Landbouw methode

Deze pagina beschrijft de werking van de landbouwmodule in RSopen. De landbouw wijkt op drie punten af van de allocatie van de andere sectoren. Zij gebruikt discrete allocatie in plaats van stapsgewijze allocatie, zij heeft een eigen economisch model waarin de geschiktheid van een cel de gekapitaliseerde waarde van een saldo per hectare is, en zij kent een omschakeldrempel in de vorm van transitiekosten.

De economische kant is in september 2026 herbouwd (#780, #202, #262, #263, #552, #553). Wat er stond kwam voor een deel uit een modelversie uit 2011 met kentallen uit 2010 en 2014; wat er nu staat komt uit KWIN Veehouderij 2025-2026, KWIN-AGV 2026 en het GLB zoals het per zichtjaar wordt verondersteld. Waar deze pagina een bedrag noemt staat erbij welke status dat bedrag heeft: onderbouwd, afgeleid, keuze of aanname. Die status staat ook in de Descr van elke parameter in de configuratie, en dat is de plek die bij een verschil leidend is.


Inhoud


Landbouwklassen, gewassen en bodemtakken

Er worden vijftien landbouwklassen onderscheiden die individueel worden gealloceerd via discrete allocatie: Rietteelt, Aardappelen, Bieten, Granen, Cranberry, Boomgaard, Moerasbomen, Rijst, Yacon, grondgebonden vee (extensief), grondgebonden vee, grondgebonden vee (intensief), Akkerbouw, Bollen en Boomkwekerij. De lijst staat in Classifications/Actor/LandbouwKlasses.

De laatste drie zijn er later bij gekomen. Akkerbouw is sinds #751 de restklasse voor akker- en tuinbouw die het model niet apart noemt, met zaaiuien als vertegenwoordiger. Bollen en Boomkwekerij zijn daar sinds #780 weer uit gehaald, met tulp en laanbomen als vertegenwoordiger, omdat de Water Wijzer Landbouw voor die twee gewassen een eigen opbrengstdervingscurve heeft en de LGN-klassen 10 en 61 daar al naar verwezen. Hun economische kentallen zijn voorlopig overgenomen van de restklasse waar zij uit komen; de winst zit in de hydrologie en niet in de economie.

Grondgebonden vee (intensief) heeft in het basisjaar geen areaal. Die klasse berustte op melkkoeien per hectare uit de landbouwtelling 2014, en sinds #751 komt het landbouwgebruik uit de Basisregistratie Gewaspercelen, die geen veedichtheid kent. De klasse bestaat dus wel en is per referentie gelijk aan grondgebonden vee, maar zij wordt niet gevuld en niet gealloceerd.

De gewassen onder een klasse

Onderliggend zijn de klassen uitgesplitst in gewassen. Zo telt de klasse Rietteelt twee gewassen: Riet en Lisdodde. De meeste andere klassen bevatten een enkel gewas, maar de structuur (GewasSoortYR/perLandbouwK_domain) is zo dat elke klasse er meer kan bevatten. Elk gewas heeft een eigen opbrengstderving en kan wel of niet worden aangetast door verzilting.

Gewas LandbouwKlasse Opbrengstderving bron (YR_bron) Aantasting door verzilting
Riet Rietteelt Exotisch Ja
Lisdodde Rietteelt Exotisch Ja
Aardappelen Aardappelen WWL (dynamisch) Ja
Bieten Bieten WWL (dynamisch) Nee
Granen Granen WWL (dynamisch) Nee
Cranberry Cranberry Exotisch Nee
Boomgaard Boomgaard WWL (dynamisch) Ja
Moerasbomen Moerasbomen Exotisch Nee
Rijst Rijst Exotisch Nee
Yacon Yacon Exotisch Nee
Gras GG vee WWL (dynamisch) Nee
Mais GG vee WWL (dynamisch) Ja
Uien Akkerbouw WWL (dynamisch) Ja
Tulpen Bollen WWL (dynamisch) Ja
Laanbomen Boomkwekerij WWL (dynamisch) Ja

De grondgebonden vee-klasse kent op gewasniveau twee gewassen, Gras en Mais; het onderscheid tussen de drie intensiteitsklassen wordt niet op gewasniveau gemaakt maar via klasseparameters in ModelParameters/Landbouw/per_ModelType. De kolom YR_bron verwijst naar de classificatie GewasSoortYR in Classifications/Landbouw.dms, die per gewas bepaalt uit welke bron de opbrengstderving komt.

De klasse Aardappelen is een samengesteld gewas. Consumptie-, poot- en zetmeelaardappelen hebben elk hun eigen opbrengst, prijs en toegerekende kosten, en per bodemtak worden die met areaalaandelen gewogen tot een klassekental. Op klei weegt consumptie 0,561 en poot 0,428, op zand weegt zetmeel 0,605, en op de veentak (dalgrond) telt alleen zetmeel. Dat is de enige klasse waar die opzet nu is ingevuld; de structuur Teelten/<teelt> ligt voor de andere klassen klaar.

De geschiktheid loopt via twee sjablonen: Dairy_T voor de drie grondgebonden vee-klassen en Akkerbouw_T voor de overige twaalf. Welke klasse welk sjabloon krijgt staat in de kolom templatetype van LandbouwKlasses. Beide sjablonen leveren dezelfde interface: Suitability, NPV, NetRevenue en Economic_performance/Conversion_costs.

De bodemtak

Sinds #780 en #785 hangt elk bodemafhankelijk kental aan een classificatie met vier posities, Classifications/Landbouw/Bodemtak: Geen, Klei, Zand en Veen. De toewijzing per cel staat in SourceData/Landbouw/HELP/Bodemtak_rel en komt uit de HELP-bodemkaart.

Tak HELP-klassen Wat er onder valt
Klei K1 tot en met K5 de kleigebieden
Zand Z30 tot en met Grind30 ook loss en zand op tertiaire klei
Veen V_W het veenweidegebied plus de moerige en dalgronden
Geen de rest water, verhard en geen gegevens

Dat de veentak een eigen tak is, is nieuw. Tot #785 viel V_W onder Klei en rekende de landbouwgeschiktheid op veen stil met kleikentallen. Op de tak Geen zetten beide sjablonen de netto-opbrengst op nul; dat is 934 van de 2.061.638 hectare basisjaarlandbouw, 0,05 procent, gemeten op 7 september 2026 in de NL2120-toepassing. De arealen per tak in diezelfde meting: klei 966.593 ha, zand 933.229 ha en veen 160.882 ha. Die getallen horen bij de basisjaarkaart van die toepassing en zijn geen eigenschap van de methode.

De opbrengstderving hangt niet aan deze indeling maar aan de BOFEK-bodemcode, want dat is de as van de Water Wijzer Landbouw. Bodemtak en BOFEK zijn dus twee verschillende bodemkaarten in dezelfde berekening, en dat is een bekend verschil (#785).


Geschiktheid

De geschiktheid van een cel voor een landbouwklasse is het sturingssignaal voor de allocatie. Zij staat in euro per m2 en is opgebouwd uit twee delen:

Suitability = Net_revenues * Kapitalisatie/factor - Conversion_costs

Het eerste deel is het jaarlijkse saldo per hectare, gekapitaliseerd over de afschrijvingsperiode tegen de rentevoet van de boervariant. Het tweede deel zijn de transitiekosten van het huidige gebruik naar deze klasse. De uitkomst is wat een boer hoogstens voor die hectare zou willen betalen, dus een biedprijs.

