Werken wordt gealloceerd na wonen. Op hoofdlijnen volgt de sector dezelfde procedure: een iteratieve toewijzing van subsectoren, in onderlinge concurrentie, op basis van de beschikbaarheid en de relatieve geschiktheid van locaties. Wat werken anders maakt is de eenheid waarin de opgave wordt uitgedrukt (banen in plaats van woningen), het ontbreken van ontwikkelpakketten, en het feit dat een cel bijna nooit door één subsector wordt gebruikt.
Deze pagina beschrijft de sector als geheel. De onderdelen die werken deelt met de andere sectoren staan elders: de zeef en de restricties op Beschikbaarheid, het kansmodel op Geschiktheid, de dichtheid op Dichtheid, de stand in het basisjaar op Startstaat en de iteratie op Allocatie procedure in formules.
De sector kent zes subsectoren, de klassenindeling Jobs6 (Classifications/Actor/Jobs6). De standvariabele is de baan; daarnaast draagt elke cel de pandvoetafdruk per subsector, want die is de fysieke ruimtemaat waarmee de rest van het model rekent.
| subsector | BAG-gebruiksdoelen | CBS-grondgebruik | verzorgend | ruimtebeslag per baan |
|---|---|---|---|---|
| Nijverheid | industrie, utiliteit-combi | bedrijfsterrein | nee | groeit |
| Logistiek | logistiek (eigen pandenlijst) | bedrijfsterrein | nee | groeit |
| Detailhandel | winkel | detailhandel en horeca | ja | constant |
| Overige consumentendiensten | bijeenkomst, sport, logies | detailhandel en horeca | ja | krimpt |
| Zakelijke dienstverlening | kantoor | bedrijfsterrein | nee | krimpt |
| Overheid en kwartaire diensten | celfunctie, gezondheidszorg, onderwijs | voorzieningen | ja | krimpt |
De laatste kolom geeft de richting van de trend in het ruimtebeslag per baan. Bij de drie dienstverlenende subsectoren is die krimp schakelbaar, en bij zakelijke dienstverlening komt daar de bureaudeling bovenop; zie Dichtheid hieronder.
Logies valt onder overige consumentendiensten. Dat is van belang bij elke indicator die de pandvoetafdruk van werken optelt: verblijfsrecreatie zit er al in en mag er niet nog eens naast worden geteld.
De drie verzorgende subsectoren zijn de werkgelegenheid die de bevolking bedient en daarom in en bij woongebied hoort. Die eigenschap staat als kolom IsVerzorgend in de classificatie, zodat de allocatie en de tredes dezelfde drie subsectoren bedoelen.
Twee kolommen bepalen verder waar een subsector terecht kan. Welke soort plancapaciteit voor haar telt staat in KanOpIndustrieterrein, KanOpAlgemeneBedrijfslocatie en KanOpKantoor: nijverheid en logistiek kunnen op industrieterrein, nijverheid niet op een algemene bedrijfslocatie en de vier dienstensubsectoren niet op industrieterrein. En welke bouwwijzen tegen overstroming een subsector mag gebruiken staat in BouwwijzeToegestaan, in dezelfde vorm als bij de woonontwikkelpakketten.
De allocatie loopt per allocatieregio, van de fijnste regio-indeling naar grovere indelingen die de overloop opvangen; welke indelingen dat zijn staat in de tabel SectorAllocRegio in ModelParameters. Zie Overflow.
De stand komt uit het Landelijk Informatiesysteem Arbeidsplaatsen (LISA) voor het peiljaar LISA_StartYear, gekoppeld aan panden uit de BAG. LISA is niet publiek beschikbaar; voor de open versie bestaat een benadering die gemeentelijke banencijfers naar gridcellen desaggregeert (Use_AltLISA). Zie Startstaat en BAG verwerking.
Omdat het model met pandvoetafdruk rekent en niet met terreinoppervlak, moet die voetafdruk over de subsectoren worden verdeeld. Dat is het onderwerp van de kadertekst hieronder.
