassing NL2120 was de post op de run van 1 september 2026 in BAU 96,1 Mton CO2 op 2120, tegen 0,04 Mton op 2040.

Sinds #736 stopt de afschrijving uit de bovenste 30 centimeter bovendien bij een minerale ondergrens en niet bij nul. Aerobe oxidatie van een veenbovengrond eindigt in een moerige eerdgrond of een humeuze zandgrond, niet in koolstofvrij materiaal, en er staat gras op dat jaarlijks wortels en strooisel inbrengt. Zonder die grens liep de voorraad tot precies nul leeg; in de toepassing NL2120 stond op diezelfde run 115.884 hectare veenweideperceel in 2120 op nul over beide pools. De grens bijt alleen op de oxidatie en niet op de afboeking bij een landgebruiksverandering, want bij bebouwen of afgraven verdwijnt de bodem wel degelijk. Wat de afschrijving door de grens niet meer opneemt, verschuift een op een naar de ongedekte post: de eerlijke optelsom van de twee verandert er dus niet van, wat verandert is dat de gerapporteerde eindkaart een bodem beschrijft die kan bestaan. Een IntegrityCheck op Stock/Balansverschil toetst of wat er van reserve en voorraad af gaat plus het ongedekte deel precies gelijk is aan wat SOMERS voor dezelfde periode rapporteert, en een tweede check bewaakt dat de voorraad nooit negatief wordt en dat er nergens tegelijk wordt geoxideerd en vastgelegd.

De gerapporteerde voorraad is sindsdien de som van beide pools. Het niveau van de indicator ligt daardoor een stuk hoger dan voorheen; de verandering tussen basisjaar en zichtjaar is het getal waar het om gaat. Beide pools staan ook apart, als Stock_Bovenlaag en Stock_Veenreserve.

Schakelaar Standaard Betekenis
Koolstof_SOMERSAfschrijven TRUE Laat de veenoxidatie uit SOMERS van de voorraad afschrijven. Bij FALSE valt de berekening terug op de oude, met een afschrijving van nul.
Koolstof_SOMERSEmissieVariant Mediaan Welke SOMERS-emissievariant de boekhouding voedt: Minimum, Mediaan of Maximum. De emissie-indicator rapporteert alle drie, de voorraad kan er maar een verwerken.
Koolstof_VeenreserveGebruiken TRUE Vang de oxidatie eerst op in de veenreserve onder de bovenste 30 centimeter. Bij FALSE bijt de oxidatie meteen in de voorraad uit de kaart.
Koolstof_VeenreserveOpBodemkaart TRUE Beperk de reserve tot de veengronden en moerige gronden van BOFEK2020 en de veenweidepercelen waarop de emissiekant rekent, in plaats van hem overal te vullen waar GeoTOP veen ziet. GeoTOP telt ook begraven en diep begraven veen mee dat niet oxideert. De percelen zijn er in #736 bij gekomen; zie hierboven.
Koolstof_VeenreserveBegrenzenOpGLG FALSE Begrens de reserve op de gemiddeld laagste grondwaterstand van het basisjaar. Staat sinds #736 uit, omdat het peil bij een gehandhaafde drooglegging meezakt en de aerobe zone dus door de kolom migreert.
Koolstof_MineraleOndergrens_tonC_ha 75 De koolstofvoorraad die in de bovenste 30 centimeter achterblijft als de veenbovengrond volledig is geoxideerd, in ton C per hectare, begrensd op de eigen startvoorraad van de cel. Op nul zetten geeft het gedrag van voor #736 terug. Het getal volgt uit twee onafhankelijke wegen: 3.000 kubieke meter per hectare maal een bulkdichtheid van 1,25 ton per kubieke meter maal 4 procent organische stof maal een koolstoffractie van 0,5, en het vijfde tot tiende percentiel van de bodemkoolstofkaart voor agrarisch grasland op zand, dat op 71 tot 77 ton C per hectare ligt.
Koolstof_VeenOrganischeStofdichtheid 0,103 Dichtheid van de organische stof in veen in ton per kubieke meter, uitdrukkelijk niet de droge bulkdichtheid van het veen. Onderbouwd met de publicatie die Deltares in #657 heeft aangewezen, die ook een minimum- en een maximumscenario van 0,080 en 0,150 geeft.
Koolstof_VeenKoolstoffractie 0,5 Massafractie koolstof in de organische stof van veen. Bevestigd door diezelfde publicatie, die daarmee op een koolstofdichtheid van 52 kg per kubieke meter uitkomt.