Beide sjablonen leveren daarnaast een NPV met dezelfde formule maar een andere kapitalisatie: de standaard rentevoet in plaats van die van de boervariant, en de lengte van de zichtjaarperiode in plaats van de afschrijvingsperiode. Die tweede uitkomst stuurt de allocatie niet; zij is de indicator die wordt gerapporteerd.

Wat er wel en niet in het saldo zit

Dit is de belangrijkste aanname van de hele module, en zij staat als schakelaar in de configuratie: ModelParameters/Landbouw/Kostenvoet_InclusiefLoonwerk, die op FALSE staat.

Het saldo is bruto geldopbrengst min toegerekende kosten bij eigen mechanisatie. Dat is de kostenvoet die KWIN Veehouderij (saldo per koe, met loonwerk als aparte regel eronder), KWIN-AGV (toegerekende kosten per gewas, loonwerk in een eigen hoofdstuk) en het Bedrijveninformatienet (saldo voor werk door derden) alle drie delen. Er zit dus geen loonwerk in, geen arbeid, geen machines, geen gebouwen, geen grond en geen rente over levende have of omlopend kapitaal.

Daaruit volgt hoe de uitkomst gelezen moet worden. De gekapitaliseerde waarde is een bovengrens voor de betalingsbereidheid voor grond en geen winst. Voor melkvee liggen de niet-toegerekende kosten per hectare hoger dan voor akkerbouw, dus de vergelijking op saldo zet melkvee eerder te gunstig dan te ongunstig; voor bollen, boomkwekerij en fruit geldt dat nog sterker, want daar zit veel losse arbeid in.

De schakelaar op TRUE is een gevoeligheidsstand en nog geen tweede definitie. De akkerbouwkolom Loonwerk is namelijk half gevuld: riet, lisdodde, bieten, granen op klei en uien dragen een bedrag, en aardappelen, boomgaard, tulpen, laanbomen en de vier exotische gewassen staan op nul omdat de KWIN-regel daar niet is gelezen. TRUE zou melkvee circa 600 euro per hectare zwaarder zetten en de akkerbouwklassen ongelijk: bieten en uien wel, aardappelen en boomgaard niet. Dat is geen kostenvoet maar een mengsel van twee, en daarom staat de schakelaar uit tot elke regel gevuld is.

Wat wel buiten het saldo valt maar niet verdwijnt, zijn de eenmalige investeringen. Die staan in de transitiekostenmatrix, en dat is met opzet: gebouwen, werktuigen en meerjarige plantopstand horen niet in een jaarlijks saldo en zouden anders dubbel tellen.

Kapitalisatie

Het sjabloon Kapitalisatie_T zet een jaarlijkse stroom om in een contante waarde met continue discontering:

\[F = \sum_{y=1}^{n} e^{-d \cdot y} \qquad \text{met} \qquad d = \ln(1 + r)\]

Hier is $F$ de kapitalisatiefactor in jaren, $r$ de rentevoet en $n$ de periode. Bij 5,5 procent en twintig jaar komt $F$ uit op 11,95.

Het sjabloon staat bewust los in Templates en niet onder Landbouw, want het wordt ook door de veenemissie-indicator aangeroepen.

Melkvee

De drie grondgebonden vee-klassen gebruiken Dairy_T. Sinds #780 rekent dat sjabloon niet meer met voederconversie maar met het KWIN-saldo per melkkoe, en dat is de grootste enkele wijziging in deze module.

Wat er tot 7 september 2026 stond was een voedermodel uit een studieversie van 2011: een feed conversion efficiency zette voeder om in melk, en de klasseparameters (maximale grasproductie, ruwvoeraandeel, melkprijspremie) bleken bij navraag een bedrijfstypologie van het laagveengebied uit 2014 op prijspeil 2010 te zijn. Die keten is vervangen.

Het saldo per hectare is nu een optelling van vijf posten:

Saldo_ha = Saldo_dier + Voerbalans - Grondkosten - Mestafzetkosten + Subsidie

Post 1, het dier. Per hectare staan Koedichtheid melkkoeien, en elke koe draagt het KWIN-saldo zonder de grondposten en zonder loonwerk: melk maal melkprijs maal de prijsmultiplier, plus omzet en aanwas, min dierkosten, min afrastering. Met de kentallen van KWIN Veehouderij 2025-2026 (9,0 ton melk per koe, 490 euro per ton, omzet en aanwas 465, dierkosten 1.656, afrastering 70) is dat 3.149 euro per koe. De koedichtheid is een referentiedichtheid per bodemtak, nu 1,48 koe per hectare op alle drie de takken, maal een klassefactor: nul op natuurlijk beheerd grasland en een op productiegrasland. De aansluiting voor een koedichtheid per gemeente uit de CBS-landbouwtelling ligt op die ene regel klaar.

Post 2, het ruwvoer. Per cel wordt het eigen ruwvoeraanbod berekend als gras plus mais, elk na opbrengstderving. Het maisaandeel volgt uit de bodemtak (0,117 op klei, 0,269 op zand en 0,091 op veen) en de rest is gras; de bruto grasopbrengst per tak wordt gecorrigeerd voor veld-, inkuil- en beweidingsverlies, en waar deep drainage kan komt daar 0,25 ton droge stof per hectare bij. De behoefte is de koedichtheid maal het ruwvoer per koe, 6,5 ton. Het verschil wordt verrekend: een overschot gaat weg als gras op stam (101 euro per ton droge stof, natuurgras 75), een tekort komt binnen als ingekuilde snijmais (160 euro per ton).

Die verrekening is een keuze met gevolgen, en zij staat in het sjabloon toegelicht. Het is het perspectief van de boer: bij opbrengstderving blijft de veestapel staan en koopt hij voer bij. Een ton droge stof derving kost dan 160 euro aankoop, terwijl diezelfde ton circa 485 euro saldo zou kosten als er een koe voor zou verdwijnen. Gevolg is dat melkvee in de allocatie veel minder gevoelig is voor de hydrologie dan akkerbouw: dertig procent derving kost grondgebonden vee op klei circa 450 euro per hectare en aardappelen circa 2.400. Wie de geschiktheid op koeienafbouw wil laten rekenen vervangt de koedichtheid door het minimum van de dichtheid en het aanbod gedeeld door de behoefte per koe; dat is de enige regel die dan verandert.

Post 3, de grond. Graslandkosten maal het grasaandeel plus maiskosten maal het maisaandeel, beide per bodemtak en op de kostenvoet eigen mechanisatie, plus de jaarkosten van deep drainage waar dat kan.

Post 4, de mest. De stikstofproductie per hectare is de koedichtheid maal de excretie per koe inclusief het bijbehorende jongvee, 154,2 kg N. Wat daarvan boven de gebruiksnorm uitkomt moet worden afgevoerd, omgerekend naar kubieke meters tegen 4,0 kg N per m3 en afgezet tegen de mestprijs van deze variant en dit zichtjaar. De gebruiksnorm is een variantkolom en staat vanaf 2026 op 170 kg N per hectare, zonder derogatie.

Post 5, de subsidie. Zie Landbouwbeleid en subsidies.

Natuurlijk beheerd grasland loopt door dezelfde formule met de schakelaar IsNatuurlijkGrasland aan: geen koeien, geen mais, geen deep drainage, een netto grasopbrengst uit de zoogkoeientabel, verkoop tegen de natuurgrasprijs, en de GLB maal het gemeten subsidiabele aandeel.