Ruimtegebruik is zelden homogeen. Zeker bij de functie werken kan een cel meestal niet aan één subsector worden toegewezen. Het model benadert dit via de mate waarin panden door verschillende subsectoren worden gebruikt, en bepaalt op basis daarvan het aantal vierkante meters pandvoetafdruk (netto ruimtegebruik) per subsector. Zelfs een enkel pand in de BAG heeft niet per se één gebruiksfunctie, maar kan meerdere objecten met meerdere gebruiksdoelen bevatten.
Neem bijvoorbeeld een pand met een voetafdruk van 100 m2, dat twee objecten bevat: één object met een kantoorgebruiksdoel en een vloeroppervlak van 80 m2 en één met een winkelgebruiksdoel met 120 m2 vloeroppervlak. In dat geval wordt die voetafdruk van 100 m2 naar rato van de oppervlaktes van de objecten daarin verdeeld, gegroepeerd naar het gebruiksdoel. Oftewel 40 procent is kantoor en 60 procent is winkel, wat in deze cel 40 m2 pandvoetafdruk kantoor en 60 m2 winkel oplevert.
Drie kanttekeningen daarbij. Een verblijfsobject met een woonfunctie telt volledig als woning, ook als het daarnaast een andere functie heeft. Een verblijfsobject zonder woonfunctie maar met meer dan één utiliteitsfunctie wordt over zijn eigen functies verdeeld naar rato van de typische omvang van die functies; de verdeelsleutel staat in ModelParameters/Werken/UtiliteitCombi, en wat niet te verdelen valt blijft in de restklasse utiliteit-combi, die als nijverheid telt. En een pand wordt opgesplitst wanneer het groter is dan de omlijning van een gridcel; daarmee wordt ook de bijbehorende fractie van de pandvoetafdruk en de resulterende m2 per gebruiksdoel verdeeld.
Een bijzonderheid is de subsector logistiek. Distributiecentra zijn in de BAG niet als zodanig herkenbaar: ze hebben meestal het gebruiksdoel industrie, of helemaal geen object. Daarom bepaalt een aparte pandenlijst welke panden logistiek zijn; die panden tellen met hun volledige voetafdruk mee als logistiek. De lijst bestaat uit een statische set (stand 2021), met BAG_LogistiekDynamisch aangevuld met een uit LISA afgeleide typering van de nieuwbouw vanaf dat peiljaar (ModelParameters/Werken/LogistiekAanvulling). Zie BAG verwerking voor de details.
De regionale projecties komen, net als bij wonen, uit Tigris XL, per LMS-subzone en per zichtjaar, opgeteld naar de allocatieregio. De claim is een voorraaddoel: de restclaim is de claim min de stand op dat moment. Vanaf FromWhichDoWeKeepTIGRISconstant blijft de claim staan op de laatste geleverde jaargang.
Het model kan geen banen laten krimpen, dus een verschil tussen de stand in het basisjaar en het niveau dat de claim voor datzelfde jaar geeft, wordt meteen een overschot dat er nooit meer uit gaat. Zo’n verschil bestaat, want de stand komt uit LISA en de claim uit een TIGRIS-pad dat het basisjaar niet exact op de waarneming legt.
Daarom kent de claim een anker, ModelParameters/ClaimBasisjaar/Anker:
| stand | wat hij doet |
|---|---|
TIGRIS |
de claim is het niveau dat de levering geeft, zonder correctie |
TrendLISA |
de claim wordt per subsector geschaald met de verhouding tussen de waargenomen trendwaarde in het basisjaar en de geleverde waarde in datzelfde jaar, landelijk |
TrendLISARegio |
hetzelfde, maar met een factor per allocatieregio |
Het landelijke verschil tussen de twee bronnen is vooral conjunctureel: de waarneming in het basisjaar ligt boven haar eigen trend over de voorafgaande jaren, terwijl de geleverde waarde vrijwel op die trendwaarde ligt. Ankeren op de waarneming zelf zou een hoogconjunctuur als structurele claim voor de rest van de eeuw vastleggen. Ankeren op de trend haalt wel het niet-conjuncturele deel per subsector eruit, dat landelijk tot nul optelt maar per subsector wel bestaat. De trendwaarde per subsector (ClaimBasisjaar/TrendLISA) is een lineaire trend over de LISA-jaren voor het basisjaar, doorgetrokken naar het basisjaar, zodat het basisjaar zelf de schatting niet meebepaalt. De regionale variant corrigeert daarnaast waar de banen staan; de prijs daarvan is dat de claims op de verschillende schaalniveaus onderling een fractie uiteenlopen, omdat een verhouding niet optelbaar is. Een regio met minder dan Ondergrens banen in het basisjaar valt terug op de landelijke factor, want een verhouding tussen twee kleine getallen is ruis. Welke stand een toepassing kiest staat op de toepassingspagina.