De afschrijving gebruikt de emissie na landgebruiksverandering (NaLUC) en niet de bruto jaarlijkse reeks, omdat NaLUC al nul is waar het landgebruik stedelijk of water is geworden en de oxidatie daar ook hoort op te houden. Buiten de veenweidepercelen is de vraag nul.

Koolstofwaarden per landgebruiksklasse

De carbonklassen en hun waarden volgen de Deltares-tabel (Carbon_stock_RuimtescannerFIN.xlsx). Het klassemaximum komt sinds #483 uit kolom D, de InVEST-waarden; kolom E (Naturescot en WUR) staat er nog naast en is met Koolstof_MaxSrc weer aan te zetten. Het verschil tussen beide is groot en juist bij veen bepalend: hoogveen staat in kolom D op 930 en in kolom E op 200 ton C per hectare, en verhard oppervlak op 3 tegen 0. De kolom Mag afboeken zegt of een verandering naar deze klasse de bestaande bodemvoorraad mag afboeken. Droge heide, begroeide duinen en kale grond in natuurgebied stonden daar tot eind augustus 2026 op ja, op de aanname dat natuurontwikkeling met plaggen of ontgronden begint; Deltares heeft in #657 laten weten dat dat voor NL2120 niet de bedoeling is, want de verlanding ontstaat vanaf de oorspronkelijke bodem. Ze staan daarom nu op nee. De laatste kolommen geven de LGN-klasse waarmee elke carbonklasse correspondeert, en vormen de basis voor de vertaling in het basisjaar.

CC Carbonklasse (Deltares) Cseq C/ha/jr Cmax D (InVEST, in gebruik) Cmax E (Naturescot en WUR) Mag afboeken LGN-code LGN-klasse
1 Primaire wegen & spoorwegen 0 3 0 ja 251 hoofdinfrastructuur en Spoorbaanlichamen
2 Secundaire wegen 0 4 0 ja 252 halfverharde wegen / langzaam verkeer
3 Overige wegen/ondoorlatende spoorlijnen 0 6 0 ja 253 smalle wegen
4 Glastuinbouw 0 15 0 ja 8 Glastuinbouw
5 Dichtbebouwde stedelijke gebieden 0 15 0 ja 18 bebouwing in primair bebouwd gebied
6 Voorstadsbebouwing (suburbaan) 0 33 0 ja 19 bebouwing in secundair bebouwd gebied
7 Bebouwing in buitengebied 0 28 0 ja 26 bebouwing in buitengebied
8 Zonneparken 0 18 0 nee 29 zonneparken
9 Bos in primair bebouwd gebied (loofbos) 1.8 225 200 nee 20 bos in primair bebouwd gebied
10 Bos in primair bebouwd gebied (naaldbos) 0.5 192 200 nee 20 bos in primair bebouwd gebied
11 Bos in primair bebouwd gebied (gemengd) 1.1 207 200 nee 20 bos in primair bebouwd gebied
12 Kleine bospercelen in bebouwd gebied 1.1 166 200 nee 22 bos in secundair bebouwd gebied
13 Kale grond in bebouwd gebied 0 6 0 ja 27 overig Grondgebruik in buitengebied
14 Gras in primair bebouwd gebied 0.18 57 75 ja 23 gras in primair bebouwd gebied
15 Gras in secundair bebouwd gebied 0.18 68 75 ja 28 gras in secundair bebouwd gebied
16 Grote zoetwaterlichamen (meren) 0 2 0 nee 16 zoet water
17 Kleine zoetwater (sloten/poelen) 0 6 0 ja 16 zoet water
18 Riet en watervegetatie 0 55 50 nee 42 rietvegetatie
19 Kust-/estuariumwater 0 3 0 nee 17 zout water
20 Zilte schorren / brakgetijdenvlakten 1.5 123 63 nee 30 kwelders
21 Getijdengeulen / begroeide platen 1.5 72 15 nee 30 kwelders
22 Hoogveen (veenmoeras) 0.22 930 200 nee 39 hoogveen
23 Bos in hoogveengebied 1.1 467 200 nee 40 bos in hoogveengebied
24 Tijdelijk agrarisch grasland 0.18 83 75 nee 1 agrarisch gras
25 Permanent agrarisch grasland 0.18 111 75 nee 1 agrarisch gras
26 Overig agrarisch grasland / weiland 0.18 90 75 nee 47 overig gras
27 Mais 0 55 50 nee 2 mais
28 Aardappelen 0 38 50 nee 3 aardappelen
29 Suikerbieten 0 46 50 nee 4 bieten
30 Wintergranen 0 42 50 nee 5 granen
31 Zomergranen 0 35 50 nee 5 granen
32 Peulvruchten 0 39 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
33 Koolzaad (raapzaad) 0 42 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
34 Uien / lage bladgroenten 0 28 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
35 Wortel- en knolgewassen 0 33 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
36 Industriele akkerbouwgewassen 0 39 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
37 Vollegrondsgroenten 0 41 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
38 Overige akkerbouwgewassen 0 39 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
39 Bloembollen 0 28 50 nee 10 bloembollen
40 Boomkwekerij / sierbomen 0.92 128 125 nee 61 boomkwekerijen
41 Fruitbomen / boomgaarden 0.92 117 125 nee 9 Boomgaarden
42 Overige tuinbouw 0 59 50 nee 6 overige Landbouwgewassen
43 Kale landbouwgrond / braak 0 15 0 nee 27 overig Grondgebruik in buitengebied
44 Loofbos (natuur/produktiebos) 1.8 275 200 nee 11 loofbos
45 Naaldbos 0.5 238 200 nee 12 naaldbos
46 Gemengd bos 1.1 256 200 nee 11 loofbos
47 Droge heide 0.19 53 100 nee 36 heide
48 Struikgewas / kreupelhout 0.18 80 87 nee 323 overige struikvegetatie (laag)
49 Duinen (begroeid) 0 36 28 nee 32 duinen met lage vegetatie
50 Kale grond in natuurgebied 0 18 0 nee 35 open stuifzand en/of rivierzand
51 Overig open begroeid natuurgebied 0.18 77 75 nee 47 overig gras