Ter illustratie, gemeten in de NL2120-toepassing op 7 september 2026 bij opbrengstderving nul in zichtjaar 2040 van BAU: het saldo is 3.939 euro per hectare op klei, 3.990 op zand en 4.002 op veen, en op natuurlijk grasland 528 en op veen 558. Die getallen horen bij die casus en dat zichtjaar en zijn geen eigenschap van de methode.

Op een cel zonder bodemcode staat het saldo op nul. De parameters staan in ModelParameters/Landbouw/Melkvee_parameters.dms.

Akkerbouw

De twaalf overige klassen gebruiken Akkerbouw_T, met per gewas een instantie van PerGewas_T:

BrutoGeldopbrengst = Geldopbrengst_max[bodemtak] * (1 - YieldReduction) * PriceMultiplier
NetRevenue_ha      = BrutoGeldopbrengst - Toegerekend[bodemtak] + GLB

Geldopbrengst_max is de bruto geldopbrengst per hectare bij derving nul, dus opbrengst maal prijs plus bijproduct, per bodemtak. De derving werkt op de hele geldopbrengst inclusief bijproduct, dus ook op het stro van tarwe. De prijsmultiplier werkt alleen op de bruto opbrengst en niet op de kosten of de GLB.

De klasse krijgt per cel het beste van haar gewassen via max_elem, en DominantGewas legt vast welk gewas dat was. Alleen Rietteelt heeft nu meer dan een gewas; bij derving nul wint daar lisdodde.

Twee dingen zijn in september 2026 uit deze keten verdwenen of eraan toegevoegd.

De rotatie is weg. Er stond een kolom Rotation per gewas, bijvoorbeeld 0,27 voor aardappelen en 0,17 voor uien, die het saldo met het bouwplanaandeel vermenigvuldigde. Het klasseareaal in dit model is echter al het jaarlijkse gewasareaal uit BRP en LGN, dus dat telde het bouwplanaandeel twee keer en zette de akkerbouw met een factor twee tot zeven onder de melkvee voordat er een kental was vergeleken. Het bouwplanaandeel leeft nu in de claim en niet in het saldo.

Akkerbouw op veen is begrensd. De schakelaar AkkerbouwOpVeenAlleenBestaand staat aan: op de bodemtak Veen krijgt een akkerbouwklasse alleen een netto-opbrengst waar de basisjaarkaart daar al een akkerbouwklasse draagt; elders is de netto-opbrengst nul, net als op de tak Geen. De reden is een samenloop van twee dingen die allebei nog niet kloppen. De akkerbouwkolom Veen staat op de zandwaarden omdat KWIN-AGV voor de dalgrond nog niet is gelezen, en de opbrengstderving uit de Water Wijzer Landbouw is op de veentak de laagste van alle takken: gemiddelde grasderving 0,16 tegen 0,32 op klei en 0,38 op zand. Zonder de schakelaar was het veenweidegebied daardoor het beste akkerbouwland van het model, met uien op veen die van grondgebonden vee winnen met ruim het drievoudige van de omschakeldrempel. De praktijk wijst met deze regel zelf de moerige en dalgronden aan waar akkerbouw kan; een gewaswissel binnen de akkerbouw blijft daar mogelijk, groei van akkerbouw op veenweide niet. Waarom de WWL-derving op de veentak zo laag is, ligt als vraag bij Deltares.

De gewasparameters staan in ModelParameters/Landbouw/Gewas_parameters.dms, per klasse een container met een of meer gewassen. Opbrengsten en prijzen komen uit de BIJ12-actualisatie van juni 2024 volgens de KWIN-AGV-methodiek (vijfjaarsgemiddelden 2019 tot 2023), de toegerekende kosten uit KWIN-AGV 2026.

Opbrengstderving

Opbrengstderving is de afname van de haalbare opbrengst door bodemfysische, hydrologische of klimatologische omstandigheden, als fractie tussen nul en een. Welke bron per gewas geldt staat in GewasSoortYR, kolom YR_bron. Er zijn twee actieve bronnen.

WWL dynamisch, WWL_dyn, voor de gangbare gewassen. Dit is de Water Wijzer Landbouw van WUR, geleverd als responssurface waarin per bodem, gewas, beregeningsoptie en klimaatband de schade staat bij elke combinatie van GHG en GLG. De derving wordt per hydrologische levering, zichtjaar en gewas landsdekkend uitgerekend. De volledige uitwerking staat op Opbrengstenderving; wat droogteschade en natschade zijn en welke beperkingen daarbij gelden op Droogteschade en natschade.

Exotisch, Exotisch, voor riet, lisdodde, cranberry, moerasbomen, rijst en yacon. Hier komt de derving uit de WUR-kansenkaarten, als 1 - kansenkaartscore.

Bij die tweede bron horen twee waarschuwingen. De kansenkaarten dekken maar een klein deel van het land: voor cranberry gemeten 2,7 procent van de cellen, met waarden tussen 0,53 en 0,87. Waar zij ontbreken wordt de derving 1, dus opbrengst nul, en kan het gewas daar niet landen. Tot #552 stond daar een terugval op min 99.999, wat verderop een opbrengstfactor van honderdduizend werd; die gewassen hadden daardoor overal de hoogste geschiktheid en werden alleen door hun maximumclaim tegengehouden.

En het blijft een categoriefout die is begrensd en niet opgelost. Een kansenkaart zegt of een gewas ergens kan staan, niet welke fractie van de maximale opbrengst het haalt. Zolang 1 min kans als opbrengstderving wordt gelezen staat er een geschiktheidsindex op de plaats van een opbrengstfractie. De nette oplossing is de kaart als beschikbaarheidsmasker gebruiken en de opbrengst apart schatten, en daarvoor is een uitspraak van WUR nodig. Dit is een van de redenen dat de exotische gewassen uit de allocatie kunnen worden gezet; zie Regionale vraag.

Hoe zwaar dat weegt is te zien op de cellen waar een veenlevering zelf natte teelt oplegt. Gemeten op 8 september 2026 in zichtjaar 2040 van de NL2120-variant NbSGenuanceerd geeft het model riet 0,888 en lisdodde 0,890 opbrengstderving, tegen gras 0,615 en mais 0,651 op diezelfde cellen. Het gewas dat daar wordt opgelegd heeft dus vrijwel geen opbrengst, en dat getal komt niet uit de vernatting maar uit een min de kansenkaart.

De twee bronnen komen samen in Templates/Landbouw.dms, container YieldReduction/Result: de derving uit de bron plus de verziltingsopslag, afgekapt op een, met een IntegrityCheck die eist dat elke waarde tussen nul en een ligt. Die afkapping is de werkzame route waar een kansenkaart ontbreekt, want het minimum van een ontbrekende waarde en een is een, en niet opnieuw een ontbrekende waarde.

Wat de derving per variant en per zichtjaar laat verschillen

Drie dingen sturen welke kaart een cel krijgt, en zij komen uit drie verschillende hoeken.

De grondwaterstand komt uit de hydrologische levering die de variant leest, kolom Hydrologie_Levering in VariantK. Er zijn drie leveringen: BAU, BAU2 en, sinds 8 september 2026, NbSGenuanceerd. Die derde is geen aparte som maar de BAU-stand met daaroverheen de grondwaterstand van de veenbouwsteen die op de cel is gealloceerd. Dat is een reparatie uit #263 en #782: tot dan las de genuanceerde NbS-variant de standen van BAU, zodat de vernatting die het punt van die variant is, natte teelt en vernat grasland op ruim 165.000 hectare, niet terugkwam in de opbrengstderving van precies die cellen.

