Mortaliteit agv groenveranderingen

Terug naar Effectmodules en indicatoren


Deze indicator schat de verandering in sterfte onder bewoners als gevolg van een toename of afname van groen in hun woonomgeving, op basis van de verandering in de groenindex NDVI binnen 500 meter rond de woning. Hij staat per casus en per zichtjaar onder /Indicatoren/<casus>/Zichtjaren/<jaar>/SterfteAfnameDoorGroenToename en is gebouwd in issue #484.

Achtergrond en bron

Het RIVM heeft een literatuuronderzoek gedaan naar de mogelijkheden om gezondheidsvoordelen van groen te kwantificeren. Er is weinig kwantitatieve evidentie, maar één relatie is bruikbaar: de relatie tussen groen en mortaliteit.

De kans op overlijden neemt met circa 4% af wanneer de groenindex (NDVI) met 0,1 toeneemt binnen een zone van 500 meter van het woonadres.

Deze indicator maakt geen onderscheid naar type groen, kwaliteit, biodiversiteit, aantrekkelijkheid, veiligheid of toegankelijkheid. Het betreft een correlatie; een causaal verband is niet met zekerheid vastgesteld. Het is niettemin de enige indicator die een ruwe indicatie geeft van het effect van groen op gezondheid.

Waterlichamen en watervegetatie worden buiten beschouwing gelaten: de NDVI is daar 0 of negatief, terwijl water waarschijnlijk geen negatief mortaliteitseffect heeft. Het grootste effect is te verwachten wanneer bebouwd gebied of kale grond wordt omgezet in natuur.

Bron: RIVM, Onderzoek naar mogelijkheden om de gezondheidsvoordelen van groen te kwantificeren. Inzichten vanuit het project GRIP: Integrale Gezondheidseffecten van Ruimtelijke Plannen (rapport 2026-0008).

Rekenwijze

Per cel van 25 meter wordt eerst de groenindex in de omgeving bepaald: het gewogen gemiddelde van de NDVI binnen een straal van 500 meter (focal mean). Uitgesloten cellen (water, duinen, kwelders) tellen niet mee, niet in de teller en niet in de noemer:

NDVI_500m(cel) = potential(NDVI, straal_500m) / potential(IsDefined(NDVI), straal_500m)

Die groenindex wordt vervolgens omgerekend naar vermeden sterfgevallen:

vermeden sterfgevallen = referentiesterfte * dNDVI * EffectPerNDVI * bewoners * periode

De referentiesterfte is een kans per jaar, dus de eerste vier termen samen geven vermeden sterfgevallen per jaar. De vermenigvuldiging met de periode, de lengte in jaren tussen het vorige en dit zichtjaar, maakt er vermeden sterfgevallen over die periode van. Een positieve uitkomst betekent vermeden sterfgevallen door toename van groen, een negatieve uitkomst extra sterfgevallen door afname van groen.

De indicator levert per cel twee uitkomsten naast elkaar: AfnamePerPeriode voor de periode zelf, en AfnameCumulatief voor alles vanaf het basisjaar tot en met dit zichtjaar. De cumulatieve reeks telt de perioden tot hier op en kijkt dus niet vooruit naar zichtjaren die nog moeten komen. Naast beide kaarten staan de landelijke totalen AfnamePerPeriode_Totaal en AfnameCumulatief_Totaal.

De NDVI-onzekerheid wordt expliciet meegenomen via een min-, mid- en max-variant: de onder- en bovengrens van het NDVI-bereik per landgebruiksklasse. Welke rand wordt gebruikt staat in ModelParameters/Wonen/NDVI_basisjaar_ref voor het basisjaar en in de variantparameter NDVI_variant_ref voor de zichtjaren.

De bandkeuze verschilt per variant, en dat kan het teken omkeren

NDVI_variant_ref staat per variant, niet per project. Twee varianten van dezelfde toepassing kunnen dus op een andere rand van hetzelfde bereik rekenen, en dan is een verschil tussen die twee deels een bandeffect en niet alleen een gevolg van ander landgebruik.

