Allocatie procedure in formules

Modeloverzicht

Het model van landallocatie en -ontwikkeling schematiseert hoe eigenaren van land units (bijvoorbeeld rastercellen) een subsector kiezen, en hoe ontwikkelaars van subsectoren besluiten of zij een land unit willen ontwikkelen. De keuzes worden verondersteld gestuurd te worden door ontwikkelwinsten en regionale claims per subsector-regio. N.B. Het model schat géén marktevenwicht of prijsaanpassing.

Sets

  • $I$: set van land units (e.g. rastercellen), index $i$.
  • $J$: set van subsectoren (e.g. eengezins vrije sector woningen), index $j$.
  • $R$: set van regio’s (e.g. NVM, COROP, Provincie), index $r$.

Parameters

  • $p_{ij}$: potentiele verkoopprijs van een woonobject op land unit $i$ in subsector $j$ (met kenmerken van het onderliggende ontwikkelpakket)
  • $c^b_{ij}$: bouwkosten op land unit $i$ per object van subsector $j$ (met kenmerken van het onderliggende ontwikkelpakket)
  • $c^s_{ij}$: sloopkosten op land unit $i$ per object van subsector $j$
  • $D_{ij}$: aantal objecten van subsector $j$ dat in land unit $i$ kan worden gerealiseerd bij potentiële dichtheid
  • $E_{ij}$: bestaand aantal objecten van subsector $j$ in land unit $i$
  • $K^v_{ij}$: verwervingskosten van de huidige objecten op land unit $i$ per object van subsector $j$
  • $K^w_i$: kosten voor woon-/bouwrijp maken van land unit $i$
  • $K^p_i$: plan- en proceskosten voor land unit $i$
  • $K^g_i$: bovenwijkse kosten voor land unit $i$
  • $R_{ir}\in \{0,1\}$: regio assignment matrix, de mate waarin land unit $i$ in regio $r$ ligt, i.e. \(\forall i: \sum_{r} R_{ir} = 1\)
  • $C_{jr}$: claim (regionale vraag) van subsector $j$ in regio $r$

De ontwikkelkosten $c^{ow}_i$ van land unit $i$ voor subsector $j$ worden berekend als:

\[c^{ow}_i := K^w_i + K^p_i + K^g_i + \sum_j [ (K^v_{ij} + c^s_{ij}) \cdot E_{ij} ]\]

De ontwikkelwinst $S_{ij}$ van land unit $i$ voor subsector $j$ wordt berekend als:

\[S_{ij} = (p_{ij} - c^b_{ij}) \cdot D_{ij} - c^{ow}_i\]

Beslissingsvariabelen

  • $x_{ij}\in\{0,1\}$: 1 als land unit $i$ herontwikkeld wordt naar subsector $j$; anders 0.
  • $x_{i0}\in \{0,1\}$: 1 als land unit $i$ ongewijzigd blijft (status quo); anders 0. Buitenoptie $j=0$ heeft per definitie $S_{i0}=0,\ D_{i0}=0$.
  • $Z_{jr}$: minimale ontwikkel-winst die ontwikkelaar $j$ in regio $r$ kan verlangen.

Formulering van het model

Doel/heuristiek

We wijzen ontwikkelopties $ij$ toe in aflopende volgorde van $S_{ij}$ voor zover subsector $j$ nog niet $C_{jr}$ kan realiseren met eerdere toewijzingen. De consequentie hiervan is dat er voor iedere $j$ indien gesatureerd is, een laatste toewijzing is met waarde $S_{ij}$, dit noemen we $Z_{jr}$. Met andere woorden, iedere ontwikkelaar $j$ ontwikkelt verkregen land units binnen regio $r$ tot aan $Z_{jr}$:

\[\max Z_{jr} \qquad \forall j, \forall r \qquad \text{(1)}\]

Gegeven voorwaarde (2):

\[Z_{jr} \cdot R_{ir} \cdot x_{ij} \le S_{ij} \cdot x_{ij} \qquad \forall i, \forall j, \forall r \qquad \text{(2)}\]

Er geldt dat voor iedere $i$ met $S_{ij} > Z_{jr}$ dat die gealloceerd is aan $j$ of een betere optie en voor iedere $S_{ij} <= Z_{jr}$ dat die $i$ tenminste niet aan die $j$ is toegewezen.