Het beregeningsregime komt uit ModelParameters/Landbouw/BeregeningScenario_name. A geeft nergens beregening, B1 overal, en B2 volgt de beregeningskaart Basisprognoses 2018, dus alleen de percelen die toen een installatie hadden. De default is B2, en dat is de afspraak uit #542. Tot #780 was die parameter dode configuratie: de actieve route las onvoorwaardelijk de kaart van 2018, dus het model rekende B2 terwijl de parameter B1 zei. Van B2 naar B1 gaan verlaagt de derving op landbouwgrond met 0,6 tot 5,5 procentpunt, gemeten op zichtjaar 2040 van BAU. Wat er nog niet in zit is dat bij natte teelten geen beregening hoort.

De klimaatband van de schaderelatie is sinds #782 geen variantkenmerk meer maar een scenariokenmerk, en staat in ModelParameters/Landbouw/Scenario. Het klimaat staat daar op Warm en de groei volgt het scenario dat de casus draait; samen wijzen die twee de band WarmHoog aan. Het basisjaar houdt de referentieband, want daar staan waargenomen grondwaterstanden tegenover. Deltares heeft in #782 bevestigd dat de studie in alle varianten naar Warm kijkt; dat betekent wel dat een variant die referentiestanden leest, zoals BAU2, een warme schaderelatie op referentiestanden krijgt, en of die variant daarmee nog de bedoelde gevoeligheidsvariant is staat als vraag open.

De derving is daarmee ook tijdsafhankelijk. De WWL-kaarten bestaan voor drie jaren, 2017, 2050 en 2085, en een zichtjaar leest die van het dichtstbijzijnde jaar. Zichtjaar 2030 leest dus de kaarten van 2017 en zichtjaar 2040 die van 2050; het omslagpunt ligt bij 2033,5 en er wordt niet geinterpoleerd, dus de derving springt daar. In een configuratie waarvan de reeks pas in 2040 begint, zoals de NL2120-toepassing, komen daardoor maar twee niveaus voor: de kaarten van 2050 voor de zichtjaren tot en met 2060 en die van 2085 daarna. De kaarten van 2017 worden er nooit gelezen.

Verzilting

De aanpak hieronder is wat op dit moment in het model draait. Voor zoutschade is inmiddels een andere bron gekozen, de tabel van de Waterwijzer Landbouw versie 1.0.0, waarvan de dataset nog gemaakt wordt. Zie Verzilting en zoutschade en issue #616.

Verzilting is een aparte vorm van opbrengstderving die ruimtelijk en in de tijd anders verloopt dan de hydrologische derving. De bron is het Deltaprogramma Zoetwater, dat per deltascenario kaarten heeft gemaakt met de verandering van het verziltingsrisico tussen het huidige klimaat en 2050, en voor twee scenario’s ook 2100. Daarin zijn twee processen verwerkt: brakke kwel die in de wortelzone komt, en verzilting van beregeningswater.

De kaart onderscheidt vijf klassen, van kleiner risico tot aanzienlijk groter risico. Omdat niet exact te duiden is welke klasse zoutschade oplevert (een kleine toename op al licht verzilte grond kan ernstig zijn, terwijl dezelfde toename elders onbeduidend is), zijn de drie hoogste klassen samengevoegd tot een klasse die verziltingsgevoelig heet.

Binnen dat gebied wordt een instelbaar deel van de cellen als aangetast aangemerkt, parameter Verzilt_Areaal_Fractie, die op 0,40 staat. De selectie gebeurt door per cel een random getal te trekken, dat met de gevoeligheidskaart te vermenigvuldigen, ruimtelijk te clusteren met een kernel van 1000 meter en dan een zaaglijn te leggen bij het gewenste aandeel.

De mate van aantasting groeit met het zichtjaar. In 2030 staat zij op Verzilt_OpbrengstDerving_Y2030 en daarna loopt zij lineair op naar Verzilt_OpbrengstDerving in het laatste zichtjaar van de configuratie. Op een aangetaste cel met een gevoelig gewas wordt die opslag bij de derving uit de bron opgeteld, waarna het totaal op een wordt afgekapt. Begint de reeks na 2030, dan vuurt de tak voor 2030 nooit; in de NL2120-toepassing loopt de opslag van 0,111 in 2040 naar 1 in 2120.

Wat dat doet, gemeten op 8 september 2026 in die toepassing, scenario Stoom2050: de gevoelige klassen beslaan 174.600 hectare, waarvan 40 procent wordt getrokken en 61.262 hectare in het basisjaar landbouw draagt. Op de aangetaste landbouwcellen gaat de derving van aardappelen in 2040 van 0,277 naar 0,389, en in 2120 van 0,289 naar 1, want daar loopt de opslag op tot een en kapt de afkapping het totaal af. Granen, dat niet gevoelig is, blijft in beide kolommen gelijk.

Welke gewassen gevoelig zijn is bepaald met de Maas-Hoffman-relaties, in twee clusters: beperkt gevoelig (in het model op niet gevoelig gezet) en sterker gevoelig (op gevoelig gezet). De parameters komen uit Mulder et al. (2018).

Variant-afhankelijke prijzen

De marktprijzen kunnen per variant verschillen. Per klasse staat in VariantK een prijsmultiplier PriceMult_<klasse> waarmee de bruto geldopbrengst wordt vermenigvuldigd; voor melkvee is dat PriceMult_Melk op de melkprijs. De multipliers voor Cranberry, Moerasbomen, Rijst en Yacon zijn per referentie gelijk aan PriceMult_Exoten. De multiplier werkt niet op de kosten en niet op de GLB.

Welke waarden een variant krijgt hoort bij de toepassing. In Toepassing NL2120 staan alle multipliers op 1,00 voor alle varianten: er is daar geen prijsdifferentiatie, het mechanisme ligt klaar maar de invulling niet. In de Ruimtelijke Verkenningen 2023 verschilden ze wel, tussen de scenario’s die daar WBS en Transformeren heetten.

Er is geen kostenindex per variant en geen prijsindex over de zichtjaren: alle kentallen zijn reeel constant, op prijspeil 2025.

Landbouwbeleid en subsidies (GLB)

Deze sectie is met #780 volledig herbouwd. Wat er stond was een vaste optelling van basispremie, eco-regeling en ANLb-veen uit negen kolommen van VariantK die in alle varianten dezelfde waarde hadden, en die optelling kwam ook bij de akkerbouw terecht. Wat er nu staat is een pad in de tijd, per variant.

Suitability_T trekt een stuksgewijs lineair pad door vier ankers: het basisjaar, 2028, 2040 en 2050, en daarna blijft de waarde constant. De eerste twee ankers staan in ModelParameters/Landbouw/Beleid en zijn variant-onafhankelijk; 2040 en 2050 staan per variant in VariantK. Het anker 2028 is de knik van het nieuwe meerjarig financieel kader van de EU.