Waarom dat het teken kan omkeren: de indicator rekent met het verschil in NDVI ten opzichte van het basisjaar, en het basisjaar staat op zijn eigen instelling NDVI_basisjaar_ref. Staat een variant op een andere rand dan het basisjaar, dan krijgt elke veranderde cel een sprong die niet uit het landgebruik komt. Bij een omzetting binnen dezelfde orde van groenheid, bijvoorbeeld agrarisch gras (bereik 0,30 tot 0,55, midden 0,425) naar een grasachtige natuurklasse waarvan het bereik dat midden omsluit, bepaalt de bandkeuze dan of het verschil positief of negatief uitvalt bij precies hetzelfde fysieke landgebruik.

Ter illustratie, en die waarden horen bij het project en niet bij de indicator: in de toepassing NL2120 staat NDVI_variant_ref op mid voor BAU en BAU2 en op max voor de twee NbS-varianten, terwijl NDVI_basisjaar_ref voor alle vier op mid staat. Een vergelijking tussen een BAU-kolom en een NbS-kolom mengt daar dus twee dingen.

Vermeld bij een uitkomst van deze indicator daarom altijd welke band elke variant draagt. Dat staat niet in het metadatablok dat bij een aanlevering wordt weggeschreven, dus de ontvanger kan het niet zelf zien.

Twee groepen bewoners

Voor de verandering van de groenindex worden twee groepen bewoners onderscheiden, elk met een eigen referentie:

Groep Definitie Waar de verandering tegen wordt afgezet
Zittende bewoners min(bewoners_zichtjaar, bewoners_basisjaar) De verandering op de eigen locatie sinds het basisjaar (NDVI/VeranderingOpLocatie)
Nieuwe bewoners max(bewoners_zichtjaar - bewoners_basisjaar, 0) Het verschil met het naar bewoners gewogen landelijke gemiddelde in het basisjaar (NDVI/VerschilMetRegiogemiddelde)

Wie er in het basisjaar al woonde verhuist niet, dus voor die groep telt wat er in de eigen omgeving verandert. Wie er sinds het basisjaar is bijgekomen, wordt verondersteld uit een gemiddelde bestaande woning te komen; voor die groep is de winst het verschil tussen de nieuwe woonomgeving en dat gemiddelde. De twee bijdragen worden per cel opgeteld tot AfnamePerPeriode.

Zonder die splitsing kreeg de hele bestaande voorraad elk zichtjaar een effect zonder dat er in de omgeving iets veranderde. Landelijk gaf dat over de periode 2023 tot 2060 ruim 12.000 vermeden sterfgevallen uit een ongewijzigd basisjaar.

Referentiesterfte en huishoudensgrootte per buurt

De referentiesterfte en de huishoudensgrootte zijn geen landelijke constanten maar komen per buurt uit de CBS Kerncijfers wijken en buurten (SourceData/Bevolking, jaar instelbaar met ModelParameters/Wonen/KWB_Jaar). Ze worden eenmaal per casus bepaald in Basisjaar/Mortaliteit/Demografie; de zichtjaren verwijzen daarnaar, zodat alleen de woningvoorraad en de groenindex in de tijd lopen en de sterftekans per buurt niet.

De sterftekans van een buurt is het waargenomen aantal sterfgevallen gedeeld door het aantal inwoners, gekrompen naar het cijfer van het bovenliggende schaalniveau:

sterftekans = (sterfgevallen + krimpgewicht * sterftekans_bovenliggend) / (inwoners + krimpgewicht)

De keten loopt van buurt naar wijk naar gemeente naar landelijk. Het krimpgewicht (Sterfte_KrimpGewicht, standaard 500 inwoners) is de omvang waarbij een buurt voor de helft met zijn eigen waarneming meetelt en voor de helft met die van de wijk. Zonder die krimp levert een buurt van 70 inwoners met een verzorgingshuis een sterftekans van 40% per jaar op. Op nul gezet krijgt elke buurt zijn eigen ongecorrigeerde cijfer, heel hoog gezet krijgt elke buurt het landelijke cijfer.