Iedere eigenaar van land unit $i$ wordt verondersteld de land units beschikbaar te stellen aan de ontwikkelaar van subsector $j$ voor zover subsector $j$ deze unit nog wil ontwikkelen.

\[\max_{x}\sum_{i} S_{ij} \cdot x_{ij} \qquad \forall i \qquad \text{(3)}\]

Exclusiviteit per land unit $i$ (exact één keuze: herontwikkel of niets doen):

\[\sum_{j} x_{ij} + x_{i0} = 1 \qquad \forall i \qquad \text{(4)}\]

Regionale claims op eindvoorraden:

\[\sum_{i} R_{ir} \cdot \left( E_{ij} \cdot x_{i0} + D_{ij} \cdot x_{ij} \right) \ge C_{jr} \qquad \forall j, \forall r \qquad \text{(5)}\]

Oftewel, bij herontwikkeling $(x_{ij}=1)$ vervangt $D_{ij}$ de bestaande $E_{ij}$ in die land unit; bij niets doen $(x_{i0}=1)$ blijft $E_{ij}$ staan.

Aannames:

  • elke land unit heeft een aparte ontwikkelaar (eigenaar) die een onafhankelijke keuze maakt.
  • uitkopen huidig opstal obv huidige prijzen

Binnen algeheel allocatie proces

Het allocatieproces wordt op meerdere niveaus herhaald. De hiërarchie is als volgt:

  1. Zichtjaren: per zichtjaar wordt het model opnieuw uitgevoerd.
  2. Sequenties: binnen een zichtjaar vinden meerdere sequenties plaats.
  3. Sector-alloc-regio’s: binnen elke sequentie wordt per sector-alloc-regio gealloceerd (bijvoorbeeld wonen op NVM).
  4. Iteraties: binnen een sector-alloc-regio wordt het allocatiemodel iteratief toegepast totdat claims zijn verwerkt.

De volgorde van de sector-alloc-regio’s staat in de tabel ModelParameters/SectorAllocRegio: per regel een sector, het regionale schaalniveau waarop de claims worden verdeeld (zoals NVM, COROP of Provincie), of de regel in vervolgsequenties meedoet en het aantal iteraties. Regels van dezelfde sector staan direct na elkaar, van de fijnste naar de grovere regio, zodat restclaims zo lokaal mogelijk worden opgevangen; in die tabel zet een toepassing ook haar sectoren aan en uit. Uiteindelijk wordt dus hetzelfde model meerdere keren uitgevoerd, afhankelijk van zichtjaar, sequentie, regio en iteratie.

Sequenties en verdringing

Sequenties zijn nodig om verdrongen objecten (zoals woningen of banen) opnieuw te kunnen alloceren.
Wanneer in een eerdere sequentie objecten worden verdrongen, levert dit restclaims op. Deze restclaims worden in de volgende sequentie opnieuw ingebracht, zodat ze alsnog elders gealloceerd kunnen worden. De eerste sequentie doorloopt alle regels van de tabel; een vervolgsequentie alleen de regels die daarvoor zijn aangemerkt (kolom UseInLaterSequences), in de regel de fijnste regio per sector, zodat verdringing zo lokaal mogelijk wordt opgelost. Het aantal sequenties staat in ModelParameters/Default_NrOfSequences.

Verzorgend werken blijft bij wonen

Op die verdringingsregel geldt een uitzondering voor de verzorgende werksubsectoren: detailhandel, overige consumentendiensten en overheid en kwartaire diensten. Zonder uitzondering zet de verdringing alle werkgelegenheid in een cel op nul zodra wonen die cel wint, zodat elke woningbouwlocatie de buurtvoorzieningen sloopt die er staan. Die banen komen als restclaim terug en moeten elders landen, en omdat binnen bestaand gebied nauwelijks iets beschikbaar is, landen ze op kaal buitengebied. Dat is een artefact van de celexclusieve allocatie en geen modelkeuze: de basisjaarstand zit vol cellen met woningen en banen tegelijk, dus de menging is prima representeerbaar; alleen het moment van herallocatie zou haar vernietigen.

