Deze pagina beschrijft de werking van de landbouwmodule in RSopen. De landbouw wijkt op drie punten af van de allocatie van de andere sectoren. Zij gebruikt discrete allocatie in plaats van stapsgewijze allocatie, zij heeft een eigen economisch model waarin de geschiktheid van een cel de gekapitaliseerde waarde van een saldo per hectare is, en zij kent een omschakeldrempel in de vorm van transitiekosten.
De economische kentallen komen uit KWIN Veehouderij 2025-2026, KWIN-AGV 2026 en het GLB zoals het per zichtjaar wordt verondersteld. Waar deze pagina een bedrag noemt staat erbij welke status dat bedrag heeft: onderbouwd, afgeleid, keuze of aanname. Die status staat ook in de Descr van elke parameter in de configuratie, en dat is de plek die bij een verschil leidend is.
Er worden vijftien landbouwklassen onderscheiden die elk als eigen subsector kunnen worden gealloceerd via discrete allocatie: Rietteelt, Aardappelen, Bieten, Granen, Cranberry, Boomgaard, Moerasbomen, Rijst, Yacon, grondgebonden vee (extensief), grondgebonden vee, grondgebonden vee (intensief), Akkerbouw, Bollen en Boomkwekerij. De lijst staat in Classifications/Actor/LandbouwKlasses.
Akkerbouw is de restklasse voor akker- en tuinbouw die het model niet apart noemt, met zaaiuien als vertegenwoordiger. Bollen en Boomkwekerij zijn eigen klassen, met tulp en laanbomen als vertegenwoordiger, omdat de Water Wijzer Landbouw voor die twee gewassen een eigen opbrengstdervingscurve heeft en de LGN-klassen 10 en 61 daar al naar verwijzen. Hun economische kentallen zijn voorlopig overgenomen van de restklasse; de winst van een eigen klasse zit in de hydrologie en niet in de economie.
Grondgebonden vee (intensief) heeft in het basisjaar geen areaal. Het landbouwgebruik komt uit de Basisregistratie Gewaspercelen, en die kent geen veedichtheid, dus de klasse is niet te vullen. Zij bestaat als plaatshouder, is per referentie gelijk aan grondgebonden vee, en wordt niet gevuld en niet gealloceerd.
Onderliggend zijn de klassen uitgesplitst in gewassen. Zo telt de klasse Rietteelt twee gewassen: Riet en Lisdodde. De meeste andere klassen bevatten een enkel gewas, maar de structuur (GewasSoortYR/perLandbouwK_domain) is zo dat elke klasse er meer kan bevatten. Elk gewas heeft een eigen opbrengstderving en kan wel of niet worden aangetast door verzilting.
| Gewas | LandbouwKlasse | Opbrengstderving bron (YR_bron) |
Aantasting door verzilting |
|---|---|---|---|
| Riet | Rietteelt | Exotisch | Ja |
| Lisdodde | Rietteelt | Exotisch | Ja |
| Aardappelen | Aardappelen | WWL (dynamisch) | Ja |
| Bieten | Bieten | WWL (dynamisch) | Nee |
| Granen | Granen | WWL (dynamisch) | Nee |
| Cranberry | Cranberry | Exotisch | Nee |
| Boomgaard | Boomgaard | WWL (dynamisch) | Ja |
| Moerasbomen | Moerasbomen | Exotisch | Nee |
| Rijst | Rijst | Exotisch | Nee |
| Yacon | Yacon | Exotisch | Nee |
| Gras | GG vee | WWL (dynamisch) | Nee |
| Mais | GG vee | WWL (dynamisch) | Ja |
| Uien | Akkerbouw | WWL (dynamisch) | Ja |
| Tulpen | Bollen | WWL (dynamisch) | Ja |
| Laanbomen | Boomkwekerij | WWL (dynamisch) | Ja |
De grondgebonden vee-klasse kent op gewasniveau twee gewassen, Gras en Mais; het onderscheid tussen de drie intensiteitsklassen wordt niet op gewasniveau gemaakt maar via klasseparameters in ModelParameters/Landbouw/per_LandbouwKlasse. De kolom YR_bron verwijst naar de classificatie GewasSoortYR in Classifications/Landbouw.dms, die per gewas bepaalt uit welke bron de opbrengstderving komt. Riet en Lisdodde staan daar op de bron Exotisch, maar hun derving staat op nul zolang de schakelaar DervingUitKansenkaartActief uit staat; zie Opbrengstderving.
De klasse Aardappelen is een samengesteld gewas. Consumptie-, poot- en zetmeelaardappelen hebben elk hun eigen opbrengst, prijs en toegerekende kosten, en per bodemtak worden die met areaalaandelen gewogen tot een klassekental. Op klei weegt consumptie 0,561 en poot 0,428, op zand weegt zetmeel 0,605, en op de veentak (dalgrond) telt alleen zetmeel. Dat is de enige klasse waar die opzet is ingevuld; de structuur Teelten/<teelt> ligt voor de andere klassen klaar.
De geschiktheid loopt via twee sjablonen: Dairy_T voor de drie grondgebonden vee-klassen en Akkerbouw_T voor de overige twaalf. Welke klasse welk sjabloon krijgt staat in de kolom templatetype van LandbouwKlasses. Beide sjablonen leveren dezelfde interface: Suitability, NPV, NetRevenue en Economic_performance/Conversion_costs.
Elk bodemafhankelijk kental hangt aan een classificatie met vier posities, Classifications/Landbouw/Bodemtak: Geen, Klei, Zand en Veen. De toewijzing per cel staat in SourceData/Landbouw/HELP/Bodemtak_rel en komt uit de HELP-bodemkaart.
| Tak | HELP-klassen | Wat er onder valt |
|---|---|---|
| Klei | K1 tot en met K5 | de kleigebieden |
| Zand | Z30 tot en met Grind30 | ook loss en zand op tertiaire klei |
| Veen | V_W | het veenweidegebied plus de moerige en dalgronden |
| Geen | de rest | water, verhard en geen gegevens |
De veentak is een eigen tak, want het veenweidegebied heeft eigen grasopbrengsten, graslandkosten en een eigen maisaandeel, en de veenweidevergoeding en de begrenzing van akkerbouw hangen eraan; op kleikentallen zou de landbouwgeschiktheid op veen stil verkeerd rekenen. Op de tak Geen zetten beide sjablonen de netto-opbrengst op nul; dat is een verwaarloosbaar deel van het landbouwareaal, want de tak omvat water, verhard en cellen zonder gegevens.
De opbrengstderving hangt niet aan deze indeling maar aan de BOFEK-bodemcode, want dat is de as van de Water Wijzer Landbouw. Bodemtak en BOFEK zijn dus twee verschillende bodemkaarten in dezelfde berekening, en dat is een bekend verschil (#785).
