Uitwerking werken

Terug

Werken wordt gealloceerd na wonen. Op hoofdlijnen volgt de sector dezelfde procedure: een iteratieve toewijzing van subsectoren, in onderlinge concurrentie, op basis van de beschikbaarheid en de relatieve geschiktheid van locaties. Wat werken anders maakt is de eenheid waarin de opgave wordt uitgedrukt (banen in plaats van woningen), het ontbreken van ontwikkelpakketten, en het feit dat een cel bijna nooit door één subsector wordt gebruikt.

Deze pagina beschrijft de sector als geheel. De onderdelen die werken deelt met de andere sectoren staan elders: de zeef en de restricties op Beschikbaarheid, het kansmodel op Geschiktheid, de dichtheid op Dichtheid, de stand in het basisjaar op Startstaat en de iteratie op Allocatie procedure in formules.


Sector en subsectoren

De sector kent zes subsectoren, de klassenindeling Jobs6 (Classifications/Actor/Jobs6). De standvariabele is de baan; daarnaast draagt elke cel de pandvoetafdruk per subsector, want die is de fysieke ruimtemaat waarmee de rest van het model rekent.

subsector BAG-gebruiksdoelen CBS-grondgebruik verzorgend ruimtebeslag per baan
Nijverheid industrie, utiliteit-combi bedrijfsterrein nee groeit
Logistiek logistiek (eigen pandenlijst) bedrijfsterrein nee groeit
Detailhandel winkel detailhandel en horeca ja constant
Overige consumentendiensten bijeenkomst, sport, logies detailhandel en horeca ja constant
Zakelijke dienstverlening kantoor bedrijfsterrein nee krimpt
Overheid en kwartaire diensten celfunctie, gezondheidszorg, onderwijs voorzieningen ja constant

Logies valt onder overige consumentendiensten. Dat is van belang bij elke indicator die de pandvoetafdruk van werken optelt: verblijfsrecreatie zit er al in en mag er niet nog eens naast worden geteld.

De drie verzorgende subsectoren zijn de werkgelegenheid die de bevolking bedient en daarom in en bij woongebied hoort. Die eigenschap stond tot #710 impliciet in de tredetabellen en staat nu als kolom IsVerzorgend in de classificatie, zodat de allocatie en de tredes dezelfde drie subsectoren bedoelen.

Twee kolommen bepalen verder waar een subsector terecht kan. Welke soort plancapaciteit voor haar telt staat in KanOpIndustrieterrein, KanOpAlgemeneBedrijfslocatie en KanOpKantoor: nijverheid en logistiek kunnen op industrieterrein, nijverheid niet op een algemene bedrijfslocatie en de vier dienstensubsectoren niet op industrieterrein. En welke bouwwijzen tegen overstroming een subsector mag gebruiken staat sinds #727 in BouwwijzeToegestaan, in dezelfde vorm als bij de woonontwikkelpakketten.

De allocatieregio is de NVM-regio, met overloop naar COROP en provincie. Zie Overflow.

De stand in het basisjaar

De stand komt uit het Landelijk Informatiesysteem Arbeidsplaatsen (LISA) voor het peiljaar LISA_StartYear, gekoppeld aan panden uit de BAG. LISA is niet publiek beschikbaar; voor de open versie bestaat een benadering die gemeentelijke banencijfers naar gridcellen desaggregeert (Use_AltLISA). Zie Startstaat en BAG verwerking.

Omdat het model met pandvoetafdruk rekent en niet met terreinoppervlak, moet die voetafdruk over de subsectoren worden verdeeld. Dat is het onderwerp van de kadertekst hieronder.


Multifunctioneel ruimtegebruik

Ruimtegebruik is zelden homogeen. Zeker bij de functie werken geldt dat een cel meestal niet aan één subsector kan worden toegewezen. Wij benaderen dit door te kijken naar de mate waarin panden gebruikt worden door verschillende subsectoren. Op basis daarvan bepalen we het aantal vierkante meter pandvoetafdruk (netto ruimtegebruik) per subsector. Zelfs een enkel pand in de BAG heeft niet per se één gebruiksfunctie, maar kan meerdere objecten met meerdere gebruiksdoelen bevatten.

Neem bijvoorbeeld een pand met een voetafdruk van 100 m2, dat twee objecten bevat: één object met een kantoorgebruiksdoel en een vloeroppervlak van 80 m2 en één met een winkelgebruiksdoel met 120 m2 vloeroppervlak. In dat geval verdelen we die voetafdruk van 100 m2 naar rato van de oppervlaktes van de objecten daarin, gegroepeerd naar het gebruiksdoel. Oftewel 40 procent is kantoor en 60 procent is winkel, wat in deze cel 40 m2 pandvoetafdruk kantoor en 60 m2 winkel oplevert.