Er zijn twee regels:

  1. Verzorgend werken blijft staan waar wonen de cel wint, inclusief de pandvoetafdruk. De hoofdfunctie van de cel wordt wonen, de voorzieningen blijven eronder staan; in de configuratie kiest StatePrep_T/VerdringingsTak voor deze subsectoren de behoudtak (Allocatie_T/Impl/Behoud_Expr) in plaats van de verdringing. Niet-verzorgend werken wordt wel gesloopt, want een fabriek verdwijnt wel als er een wijk komt, en andere sectoren die de cel overnemen, zoals waterberging of natuur, slopen ook door.
  2. Een woonontwikkelpakket brengt zelf verzorgende werkgelegenheid mee, ter hoogte van de woningdichtheid van het pakket maal de waargenomen verhouding banen per woning. Die verhouding is gemeten op de basisjaarstand in BaseData/StartState/VerzorgendBijWonen (de banen van de subsector op woongebiedcellen gedeeld door de woningen op diezelfde cellen) en niet als expertgetal ingevoerd, zodat zij consistent is met de basisjaarstand die de allocatie als vertrekpunt neemt; ModelParameters/Werken/VerzorgendInWoonOP_Factor is de bijstelfactor erop, en op 1 volgt het model de waarneming. Werkgelegenheid op bedrijventerreinen en in centrumgebieden telt in de teller niet mee, dus de verhouding is een ondergrens. De bezetting staat als ondergrens naast wat er al stond (BehoudPlusOP_Expr), en deze banen krijgen geen eigen pandvoetafdruk omdat zij in de plint van het pakket zitten en dus al in de gebouwvoetafdruk die het pakket oplegt.

Welke subsectoren verzorgend zijn staat als data in Classifications/Actor/Jobs6/IsVerzorgend, met een IntegrityCheck die de vlag aan de subsectornamen bindt.

Banen zijn exogeen en vormen de claimvariabele. De pakketbezetting mag de stand daarom niet boven de claim uit tillen: een regel die de stand ophoogt voordat de allocatie begint kan overrealisatie geven, en dat is de toets bij elke wijziging van de verhouding of de bijstelfactor (#710).

Overflow-mechanisme

Het alloceren start altijd op het laagste ruimtelijke niveau (bijvoorbeeld regio A).

  • Eerst wordt geprobeerd alle claims binnen regio A te plaatsen.
  • Indien dit niet lukt (te weinig geschikte locaties), wordt de restclaim bepaald:
    \(\text{restclaim} = \text{claim} - \text{gerealiseerd in A}\)
  • Deze restclaim wordt vervolgens doorgeschoven naar een hoger ruimtelijk niveau (regio B, dat A bevat).
  • Het allocatieproces verloopt in regio B identiek, maar nu met de resterende claims. Zo kunnen claims die lokaal niet passen alsnog regionaal worden opgevangen.

image

Dichtheden

Bij allocatie is niet alleen de keuze welke subsector in welke land unit wordt ontwikkeld van belang, maar ook met welke dichtheid dit gebeurt.

  • Elke subsector heeft een potentiële dichtheid ($D_{ij}$), die de maximale intensiteit van gebruik in een land unit aangeeft (bijv. aantal woningen per hectare).
  • De ontwikkel-winst ($S_{ij}$) is berekend gegeven deze potentiële dichtheid, inclusief bouwkosten, sloopkosten en bijkomende plan- en inrichtingskosten.
  • Bij toewijzing van een claim wordt dus impliciet een keuze voor een bepaalde dichtheid gemaakt: hogere dichtheden vergen meer investeringen maar kunnen per saldo meer objecten opleveren.

Iteraties

Binnen elke sector-alloc-regio loopt het allocatieproces iteratief.
Elke iteratie bepaalt per subsector en regio de restclaim, de claim minus de stand van dat moment, en selecteert daarvoor de opties met de hoogste ontwikkelwinst ($S_{ij}$) tot aan de afkapgrens. Het aantal iteraties per sector-alloc-regio ligt vast in ModelParameters/SectorAllocRegio; zodra de regionale claims ($C_{jr}$) zijn ingevuld of er geen beschikbare cellen meer zijn, alloceert een iteratie niets meer.


Allocatiedomein: van AllocDomain naar AdminDomain

Het model kent twee grids, instelbaar via ModelParameters/Advanced/AdminDomain_ref en AllocDomain_ref: het AdminDomain (25 m), waarop geschiktheid, beschikbaarheid en de stand worden bijgehouden, en het grovere AllocDomain (100 m). De allocatie zelf vindt rechtstreeks plaats op het 25 m-niveau, op het zogeheten CompactedAdminDomain. Dat is de verzameling AdminDomain-cellen die binnen het studiegebied vallen (select_with_attr_by_org_rel(AdminDomain, AdminDomain/IsCompactedDomain)). Het “compacten” houdt het domein klein en daarmee de allocatie snel. Welke 25 m-cellen meedoen wordt op AllocDomain-niveau bepaald, zodat er geen losse 25 m-celletjes buiten de selectie vallen.