Vijf grootheden lopen langs dat pad:

Grootheid Wat het is Wie het leest
GLB_Hectaresteun basisinkomenssteun plus de extra betaling voor de eerste hectares, per ha subsidiabel areaal beide sjablonen
GLB_Eco verwachte ontvangst uit de eco-regeling, gewogen over de deelnameniveaus beide sjablonen
GLB_Diensten_extensief vergoeding voor diensten op natuurlijk beheerd grasland alleen Dairy_T, op de extensieve klasse
Veen_vergoeding veenweidevergoeding per ha grasland op veengrond alleen Dairy_T
Mestprijs afzetprijs van rundveedrijfmest per m3 alleen Dairy_T

De eerste twee samen vormen TotaalSubsidie, en die is per definitie gewasneutraal: elke gewasgebonden vergoeding staat in het sjabloon dat haar ontvangt. Akkerbouw krijgt haar op elk gewas met de vlag GLB_subsidiabel, melkvee op de hele hectare, en natuurlijk grasland maal GLB_factor_extensief. Die factor is een meting en geen aanname: van het areaal natuurlijk grasland draagt 80,6 procent een BRP-code die volgens de RVO-gewascodelijst wel voor basispremie en eco-regeling in aanmerking komt, gemeten op de eigen basisjaarkaart op 7 september 2026.

De veenweidevergoeding hangt sinds #785 aan de bodemtak Veen en niet meer aan de veendikte uit GeoTOP, en zij geldt alleen voor de twee graslandklassen, want ANLb-veen en de RVO-veenweideregeling zijn graslandpakketten. Zij is beleidsmatig het instrument waarmee compensatie voor peilopzet kan worden gemodelleerd: peilopzet verlaagt de veenemissie maar verhoogt de opbrengstderving, en het samenspel van vergoeding en derving bepaalt of een boer overschakelt.

De eco-regeling is bruto: de kosten van de eco-activiteiten zijn er niet vanaf getrokken, dus dit is een bovengrens. Dat geldt voor beide sectoren gelijk.

Welke bedragen een variant krijgt hoort bij de toepassing; de NL2120-waarden staan op Toepassing NL2120. Wel hoort hier de status van de ankers. Het basisjaar is onderbouwd uit de RVO-tarieven en het Bedrijveninformatienet. Het anker 2028 is voorlopig, want het besluit over het meerjarig financieel kader valt op zijn vroegst eind 2026. De ankers 2040 en 2050 zijn een keuze die de reele erosie doortrekt die WUR en PBL beschrijven; er is geen bron na 2034.

Een valkuil bij het lezen van de uitvoer: de basisjaarindicator voor netto-opbrengsten wordt gevuld met de geschiktheid van het exportzichtjaar, en draagt daarmee de GLB en de mestprijs van dat zichtjaar en niet die van het basisjaar.

Transitiekosten

Bij omschakeling van het ene productiesysteem naar het andere maakt een boer eenmalige kosten. Die matrix is met #202 herbouwd. Wat er stond waren tweehonderdveertig met de hand geschreven bedragen die alle uit vijf getallen van Diogo (2015) kwamen, maal een index, met een handvol halveringen zonder bron; en die volledige inrichting werd voor elke overgang in rekening gebracht, ook voor een gewaswissel binnen hetzelfde bouwplan.

Het principe is nu: de transitiekosten van herkomst naar bestemming zijn de investering in het bestemmingssysteem die de herkomst nog niet heeft, plus de beeindigingskosten van de herkomst die niet worden terugverdiend. Elke klasse draagt daarvoor drie labels en zes bedragen, en per component geldt dezelfde regel. Draagt de herkomst hetzelfde label als de bestemming, dan kost die component niets; verschillen ze, dan betaalt de omschakeling de investering van de bestemming plus het opruimen van de herkomst.

Component Labels Wat het is Opruimen
Veldtype Bouwland, Grasland, Nat, Onbekend de inrichting van het perceel: drainage, inzaai, of kaden en stuw ja
Machinepark Akkerbouw, Grasland, Fruit, Nat, Geen het werktuigenpark nee, werktuigen hebben een tweedehandsmarkt
Systeem per klasse gebouwen, installaties en meerjarige plantopstand ja, plus het restwaardeverlies van de herkomst

Bij het derde component komt dus een post bij die er eerder helemaal niet was: het verlies van het niet terug te verdienen deel van de investering van de herkomst, Restwaardeverlies maal het niet-verhandelbare deel. Dat is de kant vanaf een systeem, dus rooien, sloop en leegstand. Het restwaardeverlies staat op 0,5, en dat is een verwachtingswaarde en geen meting: bij lineaire afschrijving over twintig jaar en een gelijkmatige leeftijdsopbouw is gemiddeld de helft nog niet afgeschreven. De knop is bewust zichtbaar gemaakt, want op nul kost het verlaten van een systeem alleen nog het opruimen, en op een loopt de allocatie vast op het basisjaar.

De diagonaal is per constructie nul: een klasse deelt haar drie labels met zichzelf.

Twee gevolgen van deze opzet zijn de moeite waard.

Aardappelen, Bieten, Granen en de restklasse Akkerbouw dragen alle drie de labels gemeenschappelijk, dus hun onderlinge overgangen kosten nul. Dat is een besluit van 8 september 2026: een gewaswissel binnen het bouwplan is geen bedrijfsomschakeling, en het klasseareaal in dit model is al het jaarlijkse gewasareaal. Tot die datum betaalde elke wissel tussen die vier de volledige inrichting van een akkerbouwbedrijf, 10.160 euro per hectare, ofwel circa 850 euro saldoverschil per hectare per jaar; daardoor stonden de akkerbouwklassen praktisch vast op het gewas van het basisjaar. Bollen en Boomkwekerij horen niet bij die groep: zij delen het basiswerktuigenpark maar hebben met de bollenschuur en het containerveld een eigen bovenbouw.

Er is een aparte herkomstrij Overigen voor cellen die helemaal geen landbouwklasse dragen. Die heeft alle bedragen op nul en alle labels eigen, zodat de omschakeling de volledige inrichting van de bestemming betaalt. Dat is bewust conservatief: een cel zonder bekende herkomst is de duurste om in gebruik te nemen.

De bedragen komen uit KWIN-AGV 2026 en KWIN Veehouderij 2025-2026, op prijspeil 2025 en 2026, dus dezelfde voet als de opbrengstenkant. Twee posten dragen hun eigen prijspeil met een expliciete indexatie, het rooien van een boomgaard en de natte inrichting. Drie klassen rusten voor hun totaal nog op Diogo (2015) maal een index van 1,40, namelijk Boomgaard, Bollen en Boomkwekerij, omdat KWIN Fruitteelt, KWIN Bloembollen en KWIN Boomkwekerij aparte uitgaven zijn die niet zijn gelezen; alleen de verdeling van hun totaal over veld, werktuigen en systeem is nieuw. Cranberry leunt op datzelfde fruitbedrag, met de natte inrichting van de rietteelt eronder.

Als ijking van het niveau: de optelling komt uit op 10.650 euro per hectare om een bouwlandhectare in te richten en 15.816 om een melkveehectare in te richten, tegen 10.160 en 19.977 in de oude matrix. Het niveau van de oude bedragen was dus ongeveer goed; wat niet klopte was dat dat volledige niveau voor elke overgang gold en dat de kant vanaf een systeem ontbrak.

Wat er niet in zit is grondaankoop. De oorspronkelijke bron rekende die er wel bij, als proxy voor het feit dat een ander landgebruik een andere boer betekent. RSopen heeft die post nooit gehad en krijgt hem hier ook niet, want de allocatie verplaatst grondgebruik en geen bedrijven. Verder ontbreken vergunningen, advies- en overdrachtskosten, en het inkomensgat tijdens de omschakeljaren.

Vanaf welke klasse wordt gerekend

De matrix wordt op twee plekken gelezen, met een verschillende herkomst, en dat verschil is bedoeld.