Landgebruik in een zichtjaar

De carbonklasse van een cel in een zichtjaar komt uit drie bronnen met een vaste volgorde.

Gealloceerde stedelijke cellen gaan voor. Waar de allocatie een sector heeft geplaatst waarvan Classifications/Actor/Sector/IsStedelijk waar is, krijgt de cel de carbonklasse Dichtbebouwde stedelijke gebieden. Die toets stond tot #657 op iedere gealloceerde cel, dus ook op de niet-stedelijke sectoren: in Y2030 kregen daardoor ook de 15.542 waterbergingscellen de klasse Dichtbebouwd en werd hun voorraad afgeboekt. Zodra landbouw in ModelParameters/SectorAllocRegio wordt opgenomen, draagt het hele landelijk gebied een subsector en zou heel Nederland zo de boeken in gaan. Wat er op een waterbergingscel met de voorraad hoort te gebeuren, staat nog open in #657.

Nieuwe natuur wordt exogeen opgelegd in plaats van gealloceerd. Die cellen krijgen hun carbonklasse uit het beheertypenraster via INL_Beheertype. Het opleggen van natuur en water gebruikt een masker op NatuurType-niveau, terwijl de koolstofwaarde op beheertype-niveau wordt gelezen, wat het veendetail behoudt (zie de paragraaf hieronder).

Alle overige cellen houden de carbonklasse van het vorige jaar, die in het basisjaar uit het LGN-raster volgt via Classifications/Grondgebruik/CarbonClass_rel.

Die koppeling was tot #657 een rjoin op LGN-code, en die code is in de koolstoftabel niet uniek: negen codes worden door meerdere koolstofklassen geclaimd, met verschillende Cseq en Cmax. Een rjoin pakt bij een dubbele sleutel stil de eerste rij. Landsdekkend gevolg: alle 17,4 miljoen graslandcellen kregen tijdelijk agrarisch grasland en geen enkele permanent grasland, en alle kale grond kreeg kale grond in bebouwd gebied in plaats van kale landbouwgrond. Dat was geen keuze maar een bijwerking van de rijvolgorde, die verschuift zodra iemand een rij invoegt. De keuze ligt nu expliciet vast in de kolom IsStandaardVoorLGN, met een IntegrityCheck die afgaat zodra twee standaardklassen naar dezelfde LGN-klasse wijzen. De waarden staan bewust gelijk aan wat de rjoin opleverde, dus er is geen getal veranderd; welke klasse per LGN-code de juiste is, is een inhoudelijke vraag die nog bij Deltares en PBL ligt.