Doordat de keuze op de cel van 25 meter valt, is er geen beschikbaarheidsdrempel per AllocDomain-cel die versnippering (losse cellen, smalle linten) tegenhoudt. Die rol vervult het geclusterd alloceren hieronder.

Landbouw loopt via de discrete allocatie op een ander spoor en kent wel een minimale-beschikbaarheidsdrempel: MinimalLandAvailability_Landbouw in VariantParameters/VariantK, gedefinieerd als hectare per cel van 100 meter, dus als aandeel, en toegepast als aandeel beschikbare cellen in een schijf van 50 meter rond de cel van 25 meter.

Geclusterd alloceren

Geclusterd alloceren stelt een eis aan de aaneengeslotenheid en omvang van het allocatieresultaat zelf. Het doel is “geen confetti”: geen versnipperde, losliggende of lintvormige toewijzingen, maar samenhangende clusters van voldoende omvang (bijvoorbeeld woonmilieus, bedrijventerreinen of waterbergingsgebieden).

De stappen binnen één iteratie (zie Templates/Allocatie/Iter_T/Iter_Allocatie.dms) zijn:

De afkapgrens per subsector en allocatieregio

  1. Afkapgrens en arg_max (zie hierboven). Per subsector wordt met de weighted nth element de afkapgrens bepaald en met arg_max per cel de winnende subsector gekozen. Dit levert een ruw allocatieresultaat op 25 m op. Voor werken is deze onderlinge keuze lexicografisch: eerst wint de subsector met de hoogste plancapaciteit- of stimuliprioriteit op die cel (een bestaande dominante kantoor- of voorzieningencel van de eigen subsector boven hard boven zacht boven stimuli, KanOp-gefilterd), pas daarbinnen de hoogste MNL-kans (IterSubsector_T/SubsectorKeuzePrioriteit). De tredescores zelf zijn hiervoor onbruikbaar, omdat het aantal treden per subsector verschilt. Binnen een subsector rangschikt werken bovendien op het raw-nut in plaats van de kans, omdat de MNL-noemer per cel verschilt en de rangorde verstoort; zie Geschiktheid.

  2. Morfologische opschoning (lintfilter). Smalle linten, bijvoorbeeld het volbouwen van een weg dwars door de stad, worden eruit gefilterd via een erosie-dilatie (opening):

    • Erosie: een cel overleeft alleen als minimaal een instelbaar aantal van zijn acht buren ook is gealloceerd (ModelParameters/Advanced/MorfologischeCleaning_BuurCellen_<sector>, per sector instelbaar omdat een bedrijventerrein van 50 meter breed vreemd is en een woonstraat van 50 meter niet; standaard 6 voor alle sectoren). Dat is de minimale beukmaat: 6 buren komt neer op 75 meter, 5 op 50 meter.
    • Dilatie: een cel hoort weer bij het resultaat als minstens één buurcel de erosie overleefde.
    • Het opgeschoonde resultaat is de oorspronkelijke allocatie binnen het gedilateerde gebied. Cellen die hierdoor afvallen krijgen IsAfgewezen_dmv_Morfologie.

De vier stappen van geclusterd alloceren op een voorbeeldpatroon

De figuur laat de vier stappen zien, met het echte algoritme toegepast op een voorbeeldpatroon van 34 bij 22 cellen. Blauw is wat er na die stap overblijft, lichtgrijs is wat de ruwe allocatie had en onderweg is afgevallen. De drempel staat hier op 6 buren en de minimale clusteromvang op 16 cellen, dus 1 hectare.

Van boven naar beneden. De ruwe allocatie bevat een compact blok van 8 bij 8, een strook van 3 cellen breed, een strook van 2 cellen breed, een lint van 1 cel breed, een blokje van 3 bij 3 en een handvol losse cellen. Na de erosie blijven alleen de binnenkant van het blok, de middelste rij van de strook van 3 en het hart van het blokje over; de strook van 2, het lint en de losse cellen halen de eis van 7 van de 9 niet en verdwijnen. De dilatie zet daar weer een rand omheen en de doorsnede met de oorspronkelijke allocatie herstelt het blok en de strook van 3 precies. De toets op clusteromvang gooit tenslotte het blokje van 9 cellen eruit, want dat haalt de hectare niet. Van de 156 gealloceerde cellen blijven er 100 over.