De huishoudensgrootte volgt uit het CBS-inwonertal van de buurt gedeeld door de woningvoorraad die het model in diezelfde buurt kent, begrensd tussen PersonenPerWoning_Ondergrens en PersonenPerWoning_Bovengrens (standaard 1,0 en 4,0). Die begrenzing is nodig in buurten waar het model weinig woningen kent en het CBS veel inwoners telt. Buurten zonder woningen of zonder inwoners, en cellen die aan de rand van de op 100 meter gerasterde buurtindeling buiten elke buurt vallen, krijgen het landelijke cijfer.

Twee integriteitscontroles bewaken de koppeling: de bewoners van het model moeten optellen tot ongeveer de landelijke bevolking, en de gemodelleerde sterfte in het basisjaar tot ongeveer het landelijke sterftecijfer, beide met een marge van 5%. Naast de indicator wordt de waargenomen sterfte zelf als kaart weggeschreven (SterfgevallenPerJaar_waargenomen); dat is geen modeluitkomst maar de CBS-sterfte uitgesmeerd over de woningen in de buurt, waar de indicator de verandering door groen bovenop rekent.

Parameters

Parameter Waarde Toelichting
EffectPerNDVI 0,04 / 0,1 4% lagere overlijdenskans per 0,1 NDVI-toename binnen 500 m (RIVM)
ReferentieSterfte per buurt, CBS KWB Aandeel van de bewoners dat per jaar overlijdt, gekrompen naar wijk, gemeente en land
PersonenPerWoning per buurt, CBS KWB Huishoudensgrootte om woningen naar bewoners te vertalen, begrensd op 1,0 tot 4,0
Sterfte_KrimpGewicht 500 inwoners Gewicht van de bovenliggende regio in de sterftekans van een buurt
KWB_Jaar 2024 Welk jaar van de Kerncijfers wijken en buurten wordt ingelezen
NDVI_basisjaar_ref mid Welke rand van de NDVI-bandbreedte het basisjaar gebruikt
NDVI_variant_ref per variant Idem voor de zichtjaren, ingesteld per variant

Rekenvoorbeeld

Gras in primair bebouwd gebied (NDVI 0,20 tot 0,45) wordt omgezet in loofbos (NDVI 0,60 tot 0,85). Binnen 500 meter wonen 200 zittende bewoners. De NDVI in de schijf stijgt met 0,25. Dat geeft een 10% lagere overlijdenskans (0,04 maal 2,5). Bij een buurtsterftekans van 0,9% per jaar overlijden in een groep van 200 bewoners gemiddeld 1,8 personen per jaar; een reductie van 10% is 0,18 vermeden sterfgevallen per jaar. Over een periode van tien jaar tussen twee zichtjaren staat er dan 1,8 vermeden sterfgevallen in AfnamePerPeriode.

Bepaling van de NDVI per cel

Welke NDVI een cel krijgt

De NDVI per cel wordt in volgorde van betrouwbaarheid bepaald. De eerste regel die past, wint:

  1. Nieuwbouw met een ontwikkelpakket: de cel heeft een gealloceerd ontwikkelpakket (Stand/OP_rel) en krijgt de naar oppervlakte gewogen NDVI van de inrichting van dat pakket (gebouwvoetafdruk, verharding, water, bruin, gras, boom en struik).
  2. Veranderd naar een gealloceerde functie: de NDVI van de LGN-klasse die bij de gealloceerde sector hoort.
  3. Veranderd naar exogeen opgelegde natuur: de NDVI van het beheertype waarmee die natuur is aangeleverd.
  4. Onveranderde cel: de waargenomen LGN-klasse van het basisjaar.

Een cel geldt als veranderd wanneer het landgebruik van het zichtjaar (Landgebruikskaart/Result_SA) afwijkt van dat van het basisjaar. Onveranderde cellen houden hun echte basisjaarwaarde, zodat het verschil met het basisjaar niet vervuild raakt door een verschil in meetmethode (issue #608).