Zestien LGN-klassen komen in de koolstoftabel helemaal niet voor. Tot #737 hielden die geen klasse, en dan doet de cel aan geen enkele kant van de boekhouding mee. Dat is niet alleen een gemiste vastlegging: de afboeking vuurt er evenmin, want die toetst op MaximumDaalt en dat vergelijkt met het klassemaximum van het basisjaar. Is dat leeg, dan is de toets altijd onwaar en boekt een cel die bebouwd raakt niets af. Sinds de vastlegging aan een klassewisseling hangt komt daar een tweede gevolg bij, want ook die vergelijking wordt leeg en dan ziet de poort een echte verandering niet.

Classifications/Grondgebruik/CarbonClassAanvulling vult daarom vijftien van de zestien aan; de klasse onbekend blijft leeg. Elke regel neemt de klasse over van de LGN-klasse waar hij een variant van is, dus vergraste heide en duinheide krijgen droge heide, overige moerasvegetatie krijgt riet en watervegetatie, bos in moerasgebied krijgt bos in hoogveengebied, de struikvegetaties krijgen struikgewas en kreupelhout, en fruitkwekerij krijgt fruitbomen en boomgaarden. Er komt dus geen nieuw kental bij. De toewijzingen zijn van Object Vision en niet van Deltares, en staan daarom achter Koolstof_KlassenAanvullen. Vier IntegrityChecks bewaken de tabel; de bruikbaarste valt om zodra er een LGN-jaargang binnenkomt met een klasse die nergens is ondergebracht, in plaats van stil een cel op te leveren die niet meedoet.

Nieuwbouw met een ontwikkelpakket

De regel hierboven zou van elke nieuwbouwcel een volledig verharde cel maken. Dat klopt niet voor de ontwikkelpakketten die het model alloceert: die hebben een bekende inrichting met gras, bomen, struiken en water. Waar een cel een gealloceerd ontwikkelpakket heeft (Stand/OP_rel), komen het maximum en de opbouwsnelheid daarom niet uit één klasse maar uit de naar oppervlakte gewogen samenstelling van het pakket. De zeven subklassen van de pakketinrichting hebben elk een eigen carbonklasse:

OP-subklasse Carbonklasse in een regulier pakket Carbonklasse in een NbS-pakket
Gebouwvoetafdruk Primaire wegen en spoorwegen (3) idem
Verhard Primaire wegen en spoorwegen (3) idem
Water Kleine zoetwater, sloten en poelen (6) Riet en watervegetatie (55)
Bruin Kale grond in bebouwd gebied (6) idem
Gras Gras in primair bebouwd gebied (57) idem
Boom Bos in primair bebouwd gebied, naaldbos (192) of loofbos (225) idem
Struik Struikgewas en kreupelhout (80) idem

Tussen haakjes staat Cmax in ton C per hectare, in de kolom die nu in gebruik is. De boomklasse hangt af van de ligging: op de hoge gronden telt naaldbos, in laag Nederland loofbos. Het verschil zit zowel in het maximum, 192 tegen 225, als in de opbouwsnelheid, 0,5 tegen 1,8 ton C per hectare per jaar. Tot #699 stond die toewijzing omgekeerd, zonder onderbouwing. Naaldhout staat in Nederland overwegend op de pleistocene zandgronden en verdraagt een hoge grondwaterstand slechter dan wilg, populier of es, dus loofbos hoort bij de lage delen. Er is ook een gemengde klasse (207 en 1,1) die nu ongebruikt is; die is de neutrale keuze als de splitsing tussen hoog en laag voor aanplant in bebouwd gebied niet te onderbouwen blijkt. Welke cellen hoge grond zijn staat in Beschikbaarheid onder Hoge en lage gronden; die indeling is bij #698 van de overstromingskaart naar de fysische geografie gegaan, wat 588.279 ha van kant liet wisselen. Bij een NbS-pakket telt het water als riet- en watervegetatie in plaats van als open water, omdat dat water als wadi met begroeide oevers is ingericht.