De geschiktheidssjablonen gebruiken de klasse van het basisjaar. Die uitkomst voedt de indicatoren.

De allocator gebruikt sinds #262 de klasse die de cel aan het begin van het lopende zichtjaar draagt: in het eerste zichtjaar de basisjaarkaart, daarna de uitkomst van het vorige zichtjaar inclusief wat daar exogeen is opgelegd. Daarvoor las de allocator de geschiktheid uit VariantData, en die trekt in elk zichtjaar opnieuw de kosten af ten opzichte van het basisjaargebruik. Een boer die in 2040 van gras naar aardappelen ging, betaalde in 2050 dus nog eens de omschakeling vanaf gras, en een cel die in 2040 aardappelen was geworden kende in 2050 geen drempel om terug te gaan. VariantData kent de stand van het vorige zichtjaar niet, dus de reparatie zit in de allocatie: daar wordt de geschiktheid opnieuw opgebouwd uit de netto-opbrengst, de kapitalisatiefactor en deze herkomst.

Boervarianten

Er worden drie typen boergedrag onderscheiden, elk met een eigen disconteringsvoet en een eigen opslag op de transitiekosten:

Boervariant Disconteringsvoet Transitiepremie Kapitalisatiefactor bij 20 jaar
RationeleBoer 5,5 procent 0 procent 11,95
IntermediateBoer 8,0 procent 20 procent 9,82
ConservatieveBoer 16 procent 100 procent 5,87

De conservatieve boer waardeert dezelfde stroom toekomstige opbrengsten dus ongeveer half zo hoog als de rationele boer, en betaalt tegelijk het dubbele aan omschakelkosten. Samen maakt dat zijn drempel ongeveer vier keer zo hoog.

De boervariant is een instelling voor de hele run, Boervariant_name in ModelParameters/Landbouw, met RationeleBoer als default en instelbaar via een omgevingsvariabele. Er wordt niet over de drie typen geitereerd; de landbouwallocatie kent maar een iteratie.

De traagheid van het systeem zit niet in zo’n iteratie maar in de vergelijking zelf. Het huidige gewas draagt op de diagonaal van de matrix nul omschakelkosten, dus een alternatief moet eerst zijn eigen omschakelkosten goedmaken voordat het wint. Die kosten zijn de drempel, en de boervariant schaalt hem langs de twee wegen hierboven.

Tot #780 was dat voor de conservatieve boer niet zo. Het allocatieresultaat werd voor die variant in zijn geheel op null gezet, zodat er niets werd gealloceerd en alle grond zijn gewas hield. Dat maakte van een drempel een uitschakelaar, en het maakte de twee parameters die juist voor die variant bedoeld zijn dode configuratie. Alle drie de varianten lopen nu door dezelfde mechaniek. Wie een variant wil waarin het landgebruik helemaal vastligt gebruikt de kolom RolNaXZichtjaar in ModelParameters/SectorAllocRegio.

De vijf getallen in de tabel hierboven zijn niet onderbouwd. Zij stonden in de configuratie met een aantekening dat zij nagelopen moesten worden, en dat is niet gebeurd. De onderbouwing van de matrix zelf staat sinds #202 bij de bouwstenen, maar de opslag en de rentevoet per boervariant staan daar los van en horen bij de gedragsaanname over de boer.


Beschikbaarheid

De landbouw loopt door dezelfde zeef als de andere sectoren, maar de meeste toetsen daarin zijn aan wonen en werken gekoppeld en doen voor deze sector niets. Wat er overblijft is deze lijst. De eerste vier komen uit de zeef, de laatste drie staan in de landbouwallocatie zelf.

  1. De cel is niet evident benut. Dat is een lijst bodemgebruiksklassen uit het Bestand Bodemgebruik die als al gebruikt gelden, in VariantParameters/EvidentBenut/Landbouw: bebouwing, infrastructuur, winning en opslag, glastuinbouw en zonneparken. De lijst is met #605 versmald tot de klassen die een onomkeerbare verandering aanwijzen die de gewaskaart nog niet kent; zie Waarom die lijst zo kort is.
  2. De cel is geen autoweg inclusief klaverblad, geen zeehaven, geen dierentuin of openluchtmuseum. Dat zijn de enige overige zeeftoetsen die niet aan een andere sector zijn gekoppeld.
  3. Er ligt geen exogene oplegging op de cel. Waar het model nieuwe natuur, water of natte teelt oplegt gaat de cel op slot voor de allocatie; wat daarvan landbouw is komt via een eigen route terug in de stand en de claim, zie Exogeen opleggen.
  4. Er is genoeg onbenut land in de omgeving van de cel. De drempel is MinimalLandAvailability_Landbouw in VariantK en is gedefinieerd als hectare per cel van 100 meter, dus als aandeel van een hectare. Sinds #770 werkt de zeef op 25 meter en wordt die drempel toegepast als aandeel van een schijf met een straal van 50 meter rond de cel.
  5. De cel is niet al toegewezen aan een eerder gealloceerde sector in dit zichtjaar.
  6. Er ligt geen bestaand zonnepark.
  7. De cel droeg in het basisjaar al een landbouwklasse. Dit is de belangrijkste toets van de zeven, want zij bepaalt de zoekruimte: er komt geen nieuw landbouwareaal bij, stedelijke functies en natuur komen juist in plaats van landbouw. De basisjaargewaskaart is daarmee de afbakening, en die komt uit de Basisregistratie Gewaspercelen met LGN als achtervang. Zonder deze toets zou het totaal alleen begrensd zijn door de som van de bovengrenzen per klasse en zou landbouw kunnen uitbreiden op elke cel die geen andere sector opeist. De toets begrenst het totaal; de bandbreedte hieronder begrenst de verschuiving tussen gewassen, want binnen het bestaande areaal kan een gewas wel degelijk groeien ten koste van een ander.

De toets uit punt 7 geldt ook voor de restcategorie NonLandbouw, en dat is de bedoeling: buiten het landbouwareaal hoort deze allocatie niets aan te raken. Zij stond tot #605 achter een schakelaar; die is vervallen, want het is een besluit en geen open vraag, en de lijst uit punt 1 leunt erop.

Waarom die lijst zo kort is

De evident-benut-lijst was tot #605 veel langer en bevatte ook bos, natuurterrein, alle waterklassen en de groene recreatieklassen. Dat gaf een probleem dat pas zichtbaar werd toen de zoekruimte al door de basisjaargewaskaart werd bepaald: twee bronnen die hetzelfde gebied afbakenen en het oneens zijn. Het Bestand Bodemgebruik is functie en van 2022, de gewaskaart is bedekking en opgave en van 2025. Waar het CBS een perceel binnen een natuurgebied als natuurterrein afbakent en de teler het als grasland opgeeft, zeefde de lijst dus grond weg die de gewaskaart wel als landbouw kent.

Gemeten op 8 september 2026 sloot de oude lijst 114.431 hectare basisjaarlandbouw uit, waarvan 61 procent open droog en open nat natuurlijk terrein. Per klasse verloor grondgebonden vee extensief daarmee 32,7 procent van zijn basisjaarareaal, rietteelt 89,1 en moerasbomen 96,4, terwijl de ondergrens van diezelfde klassen op het ongezeefde basisjaarareaal staat. De zeef maakte de claim dus onhaalbaar voor precies de klassen die van agrarisch natuurbeheer en natte teelt leven.