Het NDVI-bereik zelf is op één plek gedefinieerd, de LGN-klassetabel hieronder. Alle andere classificaties verwijzen via een LGN_code naar de best passende LGN-klasse; er worden geen NDVI-waarden gedupliceerd. Alleen de ontwikkelpakketten hebben een eigen tabel, omdat een pakket geen landgebruiksklasse is maar een mengsel van oppervlaktesoorten.

Waarom deze gelaagde aanpak?

In zichtjaren is voor veranderde cellen geen LGN-klasse beschikbaar; alleen het gemodelleerde landgebruik (LU_ModelType) is bekend, en dat aggregeert meerdere natuurtypen tot één klasse (Natuur_Totaal). De grootste onzekerheid zit juist bij natuur, waar de NDVI in werkelijkheid varieert van ongeveer 0,15 (heide, hoogveen) tot 0,85 (loofbos). Daarom wordt voor nieuw opgelegde natuur teruggegrepen op de bron van die natuur. De exogene natuurlevering draagt per cel een beheertype uit de Index Natuur en Landschap (ExogeenOpleggen/Natuur_BT, per variant een eigen levering), en daar hoort een eigen NDVI-klasse bij. Alleen wanneer dat beheertype-detail ontbreekt, valt de indicator terug op het generieke Natuur_Totaal-bereik. Zie Uitwerking natuur voor waar die leveringen vandaan komen.

Voor nieuwbouw geldt hetzelfde argument een schaalniveau lager. Een woonwijk is geen enkele landgebruiksklasse: de ene wijk is vrijwel volledig verhard, de andere heeft wadi’s, bomen en struiken. Een NbS-pakket zou met een enkele stedelijke NDVI dezelfde uitkomst krijgen als een gewone wijk. Daarom komt de NDVI van een nieuwbouwcel uit de inrichting van het gealloceerde pakket.

Uitvoer

Vermeden sterfgevallen door meer groen

Per casus en zichtjaar worden vier kaarten weggeschreven als GeoTIFF, in %LocalDataProjDir%/Indicatoren/<casus>/:

Bestand Inhoud
Mortaliteit_NDVI_500m_<jaar>_<studiegebied>.tif De groenindex per cel, gemiddeld over een straal van 500 meter
Mortaliteit_NDVI_VeranderingOpLocatie_<jaar>_<studiegebied>.tif Verandering van die groenindex sinds het basisjaar
Mortaliteit_SterfteAfname_PerPeriode_<jaar>_<studiegebied>.tif Vermeden sterfgevallen in de periode tussen het vorige en dit zichtjaar
Mortaliteit_SterfteAfname_Cumulatief_<jaar>_<studiegebied>.tif Vermeden sterfgevallen vanaf het basisjaar tot en met dit zichtjaar

In het basisjaar zelf schrijft Basisjaar/Mortaliteit daarnaast de waargenomen sterfte en de basisjaar-NDVI weg, naar de basisjaarmap in plaats van de casusmap.

Vertaaltabellen

1. NDVI-bereik per LGN-klasse

De NDVI-bereiken zijn afgeleid uit het RIVM-rapport en de LGN-classificatie. Dit is de enige plek waar NDVI-waarden zijn vastgelegd. Uitgesloten klassen tellen niet mee in de analyse.

LGN-code Klasse NDVI min NDVI max Uitgesloten
0 onbekend
1 agrarisch gras 0,30 0,55  
3 aardappelen 0,40 0,65  
4 bieten 0,45 0,75  
5 granen 0,40 0,75  
9 boomgaarden 0,30 0,60  
11 loofbos 0,60 0,85  
12 naaldbos 0,50 0,75  
16 zoet water −0,15 0,05
17 zout water −0,20 0,05
18 bebouwing primair bebouwd gebied 0,00 0,15  
19 bebouwing secundair bebouwd gebied 0,05 0,20  
26 bebouwing in buitengebied 0,05 0,25  
27 overig grondgebruik in buitengebied 0,00 0,20  
30 kwelders 0,10 0,35
31 open zand in kustgebied 0,00 0,20  
32 duinen met lage vegetatie 0,10 0,30
33 duinen met hoge vegetatie 0,10 0,30
34 duinheide 0,15 0,35  
35 open stuifzand / rivierzand 0,00 0,20  
36 heide 0,15 0,35  
39 hoogveen 0,15 0,40  
40 bos in hoogveengebied 0,35 0,60  
41 overige moerasvegetatie 0,05 0,30  
42 rietvegetatie 0,05 0,30  
43 bos in moerasgebied 0,35 0,60  
46 gras in het kustgebied 0,20 0,50  
47 overig gras 0,25 0,50  
252 halfverharde wegen e.a. 0,00 0,10  
322 struikvegetatie in moerasgebied 0,25 0,50  