De geschiktheid van een cel voor een landbouwklasse is het sturingssignaal voor de allocatie. Zij staat in euro per m2 en is opgebouwd uit twee delen:
Suitability = Net_revenues * Kapitalisatie/factor - Conversion_costs
Het eerste deel is het jaarlijkse saldo per hectare, gekapitaliseerd over de afschrijvingsperiode tegen de rentevoet van de boervariant. Het tweede deel zijn de transitiekosten van het huidige gebruik naar deze klasse. De uitkomst is wat een boer hoogstens voor die hectare zou willen betalen, dus een biedprijs.
Beide sjablonen leveren daarnaast een NPV met dezelfde formule maar een andere kapitalisatie: de standaard rentevoet in plaats van die van de boervariant, en de lengte van de zichtjaarperiode in plaats van de afschrijvingsperiode. Die tweede uitkomst stuurt de allocatie niet; zij is de indicator die wordt gerapporteerd.
Dit is de belangrijkste aanname van de hele module, en zij staat als schakelaar in de configuratie: ModelParameters/Landbouw/Kostenvoet_InclusiefLoonwerk, die uit staat.
Het saldo is bruto geldopbrengst min toegerekende kosten bij eigen mechanisatie. Dat is de kostenvoet die KWIN Veehouderij (saldo per koe, met loonwerk als aparte regel eronder), KWIN-AGV (toegerekende kosten per gewas, loonwerk in een eigen hoofdstuk) en het Bedrijveninformatienet (saldo voor werk door derden) alle drie delen. Er zit dus geen loonwerk in, geen arbeid, geen machines, geen gebouwen, geen grond en geen rente over levende have of omlopend kapitaal.
Daaruit volgt hoe de uitkomst gelezen moet worden. De gekapitaliseerde waarde is een bovengrens voor de betalingsbereidheid voor grond en geen winst. Voor melkvee liggen de niet-toegerekende kosten per hectare hoger dan voor akkerbouw, dus de vergelijking op saldo zet melkvee eerder te gunstig dan te ongunstig; voor bollen, boomkwekerij en fruit geldt dat nog sterker, want daar zit veel losse arbeid in.
De schakelaar aan is een gevoeligheidsstand en nog geen tweede definitie. De akkerbouwkolom Loonwerk is namelijk half gevuld: riet, lisdodde, bieten, granen op klei en uien dragen een bedrag, en aardappelen, boomgaard, tulpen, laanbomen en de vier exotische gewassen staan op nul omdat de KWIN-regel daar niet is gelezen. Aan zou melkvee circa 600 euro per hectare zwaarder zetten en de akkerbouwklassen ongelijk: bieten en uien wel, aardappelen en boomgaard niet. Dat is geen kostenvoet maar een mengsel van twee, en daarom staat de schakelaar uit tot elke regel gevuld is.
Wat wel buiten het saldo valt maar niet verdwijnt, zijn de eenmalige investeringen. Die staan in de transitiekostenmatrix, en dat is met opzet: gebouwen, werktuigen en meerjarige plantopstand horen niet in een jaarlijks saldo en zouden anders dubbel tellen.
Het sjabloon Kapitalisatie_T zet een jaarlijkse stroom om in een contante waarde met continue discontering:
Hier is $F$ de kapitalisatiefactor in jaren, $r$ de rentevoet en $n$ de periode. Bij 5,5 procent en twintig jaar komt $F$ uit op 11,95.
Het sjabloon staat los van Suitability_T, direct onder Templates/Landbouw, want het wordt ook door de veenemissie-indicator aangeroepen.
De drie grondgebonden vee-klassen gebruiken Dairy_T. Dat sjabloon rekent met het KWIN-saldo per melkkoe en een ruwvoerbalans per hectare, niet met een voederconversie van voer naar melk.
Het saldo per hectare is een optelling van vijf posten:
Saldo_ha = Saldo_dier + Voerbalans - Grondkosten - Mestafzetkosten + Subsidie
Post 1, het dier. Per hectare staan Koedichtheid melkkoeien, en elke koe draagt het KWIN-saldo zonder de grondposten en zonder loonwerk: melk maal melkprijs maal de prijsmultiplier, plus omzet en aanwas, min dierkosten, min afrastering. Met de kentallen van KWIN Veehouderij 2025-2026 (9,0 ton melk per koe, 490 euro per ton, omzet en aanwas 465, dierkosten 1.656, afrastering 70) is dat 3.149 euro per koe. De koedichtheid is een referentiedichtheid per bodemtak, 1,48 koe per hectare op alle drie de takken, maal een klassefactor: nul op natuurlijk beheerd grasland en een op productiegrasland. De aansluiting voor een koedichtheid per gemeente uit de CBS-landbouwtelling ligt op die ene regel klaar.
Post 2, het ruwvoer. Per cel wordt het eigen ruwvoeraanbod berekend als gras plus mais, elk na opbrengstderving. Het maisaandeel volgt uit de bodemtak (0,117 op klei, 0,269 op zand en 0,091 op veen) en de rest is gras; de bruto grasopbrengst per tak wordt gecorrigeerd voor veld-, inkuil- en beweidingsverlies, en waar deep drainage kan komt daar 0,25 ton droge stof per hectare bij. De behoefte is de koedichtheid maal het ruwvoer per koe, 6,5 ton. Het verschil wordt verrekend: een overschot gaat weg als gras op stam (101 euro per ton droge stof, natuurgras 75), een tekort komt binnen als ingekuilde snijmais (160 euro per ton).
Die verrekening is een keuze met gevolgen, en zij staat in het sjabloon toegelicht. Het is het perspectief van de boer: bij opbrengstderving blijft de veestapel staan en koopt hij voer bij. Een ton droge stof derving kost dan 160 euro aankoop, terwijl diezelfde ton circa 485 euro saldo zou kosten als er een koe voor zou verdwijnen. Gevolg is dat melkvee in de allocatie veel minder gevoelig is voor de hydrologie dan akkerbouw: dertig procent derving kost grondgebonden vee op klei circa 450 euro per hectare en aardappelen circa 2.400. Wie de geschiktheid op koeienafbouw wil laten rekenen vervangt de koedichtheid door het minimum van de dichtheid en het aanbod gedeeld door de behoefte per koe; dat is de enige regel die dan verandert.
Post 3, de grond. Graslandkosten maal het grasaandeel plus maiskosten maal het maisaandeel, beide per bodemtak en op de kostenvoet eigen mechanisatie, plus de jaarkosten van deep drainage waar dat kan.