  1. Clusteren met district_8. De opgeschoonde cellen worden met district_8 gegroepeerd tot aaneengesloten districten (8-connectiviteit). Per district wordt het oppervlak bepaald (pcount maal ha per cel). Aaneengeslotenheid mag ontstaan door cellen van verschillende subsectoren, en ook door cellen van andere sectoren die dit zichtjaar zijn gealloceerd; waterberging is daarop de uitzondering, en een landbouwlabel telt niet mee omdat het de cel niet vastlegt. Zie Hoe ver de aangroei reikt.

  2. Toets op minimale clustergrootte. Een cluster wordt alleen behouden als het oppervlak boven de minimumdrempel ligt. De drempel verschilt binnenstedelijk versus buitenstedelijk, bepaald uit de BRT-woonkernkaart (SourceData/Grondgebruik/BRT/IsWoonkern):

    Sector Binnenstedelijk (woonkern) Buitenstedelijk
    Wonen 0,4 ha 2 ha
    Werken 0,4 ha 2 ha
    Verblijfsrecreatie 0,4 ha 2 ha
    Waterberging 2 ha (uniform) 2 ha (uniform)

    De drempels staan in ModelParameters/Advanced als Minimum_alloc_group_size_Binnenstedelijk_<sector> en Minimum_alloc_group_size_Buitenstedelijk_<sector>. Waterberging valt daarbuiten: die heeft een enkele drempel Minimum_alloc_group_size_Waterberging, zonder het binnen- versus buitenstedelijke onderscheid. district_8 deelt ook de niet-gealloceerde cellen in districten in; het grootste district, de niet-gealloceerde achtergrond, is als IsNonGroup gemarkeerd (het moet daarvoor minstens de helft van het studiegebied beslaan) en telt niet als cluster.

  3. Afgewezen cellen vallen terug in de volgende iteratie. Cellen in te kleine clusters (of weggefilterd door de morfologie) worden IsAfgewezen. Deze afwijzing wordt cumulatief over iteraties bijgehouden (IsAfgewezen_Cumulatief). Vanaf een instelbare iteratie (ModelParameters/Advanced/IterVanafWaarWeAfgewezenCellenUitsluitenInAlloc, standaard 1) worden afgewezen cellen uit de beschikbaarheid gehaald, zodat de weighted nth element in een volgende iteratie elders zoekt.

Hoe een cluster kan aangroeien

De erosie, de dilatie en de districtenbepaling kijken naar alles wat er dit zichtjaar al gealloceerd is, plus de cellen van de lopende iteratie. Daardoor kan een cluster over iteraties heen aangroeien. Alleen cellen van de lopende iteratie kunnen nog worden afgewezen; wat al ligt blijft liggen.

De toets is cumulatief omdat een vormtoets die alleen naar de lopende iteratie kijkt een bestaand cluster niet laat aangroeien. Een cel die tegen een eerder gealloceerd gebied aan ligt ziet in de erosiestap dan alleen zijn niet-gealloceerde buren, haalt de eis van zes van de acht buren niet en wordt blijvend uitgesloten. Elke iteratie zou zo op eigen kracht een compleet nieuw cluster van voldoende omvang moeten vormen, en verliest daarbij opnieuw zijn eigen rand. Dat kost claimrealisatie, bij waterberging het meest omdat een bergingsgebied groot moet zijn, en het houdt wonen uit de woonkernen, want binnenstedelijke ruimte komt in kleine stukken beschikbaar die de drempel alleen door aangroei halen. Zie Uitwerking waterberging.

Hoe ver de aangroei reikt

Waar de aangroei begint en ophoudt is een bewuste afbakening, want de lopende stand SubSector_rel stapelt van nature veel breder op dan bedoeld.

Wat wel meetelt: alle iteraties, sector-allocregios en sequenties binnen hetzelfde zichtjaar. Wonen op COROP bouwt dus voort op wat wonen op NVM heeft neergezet.