Volledige LGN-tabel: zie Classifications/Grondgebruik/LGNKlasse.

2. LU_ModelType → LGN-klasse (veranderde cellen, geen natuurdetail)

Voor cellen die in een zichtjaar van functie veranderen verwijst elk gemodelleerd landgebruik naar de best passende LGN-klasse; het NDVI-bereik volgt uit tabel 1.

LU_ModelType LGN-code NDVI min NDVI max Toelichting
Wonen_Totaal 19 0,05 0,20 analoog secundair bebouwd
Werken_Totaal 18 0,00 0,15 analoog primair bebouwd
Verblijfsrecreatie_Totaal 26 0,05 0,25 bebouwing in buitengebied
Waterberging_Totaal 41 0,05 0,30 moeras/rietveld
Infra_Totaal 252 0,00 0,10 halfverharde/verharde infra
Water_Totaal 16 −0,15 0,05 uitgesloten
Overig_Totaal 27 0,00 0,20 overig grondgebruik buitengebied
Natuur_Totaal 11 0,60 0,85 generieke terugval; alleen zonder beheertype
Landbouw_Rietteelt 42 0,05 0,30  
Landbouw_Aardappelen 3 0,40 0,65  
Landbouw_Bieten 4 0,45 0,75  
Landbouw_Granen 5 0,40 0,75  
Landbouw_Cranberry 1 0,30 0,55 aanname
Landbouw_Boomgaard 9 0,30 0,60  
Landbouw_Moerasbomen 43 0,35 0,60 bos in moerasgebied
Landbouw_Rijst 5 0,40 0,75 aanname, analoog graan
Landbouw_Yacon 3 0,40 0,65 aanname, analoog knolgewas
Landbouw_GG_vee_extensief 1 0,30 0,55  
Landbouw_GG_vee 1 0,30 0,55  
Landbouw_GG_vee_intensief 1 0,30 0,55  

De Natuur_Totaal-terugval (loofbos, 0,60 tot 0,85) wordt uitsluitend gebruikt wanneer voor een cel geen beheertype beschikbaar is. In de bovengrens reikt natuur bewust tot 0,85, omdat de NDVI van loof- en naaldbos hoger ligt dan een middenwaarde en bos naar verwachting ook daadwerkelijk meer bijdraagt aan gezondheid.

3. Beheertype naar LGN-klasse (nieuw opgelegde natuur)

Wanneer een cel naar exogeen opgelegde natuur verandert, wordt het beheertype van die levering gekoppeld aan de best passende LGN-klasse. Hieronder de toekenning per beheertype (codes volgens de index voor natuurbeheertypen). Duinen, water en kwelders zijn uitgesloten conform RIVM; kaal zand/strand telt wél mee.