Post 4, de mest. De stikstofproductie per hectare is de koedichtheid maal de excretie per koe inclusief het bijbehorende jongvee, 154,2 kg N. Wat daarvan boven de gebruiksnorm uitkomt moet worden afgevoerd, omgerekend naar kubieke meters tegen 4,0 kg N per m3 en afgezet tegen de mestprijs van deze variant en dit zichtjaar. De gebruiksnorm is een variantkolom, Gebruiksnorm_N in VariantK; de wettelijke norm zonder derogatie is 170 kg N per hectare.
Post 5, de subsidie. Zie Landbouwbeleid en subsidies.
Natuurlijk beheerd grasland loopt door dezelfde formule met de schakelaar IsNatuurlijkGrasland aan: geen koeien, geen mais, geen deep drainage, een netto grasopbrengst uit de zoogkoeientabel, verkoop tegen de natuurgrasprijs, en de GLB maal het subsidiabele aandeel.
Ter illustratie een uitkomst uit de NL2120-toepassing, zichtjaar 2040 van de variant BAU, bij opbrengstderving nul: het saldo is 3.939 euro per hectare op klei, 3.990 op zand en 4.002 op veen, en op natuurlijk grasland 528 en op veen 558. Die getallen horen bij die casus en dat zichtjaar en zijn geen eigenschap van de methode.
Op een cel zonder bodemcode staat het saldo op nul. De parameters staan in ModelParameters/Landbouw/Melkvee_parameters.dms.
De twaalf overige klassen gebruiken Akkerbouw_T, met per gewas een instantie van PerGewas_T:
BrutoGeldopbrengst = Geldopbrengst_max[bodemtak] * (1 - YieldReduction) * PriceMultiplier
NetRevenue_ha = BrutoGeldopbrengst - Toegerekend[bodemtak] + GLB
Geldopbrengst_max is de bruto geldopbrengst per hectare bij derving nul, dus opbrengst maal prijs plus bijproduct, per bodemtak. Alleen riet draagt rechtstreeks een bedrag per hectare, want het afzetkanaal van riet is dakriet en daarvan zijn alleen de uitgeschudde stengels bruikbaar (#258). De derving werkt op de hele geldopbrengst inclusief bijproduct, dus ook op het stro van tarwe. De prijsmultiplier werkt alleen op de bruto opbrengst en niet op de kosten of de GLB.
De klasse krijgt per cel het beste van haar gewassen via max_elem, en DominantGewas legt vast welk gewas dat was. Alleen Rietteelt heeft meer dan een gewas; bij derving nul wint daar riet, door het dakrietkanaal.
Het saldo draagt geen bouwplanaandeel. Het klasseareaal in dit model is al het jaarlijkse gewasareaal uit BRP en LGN, dus een klassehectare draagt het naamgewas op de volle hectare; een rotatiefactor op het saldo zou het bouwplanaandeel twee keer tellen. Het bouwplanaandeel leeft in de claim en niet in het saldo.
Akkerbouw op veen is begrensd: op de bodemtak Veen krijgt een akkerbouwklasse alleen een netto-opbrengst waar de basisjaarkaart daar al een akkerbouwklasse draagt (Suitability_T/AkkerbouwOpVeen_toegestaan); elders op die tak is de netto-opbrengst nul, net als op de tak Geen. Op veengrond mag blijvend grasland volgens GLMC 2 niet worden omgezet, en akkerbouw op veen komt in de praktijk alleen voor op de moerige en dalgronden; de basisjaarkaart wijst die zelf aan. Een gewaswissel binnen de akkerbouw blijft daar mogelijk, groei van akkerbouw op veenweide niet. De begrenzing vangt ook twee dingen op die nog open staan: de akkerbouwkolom Veen staat op de zandwaarden omdat KWIN-AGV voor de dalgrond nog niet is gelezen, en de opbrengstderving uit de Water Wijzer Landbouw is op de veentak de laagste van alle takken, terwijl het veenweidegebied dat niet doet vermoeden. Zonder de begrenzing zou het veenweidegebied daardoor het beste akkerbouwland van het model zijn. Waarom de WWL-derving op de veentak zo laag is, ligt als vraag bij Deltares.
De gewasparameters staan in ModelParameters/Landbouw/Gewas_parameters.dms, per klasse een container met een of meer gewassen. Opbrengsten en prijzen komen uit de BIJ12-actualisatie van juni 2024 volgens de KWIN-AGV-methodiek (vijfjaarsgemiddelden 2019 tot 2023), de toegerekende kosten uit KWIN-AGV 2026.
Opbrengstderving is de afname van de haalbare opbrengst door bodemfysische, hydrologische of klimatologische omstandigheden, als fractie tussen nul en een. Welke bron per gewas geldt staat in GewasSoortYR, kolom YR_bron. Er zijn twee actieve bronnen.
WWL dynamisch, WWL_dyn, voor de gangbare gewassen. Dit is de Water Wijzer Landbouw van WUR, geleverd als responssurface waarin per bodem, gewas, beregeningsoptie en klimaatband de schade staat bij elke combinatie van GHG en GLG. De derving wordt per hydrologische levering, zichtjaar en gewas landsdekkend uitgerekend. De volledige uitwerking staat op Opbrengstenderving; wat droogteschade en natschade zijn en welke beperkingen daarbij gelden op Droogteschade en natschade.
Exotisch, Exotisch, voor riet, lisdodde, cranberry, moerasbomen, rijst en yacon. Hier komt de derving uit de WUR-kansenkaarten, als 1 - kansenkaartscore. Riet en lisdodde lezen die kaarten niet: hun derving staat op nul via de schakelaar DervingUitKansenkaartActief in ModelParameters/Landbouw/per_Gewas/Rietteelt, want een kansenkaart zegt niets over de opbrengstfractie, en de natte teelt die een veenlevering oplegt zou anders vrijwel zonder opbrengst staan. Het is een schakelaar omdat de vraag open is: zodra WUR een opbrengst voor deze gewassen levert hoort de derving weer ergens vandaan te komen.
Bij de kansenkaarten horen twee waarschuwingen. Zij dekken maar een klein deel van het land. Waar zij ontbreken wordt de derving 1, dus opbrengst nul, en kan het gewas daar niet landen; een ontbrekende kaart is dus geen ontbrekende waarde maar een uitsluiting.
En het blijft een categoriefout die is begrensd en niet opgelost. Een kansenkaart zegt of een gewas ergens kan staan, niet welke fractie van de maximale opbrengst het haalt. Zolang 1 min kans als opbrengstderving wordt gelezen staat er een geschiktheidsindex op de plaats van een opbrengstfractie. De nette oplossing is de kaart als beschikbaarheidsmasker gebruiken en de opbrengst apart schatten, en daarvoor is een uitspraak van WUR nodig. Dit is een van de redenen dat de exotische gewassen uit de allocatie kunnen worden gezet; zie Regionale vraag.