De pakketinrichting bepaalt dus zowel het maximum als de opbouwsnelheid van een nieuwbouwcel. Een NbS-wijk met veel bomen en wadi’s bouwt daardoor koolstof op, terwijl een pakket met vooral gebouw en verharding weinig meer dan een restwaarde overhoudt.

Nieuwe natuur vertalen naar carbonklassen

Nieuwe natuur wordt aangeleverd als beheertypen (INL Index Natuur en Landschap). De vertaling naar carbonklassen gebeurt op beheertype-niveau. De mapping volgt waar mogelijk het LHM-landgebruikstype: loofbos naar Loofbos (44), naaldbos naar Naaldbos (45), expliciete gemengd-bos subtypes naar Gemengd bos (46), open water en vennen naar de zoetwaterklasse (16), kaal zand en strand naar Kale grond in natuurgebied (50), en natuurlijke graslanden en schraallanden (N10 tot en met N13) naar Overig open begroeid natuurgebied (51). De veentypen zijn bewust op de hoge veenwaarden gehouden. Een paar toewijzingen zijn een keuze die in de classificatie kan worden aangepast: vochtige heide (N06.04) is op Droge heide (47) gezet omdat de tabel geen natte-heideklasse heeft, vennen (N06.05 en N06.06) op de zoetwaterklasse omdat hun staande voorraad vrijwel nul is en de veenbodem door SOMERS wordt afgehandeld, wilgengriend (N17.05) op Struikgewas (48), en de omvormingstypen (N00.01 en N00.02) op Kale grond (50) als placeholder omdat die cellen nog geen staande natuurvoorraad zijn.

De volledige vertaaltabel staat hieronder. De koolstofwaarden per doelklasse staan in de tabel in de vorige paragraaf.