Beheertype LGN-code Klasse
N00.01 Nog om te vormen naar natuur 0 onbekend (uitgesloten)
N00.02 Omvorming – kwaliteitsimpuls 0 onbekend (uitgesloten)
N01.01 Zee en wad 17 zout water (uitgesloten)
N01.02 Duin- en kwelderlandschap 32 duinen lage veg. (uitgesloten)
N01.03 Rivier- en moeraslandschap 41 overige moerasvegetatie
N01.04 Zand- en kalklandschap 36 heide
N02.01 Rivier 16 zoet water (uitgesloten)
N03.01 Beek en bron 16 zoet water (uitgesloten)
N04.01 Kranswierwater 16 zoet water (uitgesloten)
N04.02 Zoete plas 16 zoet water (uitgesloten)
N04.03 Brak water 16 zoet water (uitgesloten)
N04.04 Afgesloten zeearm 17 zout water (uitgesloten)
N05.01 Moeras 41 overige moerasvegetatie
N05.01.02 Landriet 42 rietvegetatie
N05.01.03 Waterriet 42 rietvegetatie
N05.01.06 Moerasstruweel 322 struikvegetatie moeras
N05.01.07 Moerasloofbos 43 bos in moerasgebied
N05.01.11 Galigaanmoerassen 41 overige moerasvegetatie
N05.01.13 Open zand 35 open stuifzand/rivierzand
N05.01.14 Slikkige rivieroever 41 overige moerasvegetatie
N05.02 Gemaaid rietland 42 rietvegetatie
N05.03 Veenmoeras 39 hoogveen
N05.04 Dynamisch moeras 41 overige moerasvegetatie
N06.01 Veenmosrietland en moerasheide 39 hoogveen
N06.02 Trilveen 39 hoogveen
N06.03 Hoogveen 39 hoogveen
N06.04 Vochtige heide 36 heide
N06.05 Zwakgebufferd ven 16 zoet water (uitgesloten)
N06.06 Zuur ven of hoogveenven 16 zoet water (uitgesloten)
N07.01 Droge heide 36 heide
N07.02 Zandverstuiving 35 open stuifzand
N08.01 Strand en embryonaal duin 31 open zand kustgebied
N08.02 Open duin 32 duinen lage veg. (uitgesloten)
N08.02.01 Zeereep en strand 31 open zand kustgebied
N08.02.02 Stuivend duinzand 31 open zand kustgebied
N08.02.03 Witte duinen 32 duinen lage veg. (uitgesloten)
N08.02.07 Droog duingrasland kalkrijk 32 duinen (uitgesloten)
N08.02.08 Droog duingrasland kalkarm 32 duinen (uitgesloten)
N08.02.11 Duinstruweel 33 duinen hoge veg. (uitgesloten)
N08.02.15 Duingrasland 32 duinen (uitgesloten)
N08.03 Vochtige duinvallei 32 duinen (uitgesloten)
N08.04 Duinheide 34 duinheide
N09.01 Schor of kwelder 30 kwelders (uitgesloten)
N10.01 Nat schraalland 46 gras in kustgebied
N10.02 Vochtig hooiland 46 gras in kustgebied
N11.01 Droog schraalgrasland 46 gras in kustgebied
N12.01 Bloemdijk 46 gras in kustgebied
N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland 46 gras in kustgebied
N12.03 Glanshaverhooiland 46 gras in kustgebied
N12.04 Zilt- en overstromingsgrasland 46 gras in kustgebied
N12.05 Kruiden- en faunarijke akker 6 overige landbouwgewassen
N12.06 Ruigteveld 47 overig gras
N13.01 Vochtig weidevogelgrasland 46 gras in kustgebied
N13.02 Wintergastenweide 46 gras in kustgebied
N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos 43 bos in moerasgebied
N14.02 Hoog- en laagveenbos 40 bos in hoogveengebied
N14.03 Haagbeuken- en essenbos 11 loofbos
N15.01 Duinbos 12 naaldbos
N15.01.01 Duinbos – gemengd bos 11 loofbos
N15.01.02 Duinbos – loofbos 11 loofbos
N15.01.03 Duinbos – naaldbos 12 naaldbos
N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos 11 loofbos
N15.02.01 … gemengd bos 11 loofbos
N15.02.02 … loofbos 11 loofbos
N15.02.03 … naaldbos 12 naaldbos
N16.01 Droog bos met productie (vervallen) 11 loofbos
N16.01.01 … gemengd 11 loofbos
N16.01.02 … loofbos 11 loofbos
N16.01.03 … naaldbos 12 naaldbos
N16.02 Vochtig bos met productie (vervallen) 11 loofbos
N16.03 Droog bos met productie 12 naaldbos
N16.03.01 … gemengd bos 11 loofbos
N16.03.02 … loofbos 11 loofbos
N16.03.03 … naaldbos 12 naaldbos
N16.04 Vochtig bos met productie 11 loofbos
N16.04.01 … gemengd bos 11 loofbos
N16.04.02 … loofbos 11 loofbos
N16.04.03 … naaldbos 12 naaldbos
N17.01 Vochtig hakhout en middenbos (vervallen) 11 loofbos
N17.02 Droog hakhout 11 loofbos
N17.03 Park- en stinzenbos 11 loofbos
N17.04 Eendenkooi 43 bos in moerasgebied
N17.05 Wilgengriend 43 bos in moerasgebied
N17.06 Vochtig en hellinghakhout 11 loofbos