Na de versmalling raakt de lijst nog 25.196 hectare en verliest geen enkele klasse meer dan 2,01 procent. Wat overblijft is hoofdweg met 14.054 hectare als grootste post, gevolgd door woonterrein en bouwterrein met elk ruim 3.200. Dat is werk dat de gewaskaart zelf niet doet, en dat is precies de rol die deze lijst nog heeft.

Wat voor de landbouw juist niet geldt

Vier dingen die de zeef voor wonen en werken wel doet en voor de landbouw niet. Wie een landbouwuitkomst leest moet ze kennen, want ze verklaren waarom de landbouwzeef zoveel ruimer is.

Restrictiekaarten. De sector heeft ze niet: er is geen restrictielevering voor landbouw, dus IsRestrictiefBuitenHardePlancapaciteit staat er op onwaar en de zeerharde laag van #686 wordt voor deze sector niet apart behandeld. Een Natura 2000-gebied houdt de landbouw dus niet tegen langs de restrictieroute; bestaande natuur valt af omdat zij in de evident-benut-lijst staat, en nieuwe natuur omdat zij exogeen wordt opgelegd.

Plancapaciteit. Harde en zachte plannen staan voor landbouw op onwaar. Er is dus ook geen planvrijstelling, en de vervaldatum van de plancapaciteit doet hier niets.

Het landschapsregime. OpSlotDoorLandschap sluit alleen wonen en werken. Landbouw mag in een landschapsgebied gealloceerd worden, behalve waar de exogene oplegging haar alsnog tegenhoudt.

De bodem- en gevaartoetsen. Te slap, te nat, te gevaarlijk, reserveren voor rivierafvoer, eigendom van een natuurorganisatie of waterschap, nabijheid van openbaar vervoer, milieuzonering en de bouwwijzetoets zijn allemaal aan wonen of werken gekoppeld. De hydrologie werkt bij de landbouw niet via de zeef maar via de opbrengstderving in de geschiktheid.

Er is ook geen pandentoets. Die geldt alleen voor zon en wind; bij de landbouw hoort het erf bij het agrarisch bedrijf, en de drempel uit punt 4 beantwoordt dezelfde vraag beter.

Een meer gedetailleerde beschrijving van het restrictiesysteem staat op Beschikbaarheid.


Regionale vraag (claims)

De allocatiemodule vereist per landbouwklasse een minimale en een maximale claim per allocatieregio. Welke claimvariant geldt staat per variant in Claim_agrarisch_Variant in VariantK. Sinds 7 september 2026 is er nog maar een claimvariant, claims_conservatief; claims_ggvee_minfractie is verwijderd omdat geen enkele variant haar las.

De band rond het basisjaar

In claims_conservatief zijn onder- en bovengrens een bandbreedte rond het basisjaarareaal per klasse per regio, gestuurd door een enkele parameter Claimbandbreedte. Daarvoor stonden er zesentwintig regels met de hand geschreven, met drie stille uitzonderingen: cranberry, yacon en rijst leenden hun bovengrens van rietteelt, rietteelt had een eigen factor twee, en de drie grondgebonden vee-typen hadden een onbegrensde bovengrens.

Een klasse zonder basisjaarareaal zou met een band per definitie op nul blijven staan. Daarvoor is er Introductieruimte, een expliciete bovengrens per allocatieregio, en die geldt alleen voor de klassen met de vlag IsExotisch. Dat onderscheid is bewust: een klasse die leeg is omdat zij nieuw is hoort ruimte te krijgen, een klasse die leeg is omdat haar invoer is weggevallen niet. Dat tweede geldt voor grondgebonden vee intensief.

De bandbreedte is een plaatshouder tot de regionale arealen per gebied zijn geleverd; de bedoelde opzet staat in #780. Hoeveel zij stuurt is twee keer gemeten, door haar op 0,05 en op 0,25 te zetten in zichtjaar 2040 van de NL2120-casus WLO_hoog_BAU. Die meting zegt iets over de staat van het model op dat moment, en zij veranderde ingrijpend met de herbouw van de economie.

Op 5 september 2026, voor die herbouw, was de absolute verschuiving 263.060 hectare, bijna vijftien procent van het gealloceerde areaal, en de richting was het eigenlijke nieuws: bij een ruimere band schoven de gewassen niet onderling maar verdwenen ze. Elf van de vijftien klassen krompen en het totaal zakte met een kwart, want op ongeveer een kwart van de landbouwgrond had geen enkel gewas een positieve contante waarde en zette alleen de ondergrens daar nog landbouw neer.

Op 7 september 2026, na de herbouw, blijft het totaal bij 0,25 op 99,9 procent van dat bij 0,05. De economie geeft nu op vrijwel het hele areaal een positieve contante waarde. De absolute verschuiving is 156.700 hectare, negen procent, en zij gaat tussen de gewassen: grondgebonden vee en de restklasse Akkerbouw winnen, aardappelen, granen, bieten en boomgaard zakken naar hun ondergrens. De band is daarmee weer een band rond het basisjaar en niet de motor van het areaal.

Bij die tweede meting hoort sinds 8 september 2026 een voorbehoud (#263). Zij rust op een bandindex in de WWL-relatiedatabase die die dag is gerepareerd: elke combinatie las de rij van de combinatie ernaast. Het effect verschilt per gewas, granen gaan van 0,345 naar 0,340 en uien van 0,355 naar 0,420, dus de conclusie dat de economie op vrijwel het hele areaal een positieve contante waarde geeft is niet meer gedekt en hoort opnieuw gemeten te worden. De getallen hierboven blijven staan omdat zij bij die codestand horen.

Die meting is bruikbaar als toets bij elke wijziging. Beweegt de gewasverdeling nauwelijks als de band wordt verruimd, dan is de economie zwak en heeft schaven aan kentallen weinig zin. Beweegt zij sterk, dan bepaalt de claim het antwoord en niet het model.

De claim volgt de ruimte die overblijft

Landbouw is een restclaim: wat overblijft na verstedelijking en nieuwe natuur, met de basisjaarverdeling als gewasverdeling binnen dat restant. Dat is de afspraak met Deltares uit #780. De bandbreedte hierboven geeft die verdeling, maar zegt niets over het totaal, en een totaal dat vastzit op het basisjaarareaal past niet meer in een variant die veel landbouwgrond een andere bestemming geeft. De NL2120-variant WLO_hoog_NbSGenuanceerd viel daarop om: landelijk was er speling, maar in de provincies waar natuur, water en natte teelt samen veel grond nemen ontbrak ruimte, en de allocator rekent per allocatieregio.

Daarom meet Iter_Landbouw_T/Allocatie_Prep/Claims/Restclaim per allocatieregio wat de allocator daar werkelijk aan landbouw kwijt kan, met dezelfde geschiktheidskaarten die de allocator zelf leest, dus inclusief de zeef van het zichtjaar, de exogene oplegging en wat eerdere sectoren al hebben genomen. Past de som van de ondergrenzen daarin, dan verandert er niets. Past zij niet, dan krimpen onder- en bovengrens van alle klassen met dezelfde factor tot zij passen, zodat de verhouding tussen de gewassen blijft staan en alleen het totaal zakt. De factor is nooit groter dan een: landbouw komt er niet bij. De plek is bewust gekozen, want alleen daar is de ruimte bekend zonder kringverwijzing; de claimcontainer zelf kan de geschiktheidskaarten niet lezen.