Een eerste kanttekening hierbij is dat we aannemen dat wanneer een pand een woongebruiksdoel bevat, we het volledig als woning beschouwen. Ten tweede geldt dat een pand wordt opgesplitst wanneer het groter is dan de omlijning van een gridcel. Daarmee wordt ook de bijbehorende fractie van de pandvoetafdruk en de resulterende m2 per gebruiksdoel verdeeld.

Een derde bijzonderheid is de subsector logistiek. Distributiecentra zijn in de BAG niet als zodanig herkenbaar: ze hebben meestal het gebruiksdoel industrie, of helemaal geen object. Daarom bepaalt een aparte pandenlijst welke panden logistiek zijn; die panden tellen met hun volledige voetafdruk mee als logistiek. De lijst bestaat uit een statische set (stand 2021), met de schakelaar BAG_LogistiekDynamisch aangevuld met een uit LISA afgeleide typering van nieuwbouw vanaf 2021. Zie BAG verwerking voor de details.


De opgave

De regionale projecties komen, net als bij wonen, uit Tigris XL, per LMS-subzone en per zichtjaar, opgeteld naar de allocatieregio. De claim is een voorraaddoel: de restclaim is de claim min de stand op dat moment. Vanaf FromWhichDoWeKeepTIGRISconstant blijft de claim staan op de laatste geleverde jaargang.

Het model kan geen banen laten krimpen, dus een verschil tussen de stand in het basisjaar en het niveau dat de claim voor datzelfde jaar geeft, wordt meteen een overschot dat er nooit meer uit gaat. Dat verschil bestaat: bij de meting van #667 lagen de twee bronnen in 2021 nog binnen 0,2 procent per klasse uit elkaar, en in 2023 3,0 procent.

Daarom is er sinds #667 een schakelaar waarop de claim wordt geankerd, ModelParameters/ClaimBasisjaar/Anker:

stand wat hij doet
TIGRIS de claim is het niveau dat de levering geeft; het gedrag van voor #667
TrendLISA de claim wordt per subsector geschaald met de verhouding tussen de waargenomen trendwaarde in het basisjaar en de geleverde waarde in datzelfde jaar, landelijk
TrendLISARegio hetzelfde, maar met een factor per allocatieregio

Het onderzoek achter die schakelaar liet zien dat het landelijke verschil vooral conjunctureel is: de waarneming van 2023 ligt zelf 3,0 procent boven haar eigen trend over 2012 tot en met 2022, en de geleverde waarde valt vrijwel samen met die trendwaarde. Ankeren op de waarneming zelf zou een hoogconjunctuur als structurele claim voor de rest van de eeuw vastleggen. Ankeren op de trend haalt wel het niet-conjuncturele deel per subsector eruit, dat landelijk tot nul optelt maar per subsector oploopt tot enkele procenten. De regionale variant corrigeert daarnaast waar de banen staan; de prijs daarvan is dat de claims op de vier schaalniveaus onderling iets uiteenlopen, landelijk gemeten 0,045 procent. Een regio met minder dan Ondergrens banen in het basisjaar valt terug op de landelijke factor, want een verhouding tussen twee kleine getallen is ruis.

Geschiktheid

Het empirische deel van de geschiktheid kan, anders dan bij wonen, niet op transactieprijzen worden gebaseerd; die data zijn er niet. In plaats daarvan is de kans op voorkomen geschat: een multinomiaal logitmodel dat de groei van de pandvoetafdruk per BAG-functie tussen 2012 en 2022 verklaart uit locatiefactoren, met geen groei als referentiecategorie. Elke locatie krijgt zo per subsector een kans op ontwikkeling. De volledige beschrijving, de variabelen, welke geschatte termen wel en niet worden toegepast en de vintage van de invoerdata staan op Geschiktheid.

Voor het gebruik in de allocatie zijn er drie schakelaars in ModelParameters/Werken, alle drie standaard aan:

Daarnaast dragen twee voorrangstredes de plek waar nieuwe werkgelegenheid landt, allebei als hoogste as in een eigen tredetabel: bestaand kantoorgebied voor zakelijke dienstverlening en de kom of de wijkrand voor de drie verzorgende subsectoren. Nijverheid en logistiek hebben die extra as niet; hun ladder telt acht klassen, waarin plancapaciteit de enige inhoudelijke as is. Zie Tredes voor de opbouw en de paragraaf hieronder voor de verzorgende kant.

Dichtheid

Anders dan bij wonen wordt de dichtheid niet door een ontwikkelpakket voorgeschreven maar vooraf per regio en subsector bepaald, als het waargenomen aantal vierkante meters pandvoetafdruk per baan. De denkbeeldige ontwikkelaar kiest dus alleen welke subsector waar landt en heeft geen keuze uit varianten van hetzelfde product.