4. NDVI per OP-subklasse (nieuwbouw met een ontwikkelpakket)

Een cel met een gealloceerd ontwikkelpakket krijgt geen enkele landgebruiksklasse maar een mengsel. De inrichting van het pakket is per buurt bekend als terreinoppervlakte per subklasse (OP_Buurt/Terreinoppervlakte/Totaal); de NDVI van de cel is het naar die oppervlakten gewogen gemiddelde over de zeven subklassen. NbS-pakketten hebben een eigen kolom, omdat hun water wadi-achtig is (begroeide oevers in plaats van open water) en hun struiklaag natuurlijker is ingericht.

OP-subklasse min mid max NbS min NbS mid NbS max
Gebouwvoetafdruk 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Verhard 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Water 0,00 0,00 0,00 0,05 0,05 0,30
Bruin 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00 0,00
Gras 0,20 0,20 0,45 0,25 0,25 0,50
Boom 0,45 0,45 0,75 0,45 0,45 0,75
Struik 0,25 0,25 0,25 0,50 0,50 0,50

De waarden staan in Classifications/Grondgebruik/OPSubklasseK, naast de carbonklassen die dezelfde subklassen gebruiken voor de koolstofindicator.

BAG-nieuwbouwcellen hebben sinds issue #550 wel een gematcht ontwikkelpakket, maar geen fysiek ingerichte cel. Ze horen dus niet via deze route te lopen; zie de aannames hieronder.

Aannames en beperkingen

  • De relatie tussen NDVI en mortaliteit is een correlatie, geen vastgesteld causaal verband.
  • Het NDVI-bereik per landgebruiksklasse is een bandbreedte, geen exacte waarde; de werkelijke NDVI hangt onder meer af van natuurkwaliteit, seizoen en beheer. Daarom worden min-, mid- en max-varianten doorgerekend.
  • Water, duinen en kwelders worden uitgesloten van de analyse (lage of niet-representatieve NDVI).
  • De koppeling van LU_ModelType en beheertypen aan een LGN-klasse betreft een best passende toekenning; deze is per regel verfijnbaar.
  • De terugval voor Natuur_Totaal (loofbos, 0,60 tot 0,85) wordt alleen gebruikt waar het beheertype-detail ontbreekt; dit kan natuur overschatten in varianten die op laag-NDVI-natuur (heide, hoogveen) inzetten.
  • De sterftekans per buurt is die van het waarnemingsjaar en loopt niet mee in de tijd: vergrijzing, verandering van de bevolkingssamenstelling en medische vooruitgang zitten er niet in. Alleen de woningvoorraad en de groenindex veranderen per zichtjaar.
  • De huishoudensgrootte is de verhouding tussen het CBS-inwonertal en de modelwoningvoorraad van de buurt. Waar het model de voorraad anders telt dan het CBS, zit dat verschil in de huishoudensgrootte; de begrenzing op 1,0 tot 4,0 vangt de uitschieters af.
  • Nieuwe bewoners worden afgezet tegen het landelijke gemiddelde in het basisjaar (Regio_ref staat op NL). Een fijnere regio-indeling zou de veronderstelde herkomst van nieuwe bewoners realistischer maken; die keuze staat op één plek in de configuratie.
  • De cumulatieve reeks houdt de vermeden sterfgevallen per jaar constant binnen een periode, op het niveau aan het eind van die periode. Bij lange perioden overschat dat het effect van groen dat pas laat in de periode is aangelegd.