Het empirische deel van de geschiktheid kan, anders dan bij wonen, niet op transactieprijzen worden gebaseerd; die data zijn er niet. In plaats daarvan is de kans op voorkomen geschat: een multinomiaal logitmodel dat de groei van de pandvoetafdruk per BAG-functie tussen 2012 en 2022 verklaart uit locatiefactoren, met geen groei als referentiecategorie. Elke locatie krijgt zo per subsector een kans op ontwikkeling. De volledige beschrijving, de variabelen, welke geschatte termen wel en niet worden toegepast en de vintage van de invoerdata staan op Geschiktheid.
In de allocatie wijkt de werkengeschiktheid op drie punten af van die statische kaart, alle drie vast ingebouwd en uitgewerkt op Geschiktheid:
Zichtjaar_T/WerkenGeschiktheid) met het landgebruik dat het model in eerdere zichtjaren heeft gealloceerd of opgelegd, uit de beginstand van het zichtjaar, zodat nieuw werken vervolgallocaties aantrekt; alleen toevoegingen tellen, bouwterrein en de UAI blijven statisch, en in het eerste zichtjaar is de kaart gelijk aan de statische kaart;KanOp-kolommen. Na de vervaldatum van de plancapaciteit (PlancapaciteitGeldigTotEnMet) blijven daarvan de stimuli en de bestaande cel over.Daarnaast dragen twee voorrangstredes de plek waar nieuwe werkgelegenheid landt, allebei als hoogste as in een eigen tredetabel: bestaand kantoorgebied voor zakelijke dienstverlening en de kom of de wijkrand voor de drie verzorgende subsectoren, waarbij bij overheid en kwartaire diensten de bestaande instelling daar nog voor gaat. Nijverheid en logistiek hebben die extra as niet; hun ladder bestaat in de BAU-set uit plancapaciteit met stimuli en bouwterrein, samen acht klassen. Zie Tredes voor de opbouw en de paragraaf over verzorgend werken hieronder.
Anders dan bij wonen wordt de dichtheid niet door een ontwikkelpakket voorgeschreven maar vooraf per regio en subsector bepaald, als het waargenomen aantal vierkante meters pandvoetafdruk per baan. De denkbeeldige ontwikkelaar kiest dus alleen welke subsector waar landt en heeft geen keuze uit varianten van hetzelfde product.
Op die basisverhouding werken twee mechanismen.
Het ruimtebeslag per baan verandert in de tijd, met een groeivoet per jaar per subsector (ModelParameters/Werken/Groeifactor, per variant over te nemen in VariantK.dms). Voor nijverheid en logistiek loopt het ruimtebeslag op. Detailhandel staat op nul, conform het rapport Ruimte voor werken. De drie dienstverlenende subsectoren volgen met de schakelaar DienstverleningVolgtRapporttrend de dalende trend uit datzelfde rapport en verdichten dus; het is een schakelaar omdat de waarden uit de waarnemingsperiode tot 2019 komen en het rapport zelf waarschuwt dat verdere intensivering van publieke terreinen misschien niet reëel is, en of de trend doorloopt is een keuze voor PBL. De groeivoet werkt maar over een deel van de periode tussen twee zichtjaren (Groeifactor_WanneerToepassen; op 0,5 grijpt de verdunning halverwege het interval aan), zodat de effectieve verdunning de helft van de ingestelde voet is: bij de standaardwaarden van 1 procent per jaar voor nijverheid en 0,5 voor logistiek dus 0,5 en 0,25 procent per kalenderjaar. Die waarden liggen bewust onder de trend uit het rapport, dat 2 en 1 procent geeft en na 2012 afvlakt. De verdunning stopt bovendien op JaarVanafWaarGeenWerkdichtheidMeerAangepastWordt, omdat lineaire doortrekking voorbij de waarnemingsperiode niet is onderbouwd. Verdunning kan betekenen dat in een cel eerst tien banen staan en in een later zichtjaar nog zeven; die afname komt via de restclaim terug in de allocatie.