De twee bronnen komen samen in Templates/Landbouw.dms, container YieldReduction/Result: de derving uit de bron plus de verziltingsopslag, afgekapt op een, met een IntegrityCheck die eist dat elke waarde tussen nul en een ligt. Die afkapping is de werkzame route waar een kansenkaart ontbreekt, want het minimum van een ontbrekende waarde en een is een, en niet opnieuw een ontbrekende waarde.
Drie dingen sturen welke kaart een cel krijgt, en zij komen uit drie verschillende hoeken.
De grondwaterstand komt uit de hydrologische levering die de variant leest, kolom Hydrologie_Levering in VariantK; meer varianten mogen dezelfde levering aanwijzen. Een levering is een eigen hydrologische som van Deltares, of een bestaande stand met daaroverheen de grondwaterstand van de veenbouwsteen die op de cel is gealloceerd. Die tweede vorm bestaat zodat de vernatting die een variant oplegt, natte teelt en vernat grasland, terugkomt in de opbrengstderving van precies die cellen; een variant die de standen van een andere levering leest ziet haar eigen vernatting niet. Welke leveringen er zijn en welke variant welke leest staat op de toepassingspagina, zoals Toepassing NL2120.
Het beregeningsregime komt uit ModelParameters/Landbouw/BeregeningScenario_name. A geeft nergens beregening, B1 overal, en B2 volgt de beregeningskaart Basisprognoses 2018, dus alleen de percelen die toen een installatie hadden. B2 is de standaardstand, de afspraak uit #542; B1 verlaagt de derving op landbouwgrond met enkele procentpunten. Op de cellen waar een veenbouwsteen een grondwaterstand oplegt staat de beregening uit, wat het scenario ook zegt (#793); riet en lisdodde raakt dat niet, want die lopen niet door de WWL maar door de kansenkaart.
De klimaatband van de schaderelatie is een scenariokenmerk en geen variantkenmerk, en staat in ModelParameters/Landbouw/Scenario: een klimaathelft en een groeihelft, die samen de band in de relatiedatabase aanwijzen, Referentie of WarmHoog. De groeihelft volgt uit het scenario dat de casus draait. Het basisjaar houdt de referentieband, want daar staan waargenomen grondwaterstanden tegenover. Een variant die referentiestanden leest krijgt zo een warme schaderelatie op referentiestanden; of zo’n variant daarmee nog de bedoelde gevoeligheidsvariant is staat als vraag open in #782.
De derving is daarmee ook tijdsafhankelijk. De WWL-kaarten bestaan voor drie ankerjaren, 2017, 2050 en 2085 (Classifications/Landbouw/WWL_Zichtjaren). Een zichtjaar krijgt het gewogen gemiddelde van de kaarten van de twee ankers die het omsluiten, lineair naar de afstand tot elk anker; een zichtjaar op een anker leest alleen dat anker, en een zichtjaar voorbij het laatste anker leest de kaarten van 2085. Zo verloopt de derving geleidelijk over de reeks in plaats van in een sprong tussen twee niveaus. Waar maar een van de twee ankers een waarde heeft telt die ene; waar geen van beide iets geeft blijft de waarde ontbreken en wordt de derving via de afkapping een.
Verzilting is een aparte vorm van opbrengstderving die ruimtelijk en in de tijd anders verloopt dan de hydrologische derving. De bron is het Deltaprogramma Zoetwater, dat per deltascenario kaarten heeft gemaakt met de verandering van het verziltingsrisico tussen het huidige klimaat en 2050, en voor twee scenario’s ook 2100. Daarin zijn twee processen verwerkt: brakke kwel die in de wortelzone komt, en verzilting van beregeningswater.
De kaart onderscheidt vijf klassen, van kleiner risico tot aanzienlijk groter risico. Omdat niet exact te duiden is welke klasse zoutschade oplevert (een kleine toename op al licht verzilte grond kan ernstig zijn, terwijl dezelfde toename elders onbeduidend is), zijn de drie hoogste klassen samengevoegd tot een klasse die verziltingsgevoelig heet.
Binnen dat gebied wordt een instelbaar deel van de cellen als aangetast aangemerkt, parameter Verzilt_Areaal_Fractie, die op 0,40 staat. De selectie gebeurt door per cel een random getal te trekken, dat met de gevoeligheidskaart te vermenigvuldigen, ruimtelijk te clusteren met een kernel van 1000 meter en dan een zaaglijn te leggen bij het gewenste aandeel.
De mate van aantasting groeit met het zichtjaar. In 2030 staat zij op Verzilt_OpbrengstDerving_Y2030 en daarna loopt zij lineair op naar Verzilt_OpbrengstDerving in het laatste zichtjaar van de configuratie. Op een aangetaste cel met een gevoelig gewas wordt die opslag bij de derving uit de bron opgeteld, waarna het totaal op een wordt afgekapt. Begint de reeks na 2030, dan vuurt de tak voor 2030 nooit.
De zaaglijn is in de configuratie niet aangesloten: het masker AangetastVerziltGebied in SourceData/Landbouw/Verzilting staat voor elke cel op onwaar, zodat geen enkele cel zoutschade krijgt (#793). De risicokaart, de loting en de opslag per zichtjaar staan er nog voor wie de toets weer wil aansluiten. Voor zoutschade is bovendien een andere bron gekozen, de tabel van de Waterwijzer Landbouw versie 1.0.0, waarvan de dataset nog gemaakt wordt; zie Verzilting en zoutschade en #616.
Welke gewassen gevoelig zijn is bepaald met de Maas-Hoffman-relaties, in twee clusters: beperkt gevoelig (in het model op niet gevoelig gezet) en sterker gevoelig (op gevoelig gezet). De parameters komen uit Mulder et al. (2018).
De marktprijzen kunnen per variant verschillen. Per klasse staat in VariantK een prijsmultiplier PriceMult_<klasse> waarmee de bruto geldopbrengst wordt vermenigvuldigd; voor melkvee is dat PriceMult_Melk op de melkprijs. De multipliers voor Cranberry, Moerasbomen, Rijst en Yacon zijn per referentie gelijk aan PriceMult_Exoten. De multiplier werkt niet op de kosten en niet op de GLB.
Welke waarden een variant krijgt hoort bij de toepassing; zie Toepassing NL2120.
Er is geen kostenindex per variant en geen prijsindex over de zichtjaren: alle kentallen zijn reeel constant, op prijspeil 2025.