Beheertype Naam CC Carbonklasse
N00.01 Nog om te vormen naar natuur 50 Kale grond in natuurgebied
N00.02 Omvorming - Kwaliteitsimpuls 50 Kale grond in natuurgebied
N01.01 Zee en wad 19 Kust-/estuariumwater
N01.02 Duin- en kwelderlandschap 49 Duinen (begroeid)
N01.03 Rivier- en moeraslandschap 18 Riet en watervegetatie
N01.04 Zand- en kalklandschap 51 Overig open begroeid natuurgebied
N02.01 Rivier 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N03.01 Beek en bron 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N04.01 Kranswierwater 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N04.02 Zoete plas 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N04.03 Brak water 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N04.04 Afgesloten zeearm 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N05.01 Moeras (vervallen per 2021) 18 Riet en watervegetatie
N05.01.02 Landriet 18 Riet en watervegetatie
N05.01.03 Waterriet 18 Riet en watervegetatie
N05.01.06 Moerasstruweel 48 Struikgewas / kreupelhout
N05.01.07 Moerasloofbos 23 Bos in hoogveengebied
N05.01.11 Galigaanmoerassen 18 Riet en watervegetatie
N05.01.13 Open zand 50 Kale grond in natuurgebied
N05.01.14 Slikkige rivieroever 50 Kale grond in natuurgebied
N05.02 Gemaaid rietland 18 Riet en watervegetatie
N05.03 Veenmoeras 22 Hoogveen (veenmoeras)
N05.04 Dynamisch moeras 18 Riet en watervegetatie
N06.01 Veenmosrietland en moerasheide 22 Hoogveen (veenmoeras)
N06.02 Trilveen 22 Hoogveen (veenmoeras)
N06.03 Hoogveen 22 Hoogveen (veenmoeras)
N06.04 Vochtige heide 47 Droge heide
N06.05 Zwakgebufferd ven 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N06.06 Zuur ven of hoogveenven 16 Grote zoetwaterlichamen (meren)
N07.01 Droge heide 47 Droge heide
N07.02 Zandverstuiving 50 Kale grond in natuurgebied
N08.01 Strand en embryonaal duin 50 Kale grond in natuurgebied
N08.02 Open duin 49 Duinen (begroeid)
N08.02.01 Zeereep en strand 50 Kale grond in natuurgebied
N08.02.02 Stuivend duinzand 50 Kale grond in natuurgebied
N08.02.03 Witte duinen 49 Duinen (begroeid)
N08.02.07 Droog duingrasland kalkrijk 49 Duinen (begroeid)
N08.02.08 Droog duingrasland kalkarm 49 Duinen (begroeid)
N08.02.11 Duinstruweel 48 Struikgewas / kreupelhout
N08.02.15 Duingrasland 49 Duinen (begroeid)
N08.03 Vochtige duinvallei 51 Overig open begroeid natuurgebied
N08.04 Duinheide 47 Droge heide
N09.01 Schor of kwelder 20 Zilte schorren / brakgetijdenvlakten
N10.01 Nat schraalland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N10.02 Vochtig hooiland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N11.01 Droog schraalgrasland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N12.01 Bloemdijk 51 Overig open begroeid natuurgebied
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N12.03 Glanshaverhooiland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N12.05 Kruiden- en faunarijke akker 51 Overig open begroeid natuurgebied
N12.06 Ruigteveld 51 Overig open begroeid natuurgebied
N13.01 Vochtig weidevogelgrasland 51 Overig open begroeid natuurgebied
N13.02 Wintergastenweide 51 Overig open begroeid natuurgebied
N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N14.02 Hoog- en laagveenbos 23 Bos in hoogveengebied
N14.03 Haagbeuken- en essenbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N15.01 Duinbos 45 Naaldbos
N15.01.01 Duinbos – gemengd bos 46 Gemengd bos
N15.01.02 Duinbos – loofbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N15.01.03 Duinbos – naaldbos 45 Naaldbos
N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N15.02.01 – gemengd bos 46 Gemengd bos
N15.02.02 – loofbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N15.02.03 – naaldbos 45 Naaldbos
N16.01 Droog bos met productie (vervallen) 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N16.01.01 – gemengd 46 Gemengd bos
N16.01.02 – loofbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N16.01.03 – naaldbos 45 Naaldbos
N16.02 Vochtig bos met productie (vervallen) 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N16.03 Droog bos met productie 45 Naaldbos
N16.03.01 – gemengd bos 46 Gemengd bos
N16.03.02 – loofbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N16.03.03 – naaldbos 45 Naaldbos
N16.04 Vochtig bos met productie 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N16.04.01 – gemengd bos 46 Gemengd bos
N16.04.02 – loofbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N16.04.03 – naaldbos 45 Naaldbos
N17.01 Vochtig hakhout en middenbos (vervallen) 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N17.02 Droog hakhout 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N17.03 Park- en stinzenbos 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N17.04 Eendenkooi 44 Loofbos (natuur/produktiebos)
N17.05 Wilgengriend 48 Struikgewas / kreupelhout
N17.06 Vochtig en hellinghakhout 44 Loofbos (natuur/produktiebos)

Berekening van opslag en vastlegging

De berekening staat in het sjabloon CarbonStorageSequestration_T, dat per zichtjaar wordt geïnstantieerd. De lengte van de periode komt uit de Zichtjaar-classificatie; hoeveel daarvan als aanwas meetelt staat per cel in Carbon/Aanwasduur. Per cel worden een maximum (Carbon/Stock/Max_ha) en een opbouwsnelheid (Carbon/Max/Totaal/Flow_ha_jaar) bepaald, uit de carbonklasse of, bij een ontwikkelpakket, uit de samenstelling van dat pakket. Daarna volgt de recursie uit de paragraaf Concept en rekenregels.

De vorige voorraad komt uit PrevZichtjaar. Dat is het basisjaar in het eerste allocatiejaar, en anders het resultaat van het vorige zichtjaar. De keten loopt dus over de zichtjaren heen; wie alleen het eindjaar doorrekent, krijgt een andere uitkomst dan wie alle zichtjaren doorrekent.

De indicator levert twee grootheden naast elkaar. De vastlegging (Carbon/Flow) is het verschil tussen de huidige en de vorige voorraad over de periode, opgeteld over beide pools; de opslag (Carbon/Stock) is de staande voorraad zelf in het zichtjaar. Beide worden met 44/12 naar CO2 omgerekend en met het celoppervlak (AdminDomain/NrHaPerCell) naar een absolute hoeveelheid per cel. Daarnaast staat het verschil in staande voorraad ten opzichte van het basisjaar apart (CO2FlowTovBasisjaar).

