Uitwerking overige sectoren
Standaard wordt de allocatie van wonen en werken gevolgd door die van respectievelijk zonne-energie, verblijfsrecreatie en windenergie. Deze sectoren hebben geen subsectoren. Er vindt binnen deze sectoren dus geen concurrentie plaats. De regionale opgaven worden simpelweg toegewezen aan de beschikbare locaties met de hoogste geschiktheden voor deze sectoren. Voor alle drie geldt dezelfde opzet: de opgave komt binnen als een regionale claim, de stand in het basisjaar wordt uit brongegevens afgeleid, en de allocatie verloopt greedy vanaf de meest geschikte plek totdat de restclaim is ingevuld.
Zonne-energie
Regionale opgave
De regionale opgave voor zonne-energie (voor grondgebonden zonneparken) wordt uitgedrukt in termen van benodigde energieproductie (in gigawatt). De omvang hiervan is een typisch beleidsdoel (zie Hoofdstuk 3). Het model start van een nationaal opgesteld vermogen dat per zichtjaar is vastgelegd, in terawattuur productie volgens de Klimaat- en Energieverkenning (KEV): 8,3 TWh in 2030, oplopend via 13,9 TWh (2040) en 18,6 TWh (2050) naar 23,3 TWh (2060) in de standaardvariant. Deze jaarproductie wordt met een vast aantal vollasturen (854 uur voor een zonnepaneel) teruggerekend naar een op te stellen vermogen in gigawatt.
De nationale opgave wordt vervolgens over de regio’s verdeeld. Hiervoor zijn drie verdeelsleutels beschikbaar, waarvan er per variant één wordt gekozen: evenredig (gelijk over alle regio-eenheden), naar ruimte (naar rato van het aantal beschikbare cellen na de zeef) of naar vraag (naar rato van het aantal verblijfsobjecten in de regio).
Stand in het basisjaar
De stand van zonne-energie in het basisjaar komt uit de Basisregistratie Topografie (BRT, Kadaster (2023b)) via de laag ‘terreinvlakken zonnepark’. Deze polygonen worden vergrid naar 25m en het oppervlak berekend. Het vermogen per zonneveld volgt uit dat oppervlak maal de modelparameter voor vermogen per hectare, en wordt over de onderliggende cellen uitgesmeerd. Buiten het studiegebied is het vermogen nul.
Geschiktheid en de zonneladder
Door het beperkte voorkomen van zonne-energie in Nederland ontbreekt de empirische geschiktheidscomponent vooralsnog voor deze sector. Deze zou gebaseerd kunnen worden op een statistische analyse van de factoren die het voorkomen van huidige zonneparken verklaren. Nu is deze echter alleen gebaseerd op de inverse van de belevingskaart van het Nederlandse Landschap (CBS et al., 2009). Ondanks de smalle empirische basis lijken de eerste statistische analyses van de ruimtelijke spreiding van zonneweiden een redelijk alternatief voor het definiëren van geschiktheid (zie de eerste verkenning van Verdonk, 2023).
Bovenop de geschiktheid legt het model een voorkeursvolgorde op via de constructieve zonneladder (GNMF, 2019). De zonneladder ordent locatietypen van meest naar minst wenselijk, zodat cellen in een hogere trede altijd vóór cellen in een lagere trede worden ingevuld, ongeacht hun onderlinge geschiktheid. De in het model geoperationaliseerde treden zijn achtereenvolgens: onbenutte bebouwde locaties (overkappingen, parkeerterreinen, oude vuilstortplaatsen, gietwaterbassins) en locaties op infrastructurele werken (geluidsschermen, vliegvelden) onder de noemer no regret; wegbermen en industriële plassen onder zorgvuldig inpassen; andere plassen (recreatieplassen, waterberging zonder belangrijke natuurfunctie) onder combineren met gevoelige locaties; en tot slot productieve landbouwgrond als grootschalig enkelvoudig gebruik. Daken vallen buiten de resolutie en scope van deze studie en worden uit andere bronnen ingelezen. Per trede geldt een benuttingsfractie die aangeeft welk deel van het oppervlak feitelijk voor panelen beschikbaar is (bijvoorbeeld 0,8 voor parkeerterreinen en 0,9 voor landbouwgrond).
Dichtheid
De dichtheid waarin de gigawatts kunnen worden ingepast in de ruimte is voor elke beschikbare locatie gelijk voorondersteld en gebaseerd op kentallen (RVO, 2016). Deze kentallen lopen van 0,6 tot 1,2 MW per hectare; standaard rekent het model met de bovengrens van 1,2 MW per hectare, maar dit is instelbaar.
Verblijfsrecreatie
In het geval van verblijfsrecreatie is de regionale opgave uitgedrukt in aantallen recreatiewoningen. De aantallen zijn in de huidige implementatie gebaseerd op trends. De stand in het basisjaar wordt bepaald op basis van het aantal BAG objecten met een logies gebruiksdoel per 25-meter cel, verdeeld over een pand en gecorrigeerd voor het pand-is-groter-dan-cel-probleem zoals bij de sector werken is beschreven. De manier waarop beschikbaarheid wordt bepaald volgt dezelfde logica als voor wonen en werken. De geschiktheid van locaties voor verblijfsrecreatie is in deze implementatie afgeleid uit een statistische analyse van het huidig voorkomen van verblijfsrecreatie objecten (Koomen et al., 2021). De lokale dichtheid is gespecificeerd op basis van waargenomen dichtheden in het basisjaar.