Het landbouwbeleid is een pad in de tijd, per variant. Suitability_T trekt een stuksgewijs lineair pad door vier ankers: het basisjaar, 2028, 2040 en 2050, en daarna blijft de waarde constant. De eerste twee ankers staan in ModelParameters/Landbouw/Beleid en zijn variant-onafhankelijk; 2040 en 2050 staan per variant in VariantK. Het anker 2028 is de knik van het nieuwe meerjarig financieel kader van de EU.
Vijf grootheden lopen langs dat pad:
| Grootheid | Wat het is | Wie het leest |
|---|---|---|
GLB_Hectaresteun |
basisinkomenssteun plus de extra betaling voor de eerste hectares, per ha subsidiabel areaal | beide sjablonen |
GLB_Eco |
verwachte ontvangst uit de eco-regeling, gewogen over de deelnameniveaus | beide sjablonen |
GLB_Diensten_extensief |
vergoeding voor diensten op natuurlijk beheerd grasland | alleen Dairy_T, op de extensieve klasse |
Veen_vergoeding |
veenweidevergoeding per ha grasland op veengrond | alleen Dairy_T |
Mestprijs |
afzetprijs van rundveedrijfmest per m3 | alleen Dairy_T |
De hectaresteun en de eco-regeling hebben alle vier de ankers. De drie andere grootheden hebben geen anker 2028: hun 2040-niveau is in 2028 bereikt en blijft staan tot het anker 2050.
De eerste twee samen vormen TotaalSubsidie, en die is per definitie gewasneutraal: elke gewasgebonden vergoeding staat in het sjabloon dat haar ontvangt. Akkerbouw krijgt haar op elk gewas met de vlag GLB_subsidiabel, melkvee op de hele hectare, en natuurlijk grasland maal GLB_factor_extensief. Die factor is afgeleid van de basisjaarkaart en geen aanname: het aandeel van het areaal natuurlijk grasland met een BRP-code die volgens de RVO-gewascodelijst voor basispremie en eco-regeling in aanmerking komt (331 en 1926 wel, 332 niet); of die lezing klopt staat als vraag bij RVO open in #780. De enige gewasgebonden GLB-post aan de akkerbouwkant is de eco-activiteit natte teelt, die riet en lisdodde bovenop TotaalSubsidie ontvangen (GLB_EcoActiviteit, schakelbaar met EcoActiviteitNatteTeeltActief in ModelParameters/Landbouw/per_Gewas/Rietteelt; #258).
De veenweidevergoeding hangt aan de bodemtak Veen en geldt alleen voor de twee graslandklassen, want ANLb-veen en de RVO-veenweideregeling zijn graslandpakketten. Zij is beleidsmatig het instrument waarmee compensatie voor peilopzet kan worden gemodelleerd: peilopzet verlaagt de veenemissie maar verhoogt de opbrengstderving, en het samenspel van vergoeding en derving bepaalt of een boer overschakelt.
De eco-regeling is bruto: de kosten van de eco-activiteiten zijn er niet vanaf getrokken, dus dit is een bovengrens. Dat geldt voor beide sectoren gelijk.
Welke bedragen een variant krijgt hoort bij de toepassing; de NL2120-waarden staan op Toepassing NL2120. Wel hoort hier de status van de ankers. Het basisjaar is onderbouwd uit de RVO-tarieven en het Bedrijveninformatienet. Het anker 2028 is voorlopig, want het meerjarig financieel kader is nog niet vastgesteld. De ankers 2040 en 2050 zijn een keuze die de reele erosie doortrekt die WUR en PBL beschrijven; er is geen bron na 2034.
Een valkuil bij het lezen van de uitvoer: de basisjaarindicator voor netto-opbrengsten wordt gevuld met de geschiktheid van het exportzichtjaar, en draagt daarmee de GLB en de mestprijs van dat zichtjaar en niet die van het basisjaar.
Bij omschakeling van het ene productiesysteem naar het andere maakt een boer eenmalige kosten. Het principe: de transitiekosten van herkomst naar bestemming zijn de investering in het bestemmingssysteem die de herkomst nog niet heeft, plus de beeindigingskosten van de herkomst die niet worden terugverdiend. Elke klasse draagt daarvoor drie labels en zes bedragen, en per component geldt dezelfde regel. Draagt de herkomst hetzelfde label als de bestemming, dan kost die component niets; verschillen ze, dan betaalt de omschakeling de investering van de bestemming plus het opruimen van de herkomst.
| Component | Labels | Wat het is | Opruimen |
|---|---|---|---|
| Veldtype | Bouwland, Grasland, Nat, Onbekend | de inrichting van het perceel: drainage, inzaai, of kaden en stuw | ja |
| Machinepark | Akkerbouw, Grasland, Fruit, Nat, Geen | het werktuigenpark | nee, werktuigen hebben een tweedehandsmarkt |
| Systeem | per klasse | gebouwen, installaties en meerjarige plantopstand | ja, plus het restwaardeverlies van de herkomst |
Bij het derde component hoort ook het verlies van het niet terug te verdienen deel van de investering van de herkomst, Restwaardeverlies maal het niet-verhandelbare deel. Dat is de kant vanaf een systeem, dus rooien, sloop en leegstand; zonder die kant zou een afwaardering, zoals van productiegrasland naar natuurlijk grasland, niets kosten. Het restwaardeverlies staat op 0,5, en dat is een verwachtingswaarde en geen meting: bij lineaire afschrijving over twintig jaar en een gelijkmatige leeftijdsopbouw is gemiddeld de helft nog niet afgeschreven. De knop is bewust zichtbaar gemaakt, want op nul kost het verlaten van een systeem alleen nog het opruimen, en op een loopt de allocatie vast op het basisjaar.
De diagonaal is per constructie nul: een klasse deelt haar drie labels met zichzelf.
Twee gevolgen van deze opzet zijn de moeite waard.
Aardappelen, Bieten, Granen en de restklasse Akkerbouw dragen alle drie de labels gemeenschappelijk, dus hun onderlinge overgangen kosten nul. Dat is een besluit van de opdrachtgever: een gewaswissel binnen het bouwplan is geen bedrijfsomschakeling, en het klasseareaal in dit model is al het jaarlijkse gewasareaal. Zou elke wissel tussen die vier de volledige inrichting van een akkerbouwbedrijf betalen, dan stonden de akkerbouwklassen praktisch vast op het gewas van het basisjaar. Bollen en Boomkwekerij horen niet bij die groep: zij delen het basiswerktuigenpark maar hebben met de bollenschuur en het containerveld een eigen bovenbouw.
Er is een aparte herkomstrij Overigen voor cellen die helemaal geen landbouwklasse dragen. Die heeft alle bedragen op nul en alle labels eigen, zodat de omschakeling de volledige inrichting van de bestemming betaalt. Dat is bewust conservatief: een cel zonder bekende herkomst is de duurste om in gebruik te nemen.