Uitvoer

Verandering van de koolstofvoorraad

Voor elk zichtjaar schrijft de indicator drie gemaskeerde GeoTIFFs weg, beperkt tot het studiegebied:

Bestand Inhoud
CarbonStorageSequestration_stock_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif De opslag: de staande CO2-voorraad in het zichtjaar zelf
CarbonStorageSequestration_seq_ThisPeriod_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif De vastlegging over de periode sinds het vorige zichtjaar, positief bij opname en negatief bij uitstoot
CarbonStorageSequestration_stock_FromBaseYear_<jaar>_tonCO2_<studiegebied>.tif Het verschil in staande voorraad ten opzichte van het basisjaar

Het basisjaar schrijft naar de basisjaarmap, latere jaren naar de casusmap. De opslagkaart telt beide pools, dus de bovenste 30 centimeter plus de veenreserve daaronder. Alle drie de kaarten staan sinds #657 in de exportbundel; daarvoor wees de trigger daar naar een item dat onder deze indicator niet bestaat, waardoor twee van de drie bestanden bleven staan zoals een eerdere run ze had achtergelaten.

Let op het verschil tussen vastlegging en opslag. De vastlegging is een verschil over een enkele periode en is dus nul in een zichtjaar waarin de voorraad niet verandert, bijvoorbeeld in 2120 wanneer de allocatie tot stilstand is gekomen. De opslag toont dan nog steeds de volledige staande voorraad. Voor een vergelijking tussen varianten in het eindjaar is de derde kaart, het verschil met het basisjaar, meestal het meest bruikbaar: die telt de hele reeks perioden op zonder afhankelijk te zijn van wat er toevallig in het laatste decennium gebeurde.

Veen en de relatie met SOMERS

Deze indicator beschrijft de staande koolstofvoorraad; CO2 uitstoot veengebieden beschrijft de jaarlijkse oxidatieflux uit de gedraineerde veenkolom. Sinds #657 zijn die twee aan elkaar gekoppeld: de flux van SOMERS wordt hier van de voorraad afgeschreven, eerst uit de veenreserve en daarna uit de bodemvoorraad, zoals hierboven beschreven. Optellen van beide indicatoren telt die koolstof dus dubbel; de voorraadverandering van deze indicator bevat de veenoxidatie al.

Met kolom D als maximum staat hoogveen op 930 ton C per hectare, een waarde die bij de volledige veenkolom past. Het behouden van het beheertype-detail zorgt ervoor dat nieuwe veennatuur die hoogveenwaarde meekrijgt in plaats van een verdund natuurgemiddelde.