De schakelaar is ModelParameters/Landbouw/ClaimVolgtBeschikbareRuimte, ook te zetten met een omgevingsvariabele. De Krimpmarge van 0,98 is er omdat de toets noodzakelijk maar niet voldoende is: dat elke klasse haar ondergrens kwijt kan en alle klassen samen ook, bewijst nog niet dat er een toewijzing bestaat die aan beide tegelijk voldoet, en de omrekening van hectares naar hele cellen rondt af.

Gemeten op zichtjaar 2040, 7 september 2026: in NbSGenuanceerd is de krapste provincie geknepen tot ongeveer 0,95 en draait de allocatie door; in BAU tot ongeveer 0,97, waarbij de overige provincies ongemoeid blijven.

Wie de claimrealisatie leest moet weten dat die indicator de stand afzet tegen de claim uit de claimcontainer, dus tegen de ongeschaalde claim. In een regio waar de restclaim heeft gewerkt staat de realisatie daardoor onder de ondergrens van de band, en dat is geen fout maar de ruimte die op is. De toegepaste factor per regio staat onder Restclaim/Krimpfactor.

De exotische gewassen kunnen worden uitgezet

De schakelaar ExotenActief bepaalt of Rietteelt, Cranberry, Rijst, Yacon en Moerasbomen meedoen in de allocatie. Staat hij uit, dan zijn onder- en bovengrens van die vijf in elke regio nul, geldt de introductieruimte niet, en plaatst de allocator ze nergens. Hun geschiktheidskaarten worden nog wel berekend, voor de indicatoren en om ze zonder configwijziging weer aan te kunnen zetten.

De reden is de bron onder hun geschiktheid. Deze gewassen hebben geen opbrengstdervingscurve maar een kansenkaart die als derving wordt gelezen, en op landbouwgrond komt daar een negatief gemiddeld saldo uit. Een gewas dat alleen in de allocatie komt waar een kansenkaart toevallig een waarde heeft, en daarbuiten honderd procent derving draagt, zegt meer over de kaart dan over de landbouw.

Wat exogeen wordt opgelegd blijft staan, ook met de schakelaar uit: de natte teelt uit de veenlevering is Rietteelt en telt mee als gerealiseerde claim.


Allocatie

De invoer voor de allocatiemodule bestaat uit geschiktheidskaarten per landbouwklasse, met de beschikbaarheid er al in verwerkt, en de minimale en maximale claims per regio. Het discrete allocatiealgoritme maximaliseert de totale geschiktheid per regio en weegt daarbij opportuniteitskosten mee: het houdt rekening met wat een stuk land zou opleveren voor een alternatief gewas. Dat is anders dan de stapsgewijze allocatie van wonen en werken, waar een greedy-benadering geen rekening houdt met alternatief landgebruik.

Naast de vijftien klassen doet een restcategorie NonLandbouw mee. Die heeft geschiktheid nul en geen ondergrens, en vangt op wat de klassen laten liggen.

Drie dingen zijn de moeite waard voor wie de uitkomst leest.

De geschiktheid gaat als geheel getal de allocator in, vermenigvuldigd met honderd, want het algoritme rekent met integers. Dat houdt een resolutie van een cent per m2 aan, ruim genoeg naast een omschakeldrempel die op landbouwgrond in de orde van een euro per m2 ligt.

De geschiktheid die de allocator gebruikt is niet die uit VariantData maar wordt in Iter_Landbouw_T opnieuw opgebouwd, met de transitiekosten vanaf de klasse van het lopende zichtjaar. Zie Vanaf welke klasse wordt gerekend.

De allocatie kent maar een iteratie, en er wordt niet over de boervarianten geitereerd.


Exogeen opleggen

Bepaalde landbouwklassen kunnen per variant exogeen worden opgelegd. Een selectie van cellen wordt dan buiten het allocatieproces geplaatst en krijgt een vastgesteld landgebruik, ongeacht de geschiktheid. Dit wordt gestuurd door de parameter ExogeenOpleggen in VariantK en wordt gebruikt voor nieuwe natuur en water uit de landschapstyperingen.

Sinds #684 legt de veenlevering ook landbouw op, namelijk natte teelt en vernat grasland. Dat vraagt een andere behandeling dan natuur en water. Voor die twee is een oplegging simpelweg onbeschikbaar gebied, want daar komt geen landbouw meer; voor de landbouwstroom worden die cellen juist landbouw, alleen ligt hun klasse al vast en hoeft de allocator er niets te kiezen.

Sinds #780 sluit die boekhouding op drie plekken. De oplegging draagt een eigen verwijzing naar de landbouwklasse die zij maakt, de stand telt die cellen mee, en de claim trekt de opgelegde hectares eraf voordat zij de allocator in gaat. De claim gaat daarmee over het totaal, dus opgelegd plus gealloceerd, terwijl de allocator alleen over zijn eigen deel gaat. Zonder die laatste twee stappen toonden de landgebruikskaart en de stand-administratie natte teelt terwijl de landbouwstand daar nul zei, en telde alles wat die stand optelt te weinig.

Waterberging liep hier vroeger ook overheen, maar is sinds #575 een gealloceerde sector; zie Uitwerking waterberging.


Indicatoren

De landbouwmodule levert zelf twee grootheden aan de indicatorenexport, allebei per landgebruiksklasse en als gemiddelde per hectare naast een totaal over het studiegebied: de jaarlijkse netto-opbrengst en de netto contante waarde daarvan. Daarnaast staat het verschil tussen basisjaar en zichtjaar als eigen kengetal. Let op dat de basisjaarvariant wordt gevuld met de geschiktheid van het exportzichtjaar en dus de GLB en de mestprijs van dat jaar draagt, niet die van het basisjaar.

Daarnaast voedt de gealloceerde klasse deze indicatoren:


Wat er niet in zit

Deze punten zijn bekend en staan open. Zij horen bij het lezen van elke landbouwuitkomst.

De geschiktheid is een bovengrens voor de betalingsbereidheid voor grond en geen winst, want het saldo bevat geen arbeid, gebouwen, machines, grond en rente. Sectoren met veel niet-toegerekende kosten per hectare, dus melkvee tegenover akkerbouw, en bollen, boomkwekerij en fruit tegenover beide, komen er daardoor te gunstig uit.

De exotische gewassen rusten op kansenkaarten die als opbrengstderving worden gelezen. Dat is een categoriefout die is begrensd maar niet opgelost, en zij is de reden dat die gewassen uit de allocatie kunnen worden gezet.

De regionale arealen per gebied ontbreken. De claim is daarom een band rond het basisjaar plus een restclaim, en dat is een plaatshouder en geen gebiedsopgave.

De akkerbouwkentallen voor de veentak zijn de zandkentallen, want KWIN-AGV is voor de dalgrond nog niet gelezen. Daarom staat akkerbouw op veen begrensd tot waar zij in het basisjaar al voorkomt.

De opbrengstderving op de veentak is de laagste van alle bodemtakken, terwijl het veenweidegebied dat niet doet vermoeden. De oorzaak ligt in de grondwaterstandskaarten en in de BOFEK-eenheden van de relatiedatabase, en de vraag ligt bij Deltares.

Bij natte teelten hoort geen beregening, maar elke cel krijgt nu het beregeningsregime dat de kaart of het scenario zegt.

De vijf gedragsgetallen van de boervarianten zijn niet onderbouwd, en het restwaardeverlies in de transitiekosten is een verwachtingswaarde en geen meting.

De GLB-ankers na 2034 hebben geen bron; zij trekken een reele erosie door.


Bronnen