De bedragen komen uit KWIN-AGV 2026 en KWIN Veehouderij 2025-2026, op prijspeil 2025 en 2026, dus dezelfde voet als de opbrengstenkant. Twee posten dragen hun eigen prijspeil met een expliciete indexatie, het rooien van een boomgaard en de natte inrichting. Drie klassen rusten voor hun totaal op Diogo (2015) maal een index van 1,40, namelijk Boomgaard, Bollen en Boomkwekerij, omdat KWIN Fruitteelt, KWIN Bloembollen en KWIN Boomkwekerij aparte uitgaven zijn die niet zijn gelezen; alleen de verdeling van hun totaal over veld, werktuigen en systeem is eigen werk. Cranberry leunt op datzelfde fruitbedrag, met de natte inrichting van de rietteelt eronder.
Als ijking van het niveau: de optelling komt uit op 10.650 euro per hectare om een bouwlandhectare in te richten en 15.816 om een melkveehectare in te richten.
Wat er niet in zit is grondaankoop. De oorspronkelijke bron rekende die er wel bij, als proxy voor het feit dat een ander landgebruik een andere boer betekent. RSopen heeft die post niet, want de allocatie verplaatst grondgebruik en geen bedrijven. Verder ontbreken vergunningen, advies- en overdrachtskosten, en het inkomensgat tijdens de omschakeljaren.
De matrix wordt op twee plekken gelezen, met een verschillende herkomst, en dat verschil is bedoeld.
De geschiktheidssjablonen gebruiken de klasse van het basisjaar. Die uitkomst voedt de indicatoren.
De allocator gebruikt de klasse die de cel aan het begin van het lopende zichtjaar draagt: in het eerste zichtjaar de basisjaarkaart, daarna de uitkomst van het vorige zichtjaar inclusief wat daar exogeen is opgelegd. De geschiktheid uit VariantData is daarvoor niet bruikbaar: die trekt in elk zichtjaar opnieuw de kosten af ten opzichte van het basisjaargebruik en kent de stand van het vorige zichtjaar niet. Zou de allocator haar lezen, dan betaalt een cel die in een eerder zichtjaar van gras naar aardappelen ging in elk volgend zichtjaar opnieuw de omschakeling vanaf gras, en kent zij geen drempel om terug te gaan. Daarom bouwt de allocatie de geschiktheid opnieuw op uit de netto-opbrengst, de kapitalisatiefactor en deze herkomst (#262).
Er worden drie typen boergedrag onderscheiden, elk met een eigen disconteringsvoet en een eigen opslag op de transitiekosten:
| Boervariant | Disconteringsvoet | Transitiepremie | Kapitalisatiefactor bij 20 jaar |
|---|---|---|---|
| RationeleBoer | 5,5 procent | 0 procent | 11,95 |
| IntermediateBoer | 8,0 procent | 20 procent | 9,82 |
| ConservatieveBoer | 16 procent | 100 procent | 5,93 |
De conservatieve boer waardeert dezelfde stroom toekomstige opbrengsten dus ongeveer half zo hoog als de rationele boer, en betaalt tegelijk het dubbele aan omschakelkosten. Samen maakt dat zijn drempel ongeveer vier keer zo hoog.
De boervariant is een instelling voor de hele run, Boervariant_name in ModelParameters/Landbouw, met RationeleBoer als default. Er wordt niet over de drie typen geitereerd; de landbouwallocatie kent maar een iteratie.
De traagheid van het systeem zit niet in zo’n iteratie maar in de vergelijking zelf. Het huidige gewas draagt op de diagonaal van de matrix nul omschakelkosten, dus een alternatief moet eerst zijn eigen omschakelkosten goedmaken voordat het wint. Die kosten zijn de drempel, en de boervariant schaalt hem langs de twee wegen hierboven. Alle drie de varianten lopen door dezelfde mechaniek; ook voor de conservatieve boer is de drempel een drempel en geen uitschakelaar. Wie een variant wil waarin het landgebruik helemaal vastligt gebruikt de kolom RolNaXZichtjaar in ModelParameters/SectorAllocRegio.
De vijf getallen in de tabel hierboven zijn een aanname zonder bron en liggen als vraag bij de opdrachtgever. De onderbouwing van de matrix zelf staat bij de bouwstenen, maar de opslag en de rentevoet per boervariant staan daar los van en horen bij de gedragsaanname over de boer.
De landbouw loopt door dezelfde zeef als de andere sectoren, maar de meeste toetsen daarin zijn aan wonen en werken gekoppeld en doen voor deze sector niets. Wat er overblijft is deze lijst. De eerste vier komen uit de zeef, de laatste drie staan in de landbouwallocatie zelf.
VariantParameters/EvidentBenut/Landbouw: bebouwing, infrastructuur, winning en opslag, glastuinbouw en zonneparken. De lijst bevat alleen de klassen die een onomkeerbare verandering aanwijzen die de gewaskaart nog niet kent; zie Waarom die lijst zo kort is.MinimalLandAvailability_Landbouw in VariantK en is gedefinieerd als hectare per cel van 100 meter, dus als aandeel van een hectare. De zeef werkt op 25 meter en past die drempel toe als aandeel van een schijf met een straal van 50 meter rond de cel.De toets uit punt 7 geldt ook voor de restcategorie NonLandbouw, en dat is de bedoeling: buiten het landbouwareaal hoort deze allocatie niets aan te raken. Het is een besluit en geen schakelaar (#605), en de lijst uit punt 1 leunt erop.
De zoekruimte van de landbouw wordt al bepaald door de basisjaargewaskaart, punt 7 hierboven. Een tweede afbakening met een lijst uit het Bestand Bodemgebruik die ook bos, natuurterrein, water en de groene recreatieklassen bevat zet twee bronnen naast elkaar die hetzelfde gebied afbakenen en het oneens zijn. Het Bestand Bodemgebruik is functie en van 2022, de gewaskaart is bedekking en opgave en van 2025. Waar het CBS een perceel binnen een natuurgebied als natuurterrein afbakent en de teler het als grasland opgeeft, zou zo’n lijst grond wegzeven die de gewaskaart wel als landbouw kent. Dat raakt precies de klassen die van agrarisch natuurbeheer en natte teelt leven, extensief grasland, rietteelt en moerasbomen, terwijl de ondergrens van diezelfde klassen op het ongezeefde basisjaarareaal staat; de zeef zou de claim voor die klassen onhaalbaar maken.