Aannames en te bevestigen punten

  • De startvoorraad uit de bodemkoolstofkaart meet de bovenste 30 centimeter bodem, terwijl Cmax uit de kengetallentabel ook de begroeiing omvat. Die twee zijn niet dezelfde grootheid; op ongeveer tweederde van het areaal ligt de kaartwaarde boven het klassemaximum. Daarom staat het begrenzen van de startvoorraad standaard uit en boekt het model alleen af bij een echte landgebruiksverandering.
  • Diezelfde mismatch werkt ook aan de opbouwkant, en dat is de reden voor Koolstof_VastleggenAlleenNaVerandering. Op een cel die van klasse verandert is het gat tussen de gemeten bodemvoorraad en het klassemaximum de begroeiing die nog moet groeien, en dan is aangroeien juist goed. Op een cel die niet verandert is datzelfde gat een verschil in afbakening, want de begroeiing staat er al; daar was de aanwas een boekhoudkundig verschijnsel. In de NL2120-toepassing, gemeten op de productierun van 1 september 2026, viel 80 procent van de bruto toename tot 2120 in de BAU-variant op cellen waarvan de landgebruiksklasse in 2120 gelijk was aan die in het basisjaar, en kwam 155 van de 215 Mton CO2 van vijf bosklassen die in geen enkele variant veranderen. Die getallen horen bij dat project en niet bij de indicator.
  • De indicator meet daarmee de verandering ten opzichte van het basisjaar en niet de absolute nationale koolstofbalans. Hij bevat sinds #737 geen staande opname meer van bestaand bos, terwijl het Nederlandse bos in werkelijkheid een bescheiden put is. Leg de uitkomst dus niet een op een naast de LULUCF-inventarisatie: het verschil tussen varianten is wat deze indicator beschrijft. Wie wel een absolute balans wil, heeft voor bestaand bos een leeftijdsafhankelijke bijgroei nodig en een startvoorraad die de staande biomassa meetelt in plaats van alleen de bovenste 30 centimeter bodem.
  • Binnen een cel die wel verandert dempt de aanwas niet met de leeftijd. Zij loopt met een constant tempo door tot het klassemaximum, zonder oogst en zonder sterfte. In de praktijk raakt dat alleen bos en veen: uitgaande van landbouwgrond met een gemeten bodemvoorraad rond 118 ton C per hectare bereiken naaldbos, gemengd bos, bos in hoogveengebied en hoogveen hun maximum binnen een eeuw niet, en loofbos pas na ongeveer 87 jaar. Voor een opstand die vanaf niets opbouwt is dat te verdedigen in omvang; de vorm klopt niet, want een jonge opstand groeit eerst langzaam en later harder. Voor bodemkoolstof zou een vaste overgangstermijn naar het nieuwe evenwicht passender zijn.
  • Nieuwe natuur die geen bos of veen is levert op landbouwgrond per constructie geen vastlegging, omdat het klassemaximum daar onder de gemeten bodemvoorraad ligt: riet en watervegetatie staan op 55, overig open begroeid natuurgebied op 77 en droge heide op 53 ton C per hectare. Dat volgt uit dezelfde vergelijking tussen een gemeten bodemvoorraad en een maximum dat bodem en biomassa samen beschrijft. Het is een eigenschap van de kentallen en niet van de maatregel, en het is goed om te weten voordat een uitkomst wordt gelezen als “vernatting levert geen koolstofwinst”.
  • Welke plafondkolom in gebruik is, werkt sinds #737 alleen nog op die bos- en veenklassen door, maar daar wel als hefboom. Voor nieuw loofbos geeft kolom D een ruimte van ongeveer 157 ton C per hectare en kolom E van 82. De keuze voor kolom D is in #483 met Deltares afgestemd, maar op een argument dat over de afboekkant ging.
  • De koolstoftabel is in ton koolstof; CO2 volgt uit 44/12.
  • Omdat meerdere carbonklassen dezelfde LGN-code delen, wijst de basisjaarvertaling per LGN-klasse een standaardklasse aan. Welke dat hoort te zijn, ligt nog bij Deltares en PBL.
  • De organischestofdichtheid en de koolstoffractie waarmee de veenreserve uit de veendikte volgt, zijn sinds #657 onderbouwd met de publicatie die Deltares heeft aangewezen. Ze bepalen rechtstreeks hoelang de reserve de oxidatie kan opvangen, en de publicatie geeft naast het gemiddelde van 0,103 ook een minimum- en een maximumscenario van 0,080 en 0,150.
  • De veendikte komt uit GeoTOP en ontbreekt voor Flevoland; daar is de reserve dus nul en bijt de oxidatie meteen in de bodemvoorraad. Hetzelfde geldt buiten de veengronden en moerige gronden van BOFEK2020 en onder de gemiddeld laagste grondwaterstand, zolang de twee begrenzingsschakelaars aanstaan. Waar de GLG-kaart niets geeft vervalt die tweede begrenzing en telt de volle kolom; het controlegetal daarvoor is Areaal_ZonderGLG.
  • De carbonklassen van de OP-subklassen zijn een best passende toekenning uit dezelfde Deltares-tabel; ze staan in Classifications/Grondgebruik/OPSubklasseK en zijn per regel aanpasbaar.
  • Diverse beheertype-toewijzingen zijn keuzes die in de classificatie kunnen worden herzien; de paragraaf Nieuwe natuur vertalen naar carbonklassen noemt ze bij naam.
  • Naast de afboeking bij landgebruiksverandering kent de indicator een verlies uit veenoxidatie. Andere vormen van achteruitgang, zoals kwaliteitsverlies van bestaande natuur zonder functieverandering, leiden hier niet tot een lagere voorraad.