Op die basisverhouding werken twee mechanismen.

Het ruimtebeslag per baan verandert in de tijd. Voor nijverheid en logistiek loopt het op, met een groeivoet per jaar die per variant is in te stellen; voor de vier andere subsectoren staat hij op nul. Die groeivoet werkt maar over de helft van de periode tussen twee zichtjaren (Groeifactor_WanneerToepassen, 0,5), zodat de verdunning halverwege het interval aangrijpt in plaats van aan het eind. De effectieve verdunning is daarmee de helft van de ingestelde voet: met 1,0 en 0,5 procent per jaar voor nijverheid en logistiek komt dat neer op 0,5 en 0,25 procent per kalenderjaar. Die waarden liggen bewust onder de trend uit het rapport, dat 2 en 1 procent geeft. De verdunning stopt bovendien op JaarVanafWaarGeenWerkdichtheidMeerAangepastWordt, omdat de onderliggende trend na 2012 al sterk afvlakt en lineaire doortrekking voorbij de waarnemingsperiode niet is onderbouwd. Verdunning kan betekenen dat in een cel eerst tien banen staan en in een later zichtjaar nog zeven; die afname komt via de restclaim terug in de allocatie.

Voor kantoren geldt het omgekeerde. De kantoorcoefficient is het aantal vierkante meters bruto vloeroppervlak per kantoorbaan, en die daalt door bureaudeling en thuiswerken. De verdikkingsfactor is het verschil tussen het doel en de coefficient in het basisjaar, als niveauverschuiving die elk zichtjaar opnieuw op de basisjaarwaarneming wordt gelegd en dus niet cumuleert.

De volledige uitwerking, inclusief de maximale werkdichtheid en de reparatie waarmee de bureaudeling in de bestaande voorraad landt, staat op Dichtheid.

Beschikbaarheid

De algemene zeef geldt ook voor werken: restrictiekaarten, evident benut terrein, plancapaciteit, sloopbescherming en cellen waar het model een ander landgebruik oplegt. Vier toetsen zijn specifiek voor deze sector, en alle vier staan uitgewerkt op Beschikbaarheid:

  1. Volle bedrijventerreinen. Een IBIS-werklocatie waarvan de uitgegeven fractie boven de drempel ligt, is voor alle zes de subsectoren uitgesloten, ook binnen harde plancapaciteit.
  2. Minimale dichtheidstoename. Op een cel waar al werkgelegenheid staat moet het potentieel van de subsector die stand met meer dan de drempel overtreffen. Omdat de allocatie celexclusief is, is dit in feite een saldotoets: de subsector die de cel wint sloopt alle andere die er staan.
  3. Milieuzonering. Gevoelige functies houden afstand tot bestaande en nieuw gealloceerde nijverheid en logistiek, en sinds #669 houden nieuwe nijverheid en logistiek ook zelf afstand tot woongebied, zodat de zonering niet meer afhangt van de volgorde waarin wonen en werken alloceren.
  4. Bouwwijze. Een subsector valt af waar geen van de bouwwijzen die zij mag gebruiken tegen de waterdiepte op die plek bestand is. Deze toets staat in de basisjaarzeef en niet in de zichtjaarzeef, anders dan bij wonen: werken heeft geen pakketten, en alleen in de basisjaarzeef lopen teller en noemer van de dichtheidstoets over hetzelfde deeloppervlak.

Wat een subsector mag bouwen komt uit een expertoordeel: waterbestendig bouwen en ophogen kunnen alle zes de subsectoren dragen, bouwen op palen niet voor nijverheid en logistiek, en drijvend bouwen voor geen enkele werksubsector. Nijverheid en logistiek reiken daarmee tot 2,0 meter en de vier andere subsectoren tot 2,5, tegenover 6,0 meter voor een eengezinswoonmilieu: in de diepe delen van de eiszone kan er dus wel gewoond maar niet gewerkt worden. Dat nijverheid en logistiek precies dezelfde bouwwijzen toelaten is bovendien geen toeval maar een bewaakte eis, want de overstromingsschade telt hun voetafdruk in een categorie op en leest die met een verschuiving langs de diepte-as, en een verschuiving kan er maar een zijn.

Verzorgend werken en woongebied

Detailhandel, overige consumentendiensten en overheid en kwartaire diensten bedienen de bevolking, maar in een celexclusieve allocatie moeten ze als zelfstandige sector om grond concurreren. Zonder correctie landen ze daardoor op kaal buitengebied: in de meting van augustus 2026 zette detailhandel 95 procent van zijn nieuwe banen op cellen zonder enige werkgelegenheid, en lag 60 procent van die cellen niet binnen 250 meter van bestaand of nieuw woongebied. Daar zitten drie verschillende oorzaken achter, en #710 heeft er drie schakelaars tegenover gezet, alle drie standaard aan.