Daarom bevat de lijst alleen wat de gewaskaart zelf niet doet: de onomkeerbare veranderingen na de gewaskaart, met hoofdweg, woonterrein en bouwterrein als grootste posten. Zou de regel dat de landbouw alleen op bestaand areaal landt ooit worden losgelaten, dan is deze lijst het enige dat de landbouw uit de stad en de natuur houdt, en hoort zij eerst terug in een volledige vorm.
Vier dingen die de zeef voor wonen en werken wel doet en voor de landbouw niet. Wie een landbouwuitkomst leest moet ze kennen, want ze verklaren waarom de landbouwzeef zoveel ruimer is.
Restrictiekaarten. De sector heeft ze niet: er is geen restrictielevering voor landbouw, dus IsRestrictiefBuitenHardePlancapaciteit staat er op onwaar en de zeerharde restrictielaag wordt voor deze sector niet apart behandeld. Een Natura 2000-gebied houdt de landbouw dus niet tegen langs de restrictieroute; bestaande natuur valt af omdat zij niet in de basisjaargewaskaart staat, en nieuwe natuur omdat zij exogeen wordt opgelegd.
Plancapaciteit. Harde en zachte plannen staan voor landbouw op onwaar. Er is dus ook geen planvrijstelling, en de vervaldatum van de plancapaciteit doet hier niets.
Het landschapsregime. OpSlotDoorLandschap sluit alleen wonen en werken. Landbouw mag in een landschapsgebied gealloceerd worden, behalve waar de exogene oplegging haar alsnog tegenhoudt.
De bodem- en gevaartoetsen. Te slap, te nat, te gevaarlijk, reserveren voor rivierafvoer, eigendom van een natuurorganisatie of waterschap, nabijheid van openbaar vervoer, milieuzonering en de bouwwijzetoets zijn allemaal aan wonen of werken gekoppeld. De hydrologie werkt bij de landbouw niet via de zeef maar via de opbrengstderving in de geschiktheid.
Er is ook geen pandentoets. Die geldt alleen voor zon en wind; bij de landbouw hoort het erf bij het agrarisch bedrijf, en de drempel uit punt 4 beantwoordt dezelfde vraag beter.
Een meer gedetailleerde beschrijving van het restrictiesysteem staat op Beschikbaarheid.
De allocatiemodule vereist per landbouwklasse een minimale en een maximale claim per allocatieregio. Welke claimvariant geldt staat per variant in Claim_agrarisch_Variant in VariantK; er is een claimvariant, claims_conservatief.
In claims_conservatief zijn onder- en bovengrens een bandbreedte rond het basisjaarareaal per klasse per regio, gestuurd door een enkele parameter Claimbandbreedte: bij 0,05 loopt de band van 95 tot 105 procent van het basisjaarareaal, bij 0 staat elke klasse op haar basisjaarareaal maal de restclaimfactor van de volgende paragraaf. De parameter is ook te zetten met de omgevingsvariabele RSO_CLAIMBANDBREEDTE, voor een gevoeligheidsanalyse zonder configwijziging.
Een klasse zonder basisjaarareaal zou met een band per definitie op nul blijven staan. Daarvoor is er Introductieruimte, een expliciete bovengrens per allocatieregio, en die geldt alleen voor de klassen met de vlag IsExotisch. Dat onderscheid is bewust: een klasse die leeg is omdat zij nieuw is hoort ruimte te krijgen, een klasse die leeg is omdat haar invoer is weggevallen niet. Dat tweede geldt voor grondgebonden vee intensief.
De bandbreedte is een plaatshouder tot de regionale arealen per gebied zijn geleverd; de bedoelde opzet staat in #780. Hoeveel de band stuurt is een bruikbare toets bij elke wijziging van de economie: zet haar bijvoorbeeld op 0,05 en op 0,25 en vergelijk de gewasverdeling. Beweegt die nauwelijks als de band wordt verruimd, dan is de economie zwak en heeft schaven aan kentallen weinig zin. Beweegt zij sterk, dan bepaalt de claim het antwoord en niet het model. Let daarbij op de richting: verschuiven de gewassen onderling, dan draagt de economie de verdeling; verdwijnen zij naar de restcategorie, dan heeft op dat areaal geen enkel gewas een positieve contante waarde en zet alleen de ondergrens daar nog landbouw neer.
Landbouw is een restclaim: wat overblijft na verstedelijking en nieuwe natuur, met de basisjaarverdeling als gewasverdeling binnen dat restant. Dat is de afspraak met Deltares uit #780. De bandbreedte hierboven geeft die verdeling, maar zegt niets over het totaal, en een totaal dat vastzit op het basisjaarareaal past niet in een variant die veel landbouwgrond een andere bestemming geeft: landelijk kan er speling zijn terwijl in een regio waar natuur, water en natte teelt samen veel grond nemen de ruimte ontbreekt, en de allocator rekent per allocatieregio.
Daarom meet Iter_Landbouw_T/Allocatie_Prep/Claims/Restclaim per allocatieregio wat de allocator daar werkelijk aan landbouw kwijt kan, met dezelfde geschiktheidskaarten die de allocator zelf leest, dus inclusief de zeef van het zichtjaar, de exogene oplegging en wat eerdere sectoren al hebben genomen. Past de som van de ondergrenzen daarin, dan verandert er niets. Past zij niet, dan krimpen onder- en bovengrens van alle klassen met dezelfde factor tot zij passen, zodat de verhouding tussen de gewassen blijft staan en alleen het totaal zakt. De factor is nooit groter dan een: landbouw komt er niet bij. De plek is bewust gekozen, want alleen daar is de ruimte bekend zonder kringverwijzing; de claimcontainer zelf kan de geschiktheidskaarten niet lezen.
De factor wordt altijd toegepast, op de onder- en op de bovengrens; er is geen schakelaar. De Krimpmarge van 0,98 in ModelParameters/Landbouw is er omdat de toets noodzakelijk maar niet voldoende is: dat elke klasse haar ondergrens kwijt kan en alle klassen samen ook, bewijst nog niet dat er een toewijzing bestaat die aan beide tegelijk voldoet, en de omrekening van hectares naar hele cellen rondt af.
Wie de claimrealisatie leest moet weten dat die indicator de stand afzet tegen de claim uit de claimcontainer, dus tegen de ongeschaalde claim. In een regio waar de restclaim heeft gewerkt staat de realisatie daardoor onder de ondergrens van de band, en dat is geen fout maar de ruimte die op is. De toegepaste factor per regio staat onder Restclaim/Krimpfactor, en Restclaim/Krimp_Minimum geeft de sterkst geknepen regio als kengetal: staat die op een, dan paste de claim overal.