Voor kantoren geldt daarnaast een eenmalige niveauverschuiving. De kantoorcoefficient is het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak per kantoorbaan, en die daalt door bureaudeling en thuiswerken. De verdikkingsfactor volgt uit de verhouding tussen het doel (VariantK/m2BVO_job_Kantoor) en de coefficient in het basisjaar (ModelParameters/Werken/m2BVO_job_Kantoor_Basisjaar), als niveauverschuiving die elk zichtjaar opnieuw op de basisjaarwaarneming wordt gelegd en dus niet cumuleert.
De volledige uitwerking, inclusief de maximale werkdichtheid en de manier waarop de bureaudeling als capaciteit in de bestaande voorraad landt, staat op Dichtheid.
De algemene zeef geldt ook voor werken: restrictiekaarten, evident benut terrein, plancapaciteit, sloopbescherming en cellen waar het model een ander landgebruik oplegt. Vier toetsen zijn specifiek voor deze sector, en alle vier staan uitgewerkt op Beschikbaarheid:
BedrijfsterreinUitgegevenFractieAlsVolBeschouwen ligt, is voor alle zes de subsectoren uitgesloten, ook binnen harde plancapaciteit. Alleen de dominante kantoor- en instellingscellen van de verdikking zijn ervan vrijgesteld, want toewijzing is daar verdikking en geen nieuw ruimtebeslag.MinimumDichtheidToenameWerken). Op een cel waar al werkgelegenheid staat moet het potentieel van de subsector die stand met meer dan de drempel overtreffen. Omdat de allocatie celexclusief is, is dit in feite een saldotoets: de subsector die de cel wint sloopt alle andere die er staan.ModelParameters/Werken/OmgekeerdeMilieuzonering), met dezelfde VNG-bufferafstand als andersom, zodat de zonering niet afhangt van de volgorde waarin wonen en werken alloceren.Wat een subsector mag bouwen komt uit een expertoordeel van Deltares: waterbestendig bouwen en ophogen kunnen alle zes de subsectoren dragen, bouwen op palen niet voor nijverheid en logistiek, en drijvend bouwen voor geen enkele werksubsector. Nijverheid en logistiek reiken daarmee tot 2,0 meter en de vier andere subsectoren tot 2,5, tegenover 6,0 meter voor een woonpakket dat drijvend mag bouwen: in de diepe delen van de eiszone kan er dus wel gewoond maar niet gewerkt worden. Dat nijverheid en logistiek precies dezelfde bouwwijzen toelaten is bovendien geen toeval maar een bewaakte eis, want de overstromingsschade telt hun voetafdruk in een categorie op en leest die met een verschuiving langs de diepte-as, en een verschuiving kan er maar een zijn.
Detailhandel, overige consumentendiensten en overheid en kwartaire diensten bedienen de bevolking, maar in een celexclusieve allocatie moeten ze als zelfstandige sector om grond concurreren. Zonder correctie landen ze daardoor op kaal buitengebied, ver van de woningen die ze bedienen. Daar zitten drie verschillende oorzaken achter, en tegenover elk staat een vast ingebouwd mechanisme.
De voorrangstrede. Cellen binnen bestaand bebouwd gebied of binnen VerzorgendWoongebiedStraal rond bestaand woongebied gaan voor op alles daarbuiten (Trede/BinnenWoongebiedOfKom). Bewust een trede en geen zeef, zodat de claim altijd realiseerbaar blijft en kaal buitengebied alleen nog als overloop dient. De schijf is verankerd op het basisjaar, dus wijken die het model in latere zichtjaren bouwt trekken nog geen voorzieningen aan; dat staat als open punt in #710.
