Uitwerking werken
De toewijzing van de sector werken vindt plaats na de allocatie van woningen. Op hoofdlijnen wordt hierbij dezelfde procedure gevolgd als bij wonen: een iteratieve toewijzing van betreffende subsectoren, in onderlinge concurrentie, op basis van de beschikbaarheid en relatieve geschiktheid van locaties hiervoor. De subsectoren bestaan in dit geval uit banen per economische sector, waarbij zes klassen worden onderscheiden: nijverheid, logistiek, detailhandel, overige consumentendiensten, zakelijke dienstverlening en overheid met kwartaire diensten.
De regionale projecties voor deze subsectoren zijn, net als bij wonen, afkomstig uit het Tigris XL model. Ook deze projecties worden eerst toegewezen op NVM- en, in het geval van ruimtetekort, op COROP- en uiteindelijk provincieniveau. Voor het bepalen van de stand per subsector in het basisjaar wordt gebruik gemaakt van LISA en BAG data. Een specifiek aandachtspunt daarbij is dat panden vaak voor verschillende doeleinden gebruikt kunnen worden (zie kadertekst hieronder). Net als bij wonen is de beschikbaarheid een optelsom van omgevingsrechtelijke beperkingen, evident benutte locaties, en andere kaartlagen die specifiek voor een bepaalde toepassing relevant geacht worden.
Multifunctioneel ruimtegebruik
Ruimtegebruik is zelden homogeen. Zeker bij de functie werken geldt dat een cel meestal niet aan één subsector kan worden toegewezen. Wij benaderen dit door te kijken naar de mate waarin panden gebruikt worden door verschillende subsectoren. Op basis daarvan bepalen we het aantal vierkante meter pandfootprint (netto ruimtegebruik) per subsector. Zelfs een enkel pand in de BAG heeft niet per se één gebruiksfunctie, maar kan meerdere objecten met meerdere gebruiksdoelen bevatten.
Neem bijvoorbeeld een pand met een voetafdruk van 100 m2, dat twee objecten bevat: één object met een kantoorgebruiksdoel en een vloeroppervlak van 80 m2 en één met een winkelgebruiksdoel met 120 m2 vloeroppervlak. In dat geval verdelen we die voetafdruk van 100 m2 naar rato van de oppervlaktes van de objecten daarin gegroepeerd naar het gebruiksdoel. Oftewel 40% is kantoor, en 60% is winkel, wat in deze cel 40 m2 pandfootprint kantoor en 60 m2 winkel oplevert.
Een eerste kanttekening hierbij is dat we aannemen dat wanneer een pand een woongebruiksdoel bevat we deze volledig als woning beschouwen. Ten tweede geldt dat een pand wordt opgesplitst, wanneer het groter is dan de omlijning van een gridcel. Daarmee wordt ook de bijbehorende fractie van de pandfootprint en de resulterende m2 pandfootprint per gebruiksdoel verdeeld.
Het empirische deel van de geschiktheid van werklocaties kan, in tegenstelling tot wonen, niet worden bepaald op basis van waargenomen transactieprijzen. Hiervoor waren tot op heden geen data beschikbaar. In plaats daarvan wordt het empirische deel van de geschiktheid van werken ingevuld op basis van een statistische analyse van recente ontwikkelingen in het voorkomen van werklocaties (Koomen & Claassens, 2022). Voor deze analyse is de lokale uitbreiding van het netto ruimtebeslag (de pandvoetafdruk op basis van de BAG) voor elk van de subsectorentussen 2012 en 2022 verklaard uit een groot aantal locatiefactoren. Deze analyse geeft voor elke locatie in Nederland de kans op voorkomen van elke subsector op basis van de recent waargenomen ontwikkelingen daarin. De invulling van de bestaande situatie qua gebouwen gebeurt net als bij wonen op basis van de BAG. De bestaande verspreiding van banen binnen de subsector over deze gebouwen is afgeleid uit LISA 2021. Vervolgens is hieruit een kaart gegenereerd die de kans op ontwikkeling van die subsector op elke locatie beschrijft.
In tegenstelling tot wonen wordt de dichtheid (uitgedrukt in m2 pandvoetafdruk per baan) vooraf per regio en subsector bepaald (in plaats van per ontwikkelpakket). De virtuele ontwikkelaar kiest alleen welke subsector waar te realiseren en heeft hierbij geen keuze tussen ontwikkelpaketten. Deze dichtheid wordt in basis gebaseerd op waarnemingen voor deze sectoren in het basisjaar. In varianten (beleid/ontwerp) kan hiervan met generieke of locatie-specifieke op- en afslagen worden afgeweken (zie Hoofdstuk 3).
Naast een toekomstige dichtheid per subsector (uitgedrukt in m2 pandfootprint per baan) kan de dichtheid van huidige werklocaties veranderen in de toekomst. Deze ‘verdunning’ van werklocaties kan bijvoorbeeld het gevolg zijn van digitalisering en automatisering. De groeivoet van deze veranderingen zijn in de stellen in de variant parameters. Dit kan betekenen dat er eerst 10 banen in een cel zijn en in een later zichtjaar nog maar 7. Deze afname wordt vervolgens gecompenseerd via het allocatie proces mocht er nog een regionale restopgave zijn.