De schakelaar ExotenActief in ModelParameters/Landbouw/claims_conservatief bepaalt of Rietteelt, Cranberry, Rijst, Yacon en Moerasbomen meedoen in de allocatie. Staat hij uit, dan vallen die klassen uit de subsectorlijst Classifications/Actor/LandbouwKlasses/Actief: zij krijgen geen standvariabele, geen zeef en geen plaats in het allocatieprobleem, en hun onder- en bovengrens zijn nul, ook de introductieruimte. Rietteelt blijft wel subsector, want de natte teelt uit de veenlevering landt op die klasse en moet in de stand geboekt kunnen worden; haar claim blijft nul. De geschiktheidskaarten van alle vijf worden nog wel berekend, voor de indicatoren en om ze zonder configwijziging weer aan te kunnen zetten. De volle lijst LandbouwKlasses blijft de basis van de landgebruikskaart en het basisjaarareaal, zodat een basisjaargewas dat niet wordt gealloceerd toch als herkomst in de transitiekosten meetelt.
De reden is de bron onder hun geschiktheid. Deze gewassen hebben geen opbrengstdervingscurve maar een kansenkaart die als derving wordt gelezen, en op landbouwgrond komt daar een negatief gemiddeld saldo uit. Een gewas dat alleen in de allocatie komt waar een kansenkaart toevallig een waarde heeft, en daarbuiten honderd procent derving draagt, zegt meer over de kaart dan over de landbouw.
Wat exogeen wordt opgelegd blijft staan, ook met de schakelaar uit: de natte teelt uit de veenlevering is Rietteelt en telt mee als gerealiseerde claim.
De invoer voor de allocatiemodule bestaat uit geschiktheidskaarten per landbouwklasse, met de beschikbaarheid er al in verwerkt, en de minimale en maximale claims per regio. Het discrete allocatiealgoritme maximaliseert de totale geschiktheid per regio en weegt daarbij opportuniteitskosten mee: het houdt rekening met wat een stuk land zou opleveren voor een alternatief gewas. Dat is anders dan de stapsgewijze allocatie van wonen en werken, waar een greedy-benadering geen rekening houdt met alternatief landgebruik.
Naast de landbouwklassen die als subsector meedoen doet een restcategorie NonLandbouw mee. Die heeft geschiktheid nul en geen ondergrens, en vangt op wat de klassen laten liggen.
Drie dingen zijn de moeite waard voor wie de uitkomst leest.
De geschiktheid gaat als geheel getal de allocator in, vermenigvuldigd met honderd, want het algoritme rekent met integers. Dat houdt een resolutie van een cent per m2 aan, ruim genoeg naast een omschakeldrempel die op landbouwgrond in de orde van een euro per m2 ligt.
De geschiktheid die de allocator gebruikt is niet die uit VariantData maar wordt in Iter_Landbouw_T opnieuw opgebouwd, met de transitiekosten vanaf de klasse van het lopende zichtjaar. Zie Vanaf welke klasse wordt gerekend.
De allocatie kent maar een iteratie, en er wordt niet over de boervarianten geitereerd.
Bepaalde landbouwklassen kunnen per variant exogeen worden opgelegd. Een selectie van cellen wordt dan buiten het allocatieproces geplaatst en krijgt een vastgesteld landgebruik, ongeacht de geschiktheid. Dit wordt gestuurd door de parameter ExogeenOpleggen in VariantK en wordt gebruikt voor nieuwe natuur en water uit de landschapstyperingen.
Een landschapslevering kan ook landbouw opleggen; de veenlevering doet dat met natte teelt en vernat grasland. Dat vraagt een andere behandeling dan natuur en water. Voor die twee is een oplegging simpelweg onbeschikbaar gebied, want daar komt geen landbouw meer; voor de landbouwstroom worden die cellen juist landbouw, alleen ligt hun klasse al vast en hoeft de allocator er niets te kiezen.
Die boekhouding sluit op drie plekken. De oplegging draagt een eigen verwijzing naar de landbouwklasse die zij maakt, de stand telt die cellen mee, en de claim trekt de opgelegde hectares eraf voordat zij de allocator in gaat. De claim gaat daarmee over het totaal, dus opgelegd plus gealloceerd, terwijl de allocator alleen over zijn eigen deel gaat; zo zeggen de landgebruikskaart, de stand-administratie en de landbouwstand hetzelfde.
Waterberging is een gealloceerde sector en loopt niet over deze route; zie Uitwerking waterberging.
De landbouwmodule levert zelf twee grootheden aan de indicatorenexport, allebei per landbouwklasse, als kaart en als gemiddelde per hectare naast een totaal over het studiegebied: de jaarlijkse netto-opbrengst en de netto contante waarde daarvan. Daarnaast staat het verschil tussen basisjaar en zichtjaar als eigen kengetal. Let op dat de basisjaarvariant wordt gevuld met de geschiktheid van het exportzichtjaar en dus de GLB en de mestprijs van dat jaar draagt, niet die van het basisjaar.
Daarnaast voedt de gealloceerde klasse deze indicatoren:
Deze punten zijn bekend en staan open. Zij horen bij het lezen van elke landbouwuitkomst.
De geschiktheid is een bovengrens voor de betalingsbereidheid voor grond en geen winst, want het saldo bevat geen arbeid, gebouwen, machines, grond en rente. Sectoren met veel niet-toegerekende kosten per hectare, dus melkvee tegenover akkerbouw, en bollen, boomkwekerij en fruit tegenover beide, komen er daardoor te gunstig uit.
De exotische gewassen rusten op kansenkaarten die als opbrengstderving worden gelezen. Dat is een categoriefout die is begrensd maar niet opgelost, en zij is de reden dat die gewassen uit de allocatie kunnen worden gezet. Riet en lisdodde hebben daarom geen derving, tot WUR een opbrengst voor de natte teelt levert.
De regionale arealen per gebied ontbreken. De claim is daarom een band rond het basisjaar plus een restclaim, en dat is een plaatshouder en geen gebiedsopgave.
De akkerbouwkentallen voor de veentak zijn de zandkentallen, want KWIN-AGV is voor de dalgrond nog niet gelezen. Daarom staat akkerbouw op veen begrensd tot waar zij in het basisjaar al voorkomt.
Zoutschade telt niet mee: het masker van aangetaste cellen staat op onwaar, en de dataset voor de gekozen nieuwe bron is nog niet gemaakt.
De vijf gedragsgetallen van de boervarianten zijn niet onderbouwd, en het restwaardeverlies in de transitiekosten is een verwachtingswaarde en geen meting.
De GLB-ankers na 2034 hebben geen bron; zij trekken een reele erosie door.
De keuzes hierboven zijn gemaakt in de volgende issues; daar staat de afweging en de meting die eraan ten grondslag ligt.