Behoud bij woningbouw. Wint wonen een cel, dan blijven deze banen staan in plaats van gesloopt te worden (BehoudVerzorgendBijWonen in Iter_T, de tak VerdringingsTak in StatePrep_T): de hoofdfunctie van de cel wordt wonen, de buurtvoorzieningen blijven eronder staan, met hun pandvoetafdruk. Zonder die uitzondering sloopt elke woningbouwlocatie de buurtvoorzieningen die er stonden, groeit dat rechtstreeks door in de restclaim van juist deze drie subsectoren, en kan die claim vervolgens alleen nog naar greenfield. Niet-verzorgend werken wordt wel gesloopt: een fabriek verdwijnt wel als er een wijk komt. En wint een andere sector dan wonen de cel, zoals waterberging, dan gaan ook deze banen op nul.
Voorzieningen in het woonpakket. Een woonontwikkelpakket brengt zelf een beetje verzorgende werkgelegenheid mee, ter hoogte van de woningdichtheid van het pakket maal de waargenomen verhouding banen per woning in bestaand woongebied uit het basisjaar (BaseData/StartState/VerzorgendBijWonen), als ondergrens naast wat er al stond. In elke woonwijk zit een supermarkt en een school. Die banen krijgen geen eigen pandvoetafdruk, want ze zitten in de plint van het pakket en dus al in de gebouwvoetafdruk; anders zou de verharding dubbel tellen.
Bij dat laatste mechanisme hoort een waarschuwing. Banen zijn exogeen en zijn de claimvariabele, dus een regel die landelijk meer banen oplevert dan de claim groeit, maakt overrealisatie voordat de allocatie begint. De verhouding is daarom waargenomen en niet verzonnen, en VerzorgendInWoonOP_Factor stelt haar bij: lager als de landelijke stand boven de claim uitkomt, hoger als de waarneming een ondergrens blijkt, want de teller telt alleen banen op woongebiedcellen. De landelijke stand hoort tegen de claim te worden gelegd voordat een toepassing die factor kiest; welke waarde een toepassing gebruikt staat op de toepassingspagina.
De allocatie is celexclusief. Wint een werksubsector een cel, dan gaat de stand van alle andere subsectoren daar op nul, en die verdrongen eenheden komen als restclaim terug. Werken staat in de allocatievolgorde na wonen en voor de sectoren die daarna komen; alleen de fijnste regel per sector doet mee in vervolgsequenties, zodat verdringing zo lokaal mogelijk wordt opgelost. Zie Allocatie procedure in formules.
Per zichtjaar en per casus schrijft het model de banenstand per subsector en de pandvoetafdruk per subsector weg, plus de gekozen subsector per cel. Die kaarten voeden de Landgebruikskaart, de bereikbaarheidsindicator Bereikbaarheid banen, de verharding, de piekbuiberging en de overstromingsschade.
De schatting onder de geschiktheid dateert van voor corona en voor het verdozingsbeleid, en menging van verdichting en uitleg zit erin. Een herschatting staat als open vraag in #647.
Er zijn geen ontwikkelpakketten. Waar wonen een keuze uit woonmilieus kent, kiest werken alleen de subsector; de dichtheid ligt per regio vast. Beleid dat op de inrichting van werklocaties aangrijpt, kan alleen via de dichtheidsfactoren of via restricties worden nagebootst.
Het aantal banen is exogeen. Het model verdeelt de banen die het scenario geeft; het maakt er geen en het laat er geen verdwijnen. Elke regel die banen toevoegt of aftrekt grijpt daarmee in op de claim; daarom landt de bureaudeling als capaciteit in de bestaande voorraad en niet als extra banen, en wordt de verzorgende bezetting van een woonpakket tegen de claim gelegd.
De vol-status van bedrijventerreinen is een momentopname. Ze komt uit het IBIS-jaar en verandert niet gedurende de run, terwijl het model wel doorbouwt tot ver in de eeuw.
Leegstand komt niet voor. Een cel draagt banen of niet; er is geen voorraad die tijdelijk leegstaat en daarna weer wordt gevuld.
De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.