VerzorgendVolgtWoongebied geeft cellen binnen bestaand bebouwd gebied of binnen VerzorgendWoongebiedStraal rond bestaand woongebied voorrang boven alles daarbuiten. Bewust een trede en geen zeef, zodat de claim altijd realiseerbaar blijft en kaal buitengebied alleen nog als overloop dient. De schijf staat per zichtjaar vast voordat de allocatie begint, dus voorzieningen volgen een nieuwe wijk met een zichtjaar vertraging.

VerzorgendBlijftBijWoningbouw laat deze banen staan wanneer wonen de cel overneemt. Zonder die uitzondering sloopt elke woningbouwlocatie de buurtvoorzieningen die er stonden, groeit dat rechtstreeks door in de restclaim van juist deze drie subsectoren, en kan die claim vervolgens alleen nog naar greenfield. Gemeten in zichtjaar 2040 van de referentievariant van NL2120, na het volledige wonenblok, ging het om 135.924 banen in dat ene zichtjaar, oftewel 22,6 procent extra restclaim. Niet-verzorgend werken wordt wel gesloopt: een fabriek verdwijnt wel als er een wijk komt. En sectoren die het landgebruik echt veranderen, zoals natuur of waterberging, slopen ook deze banen.

VerzorgendInWoonOP laat een woonontwikkelpakket zelf een beetje verzorgende werkgelegenheid meebrengen, ter hoogte van de woningdichtheid van het pakket maal de waargenomen verhouding banen per woning uit het basisjaar. In elke woonwijk zit een supermarkt en een school. Die banen krijgen geen eigen pandvoetafdruk, want ze zitten in de plint van het pakket en dus al in de gebouwvoetafdruk; anders zou de verharding dubbel tellen.

Bij die laatste schakelaar hoort een waarschuwing die bij #668 al een keer is misgegaan. Banen zijn exogeen en zijn de claimvariabele, dus een regel die landelijk meer banen oplevert dan de claim groeit, maakt overrealisatie voordat de allocatie begint. De verhouding is daarom waargenomen en niet verzonnen, er is een factor om haar te temperen, en de landelijke stand hoort tegen de claim te worden gelegd voordat de schakelaar aangaat. Dat is gedaan: in zichtjaar 2040 van de referentievariant vult de pakketbezetting 24 tot 50 procent van de ruimte tussen de stand en de claim, dus alle drie blijven eronder en de temperfactor kan op 1 blijven staan.

Verdringing en volgorde

De allocatie is celexclusief. Wint een werksubsector een cel, dan gaat de stand van alle andere subsectoren daar op nul, en die verdrongen eenheden komen als restclaim terug. Werken staat in de allocatievolgorde na wonen en voor de sectoren die daarna komen; alleen de fijnste regel per sector doet mee in vervolgsequenties, zodat verdringing zo lokaal mogelijk wordt opgelost. Zie Allocatie procedure in formules.

Wat de sector oplevert

Per zichtjaar en per casus schrijft het model de banenstand per subsector en de pandvoetafdruk per subsector weg, plus de gekozen subsector per cel. Die kaarten voeden de Landgebruikskaart, de bereikbaarheidsindicator Bereikbaarheid banen, de verharding, de piekbuiberging en de overstromingsschade.

Aannames en beperkingen

De schatting onder de geschiktheid dateert van voor corona en voor het verdozingsbeleid, en menging van verdichting en uitleg zit erin. De herschatting is voorgesteld in #647.

Er zijn geen ontwikkelpakketten. Waar wonen een keuze uit woonmilieus kent, kiest werken alleen de subsector; de dichtheid ligt per regio vast. Beleid dat op de inrichting van werklocaties aangrijpt, kan alleen via de dichtheidsfactoren of via restricties worden nagebootst.

Het aantal banen is exogeen. Het model verdeelt de banen die het scenario geeft; het maakt er geen en het laat er geen verdwijnen. Elke regel die banen toevoegt of aftrekt, grijpt daarmee in op de claim, en dat is precies waar #668 en #710 op stukliepen voordat ze zijn gerepareerd.

De vol-status van bedrijventerreinen is een momentopname. Ze komt uit het IBIS-jaar en verandert niet gedurende de run, terwijl het model wel doorbouwt tot ver in de eeuw.

Leegstand komt niet voor. Een cel draagt banen of niet; er is geen voorraad die tijdelijk leegstaat en daarna weer wordt gevuld.