Wat ook meetelt, behalve voor waterberging: cellen van andere sectoren. Een woning die tegen een nieuw bedrijventerrein aan ligt is geen versnipperde ontwikkeling, dus die mag aanhechten. Bij waterberging is de minimale clusteromvang een functionele eis, want een bergingsgebied moet zelf groot genoeg zijn om water vast te houden, en dat wordt niet anders van woningen ernaast. Daar tellen alleen eigen cellen. Een landbouwlabel telt voor geen enkele sector mee, want landbouw legt de cel niet vast en wordt elk zichtjaar opnieuw gealloceerd; anders was elke landbouwcel voor de vormtoetsen een gealloceerde cel en kon een cluster overal aanhechten.

Wat niet meetelt: wat er in eerdere zichtjaren is gealloceerd. Zonder die grens werkt het model zich over een reeks zichtjaren cel voor cel het landschap in.

Wat ook niet meetelt: de bestaande bebouwing uit het basisjaar. Dat is de eigenschap die versnippering tegenhoudt. Zou een cel naast een bestaand dorp de toets al halen omdat dat dorp er staat, dan is de minimale clusteromvang betekenisloos en krijg je precies de losse spikkels die het mechanisme moet voorkomen. Daarom geldt: het eerste cluster van een zichtjaar moet op eigen kracht aan de drempel voldoen, en pas daarna mag eraan gegroeid worden.

De aangroei geldt voor alle sectoren, dus ook wonen, werken en verblijfsrecreatie krijgen er clusters mee die over iteraties heen kunnen aangroeien.

Let daarbij op de rol van IterVanafWaarWeAfgewezenCellenUitsluitenInAlloc. Dat mechanisme lijkt een rem maar is een motor. Cellen die losliggend boven de zaaglijn uitkomen hebben geen gealloceerde buren en halen de erosie-eis nooit, ook niet met de cumulatieve toets. Zolang ze beschikbaar blijven kiest de allocatie ze elke iteratie opnieuw en wijst ze elke iteratie opnieuw af, zonder dat er iets gealloceerd wordt. Pas na blijvende uitsluiting komt de allocatie verder. De parameter staat daarom standaard op 1: een afgewezen cel blijft meteen uitgesloten voor de rest van deze sector en allocregio; een later beginpunt kost alleen lege iteraties met dezelfde eindstand. Mildere varianten, waarin een afgewezen cel terugkomt zodra zij een gealloceerde buur heeft of de erosiedrempel zou halen, laten de allocatie vastlopen of leveren per saldo niets op (#643).

Een minimale beukmaat (minimale breedte van een cluster) staat als de erosie-eis per sector in de morfologische opening; een aparte breedtetoets is er niet. Samenhang wordt verder via de minimale clusteromvang afgedwongen.

Geclusterd alloceren is generiek over de sectoren wonen, werken, verblijfsrecreatie en waterberging; die laatste heeft een eigen, uniforme drempel.

Verantwoording

De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.

  • #508: geclusterd alloceren op de cel van 25 meter van het compacted domain, met de morfologische opening, de districten en de minimale clusteromvang per sector, binnen- en buitenstedelijk verschillend.
  • #575: de inregeling van de waterbergingsallocatie, met een uniforme clusterdrempel en een rangorde op de geschiktheid van de omgeving.
  • #643: de cumulatieve vormtoets waardoor clusters over iteraties heen aangroeien, de afbakening van wat daarbij meetelt, en de uitsluiting van afgewezen cellen vanaf de eerste iteratie; mildere varianten zijn daar afgewogen en afgevallen.
  • #668: de voorrang van een bestaande dominante kantoor- of voorzieningencel van de eigen subsector in de subsectorkeuze van werken.
  • #710: verzorgend werken blijft staan waar wonen de cel wint, en een woonontwikkelpakket brengt zelf verzorgende werkgelegenheid mee naar de op de basisjaarstand waargenomen verhouding; de toets dat de pakketbezetting onder de claim blijft.
  • #716: de pandvoetafdruk van verzorgend werken blijft mee staan waar wonen de cel wint.
  • #770: de minimale beschikbaarheid voor landbouw als aandeel van een schijf van 50 meter rond de cel van 25 meter.
  • #801: de lexicografische subsectorkeuze en het raw-nut bij werken en de twee regels voor verzorgend werken vast ingebouwd, zonder schakelaar.
  • #803: een landbouwlabel legt de cel niet vast en telt daarom niet mee als aanhechting in de vormtoetsen.

Table of contents