Windenergie
Regionale opgave
Ook de regionale opgave voor windenergie wordt uitgedrukt in gigawatt. Het model gaat uit van een nationaal doel voor wind op land en binnenwater dat per zichtjaar is vastgelegd (Factsheet ten behoeve van de Ruimtescanner): 8,0 GW in 2030, oplopend naar 8,5, 9,0 en 9,5 GW in respectievelijk 2040, 2050 en 2060. Daarnaast is een hoog scenario beschikbaar dat naar 12,5 GW in 2060 loopt. Net als bij zon wordt deze nationale opgave via een per variant gekozen verdeelsleutel (evenredig, naar ruimte of naar vraag) over de regio’s verdeeld.
Stand in het basisjaar
Om de stand in het basisjaar te bepalen wordt een veldsituatie van windturbines ingelezen. Standaard is dit de situatie van maart 2025 (windstats.nl); daarnaast zijn eerdere veldsituaties beschikbaar (2024, en 2022 via de Nationale Energieatlas). Per turbine zijn locatie, vermogen, ashoogte en rotordiameter bekend, die naar het rekengrid worden vertaald. Windturbines worden in het model in twintig jaar afgeschreven en daarna automatisch verwijderd, wat betekent dat plekken onder verouderde turbines weer beschikbaar kunnen komen. Omdat wind altijd als laatste sector aan de beurt is, kan dit zichtbaar worden in de allocatie.
Geschiktheid
De geschiktheid voor wind is opgebouwd uit de inverse van de belevingskaart van het Nederlandse Landschap (CBS et al., 2009), aangevuld met de gemiddelde windsnelheid op 100 meter hoogte uit de PDOK windkaart. Plekken met een aantrekkelijker landschap en een lagere windsnelheid krijgen zo een lagere geschiktheid.
Dichtheid en turbinekeuze
De gebruiker kan kiezen tussen diverse typen windturbines, met elk hun eigen vermogen, ashoogte, rotordiameter, en daarmee hun eigen dichtheid en vermogen per ha (van circa 1 MW tot 5 MW per turbine). De potentiële dichtheid is verder gebaseerd op kentallen uit het Handboek Risicozonering Windturbines (Faasen et al., 2014). Anders dan bij de andere sectoren volgt de dichtheid dus niet uit een vast kental per hectare, maar uit de onderlinge afstand die tussen turbines moet worden aangehouden.
Ruimtelijke plaatsing: stempelprocedure en restricties
Anders dan bij de andere sectoren is het ruimtelijk plaatsen van windmolens in het model een lastiger proces met allerlei afhankelijkheden. Twee cellen naast elkaar met een resolutie van 25m kunnen vanzelfsprekend niet allebei een windmolen bevatten, want windmolens zijn tegenwoordig al snel 100 meter hoog met een bijbehorend grote wiekspanwijdte. Daarom dienen windturbines op een minimale afstand van elkaar te worden geplaatst (die met allerlei veiligheidsregels vergezeld gaan), en moet rekening worden gehouden met de dominante windrichting en de onderlinge ruimtelijke configuratie tussen windmolens. Daarom is hier een plaatsingsalgoritme voor opgesteld dat beschreven is in Bemmel en Rijken (2019).
In dit zogeheten stempelalgoritme wordt het studiegebied eerst geroteerd naar de dominante windrichting (noordwest-zuidoost). Binnen dat geroteerde grid worden turbines in rijen geplaatst met een onderlinge afstand van vier rotordiameters in de ene richting en zes rotordiameters in de andere. Er mogen maximaal drie rijen achter elkaar staan, waarna minimaal 1,5 km ruimte moet worden vrijgehouden zodat de luchtstroom kan regenereren. Het algoritme probeert meerdere verschoven varianten (stempels) van dit patroon en kiest de stempel die de meeste geschikte locaties oplevert.
Bovenop dit patroon geldt een set ruimtelijke restricties waarbinnen geen turbine mag komen. Een deel daarvan is statisch (bestaande kassen, buisleidingen, hoogspanningslijnen, luchthavens, primaire waterkeringen, risico-inrichtingen, spoor, water- en hoofdwegen, en zee), een deel dynamisch (bestaande en zojuist geplaatste turbines, en kwetsbare gebouwen). De buffers rond deze objecten zijn niet vast maar afhankelijk van de gekozen turbine: rond spoor bijvoorbeeld het maximum van 7,85m plus een halve rotordiameter of 30m, en rond bestaande turbines een veelvoud (standaard vier maal) van de rotordiameter. De maximale werpafstand die in enkele buffers wordt gebruikt, wordt ballistisch afgeleid uit de tipsnelheid en de valhoogte van de turbine, conform het RIVM-rekenvoorschrift en het Handboek Risicozonering Windturbines.